RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.46793
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.Y. Hodak),
en
(gemachtigde: mr. E.N. Spijkerman).
Procesverloop
In het besluit van 10 augustus 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de versnelde procedure buiten behandeling gesteld.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2026 op zitting behandeld in Breda. Eiser en zijn gemachtigde zijn zonder voorafgaand bericht niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. Niet in geschil is dat eiser niet is verschenen op zijn persoonlijk onderhoud van 23 juli 2026. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij de uitnodiging voor het persoonlijk onderhoud niet heeft ontvangen. De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of eiser voor dit onderhoud op de juiste wijze is uitgenodigd en, zo ja, of hij zonder gegronde reden niet is verschenen.
2. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de uitnodiging voor het persoonlijk onderhoud is uitgereikt. Verweerder heeft desgevraagd op 2 september 2026 een schermafbeelding uit INDIGO overgelegd waaruit volgt dat de uitnodiging is uitgereikt. Verweerder heeft dit op 9 september 2026 nader toegelicht en daarbij opnieuw een schermafbeelding uit INDIGO overgelegd, waaruit volgt dat het uitreiken van de uitnodigingsbrief is geregistreerd. Ook in de brief van verweerder van 29 juli 2026 aan de gemachtigde van eiser en in het bestreden besluit is vermeld dat de uitnodigingsbrief in persoon aan eiser is uitgereikt. Er zijn geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van deze registratie. Eiser was daarmee op de hoogte van het persoonlijk onderhoud en diende daarbij te verschijnen.
3. Vervolgens ligt de vraag voor over eiser voor zijn afwezigheid op 23 juli 2026 een gegronde reden had. Voor zover eiser stelt dat hij niet bij het persoonlijk onderhoud is verschenen wegens ziekte, heeft eiser dit op die dag niet gemeld. Ook geeft eiser hiervan geen doktersverklaring, derdenverklaring of ander document overgelegd ter bevestiging van zijn ziekte. De rechtbank is van oordeel dat eiser hiermee geen gegronde reden voor zijn afwezigheid heeft gegeven. De enkele stelling dat eiser op de dag van het persoonlijk onderhoud ziek was, zonder enige (objectieve) onderbouwing daarvan, is daarvoor onvoldoende. De stelling dat een dokter geen verklaring kan afgeven ter bevestiging van zijn ziekte gaat niet op, nu dit wel mogelijk is wanneer hiervoor toestemming wordt verleend.
4. Verweerder heeft ter zitting terecht gewezen op de kan-bepaling van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw en het feit dat artikel 41, eerste lid, aanhef en onder d, van de Procedureverordening hieraan ten grondslag ligt. Deze bepaling schrijft voor dat een asielaanvraag als impliciet ingetrokken wordt beschouwd indien de vreemdeling niet verschijnt voor het persoonlijk onderhoud, zonder dat hij daarvoor een gegronde reden heeft. Uit de bewoordingen van de Procedureverordening kan niet worden afgeleid dat verweerder voorafgaand aan het buiten behandeling stellen van de aanvraag een belangenafweging moet verrichten.
5. De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot het oordeel dat eiser overeenkomstig artikel 13 van de Procedureverordening in de gelegenheid is gesteld om het persoonlijk onderhoud bij te wonen en dat hij zonder gegronde reden niet is verschenen. Daarmee is voldaan aan de voorwaarde van artikel 41, eerste lid, aanhef en onder d, van de Procedureverordening. De aanvraag wordt in dat geval als impliciet ingetrokken beschouwd.
6. Het beroep van eiser op het evenredigheidsbeginsel slaagt evenmin. Van een schending van het evenredigheidsbeginsel is geen sprake. Het buiten behandeling stellen van de aanvraag heeft voor eiser weliswaar tot gevolg dat zijn aanvraag niet inhoudelijk wordt beoordeeld, maar het staat eiser vrij om een nieuwe asielaanvraag in te dienen. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat het buiten behandeling stellen van de onderhavige aanvraag voor eiser onevenredig zware gevolgen heeft.
7. Verweerder heeft de aanvraag daarom terecht buiten behandeling gesteld. Het beroep is ongegrond.
8. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 10 september 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.