RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.38432
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. A.H.A. Kessels),
en
(gemachtigde: mr. E.J.M.C. Jansen).
1. Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Verweerder heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en kan worden overgedragen aan Frankrijk. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten aanzien van Frankrijk heeft mogen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ook kan eiser geen geslaagd beroep doen op de discretionaire bevoegdheid van verweerder die volgt uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening (Dv). Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 21 april 2026 een asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vw ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 16 juli 2026 deze aanvraag niet in behandeling genomen.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat hij niet zal worden uitgezet totdat op het beroep is beslist.
Het verzoek om voorlopige voorziening is door deze rechtbank en zittingsplaats toegewezen op 7 augustus 2026.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Wat betrekt de rechtbank in haar beoordeling?
3. Eiser is geboren op [datum] 1982 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Hij heeft op 21 april 2026 asiel aangevraagd in Nederland.
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die stonden in de Dv. Vanaf 12 juni 2026 geldt niet meer de Dv maar de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMBV). In deze zaak dateert de aanvraag van vóór 12 juni 2026. Uit een oogpunt van rechtszekerheid en rechtsbescherming beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit niet op grond van artikel 43, eerste lid, van de AMBV, maar nog op grond van artikel 27, eerste lid, van de Dv.
Uit EUVIS is gebleken dat eiser een visum voor Frankrijk had dat geldig was van 5 april 2026 tot en met 20 mei 2026. Eisers visum was dus nog geldig toen hij in Nederland aankwam en asiel aanvroeg. Volgens artikel 12, tweede lid van de Dv is Frankrijk daarom verantwoordelijk voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Verweerder heeft op 4 mei 2026 aan Frankrijk gevraagd om eiser over te nemen. Frankrijk heeft op 6 juli 2026 laten weten dit verzoek te aanvaarden.
Kan verweerder ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Eiser doet een beroep op een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 17 augustus 2026 en stelt dat hij bij een overdracht aan Frankijk een ernstig en daadwerkelijk risico loopt terecht te komen in een situatie van vergaande materiële deprivatie en schending van artikel 4 en 19 van het Grondrechtenhandvest en artikel 3 van het EVRM. Dit klemt te meer omdat eiser ernstig is getraumatiseerd en in Nederland onder behandeling is voor zijn psychische klachten. Een overdracht aan Frankrijk is daarom in strijd met het Unierecht. Eiser verwijst naar pagina 130 van het AIDA-rapport Frankrijk over 2025 en stelt dat slechts 20.2% van de asielzoekers in de Dublinprocedure opvang krijgt. Eiser stelt dat daarom ten aanzien van Frankrijk niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Verweerder verwijst naar vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), waarin de Afdeling ten aanzien van Frankrijk wel uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Volgens verweerder staat de uitspraak van 17 augustus 2026 waar eiser naar verwijst nog niet in rechte vast. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat het AIDA-rapport Frankrijk over 2025 geen wezenlijk ander beeld schetst wat betreft de opvang van asielzoekers, en meer in het bijzonder Dublinterugkeerders, in Frankrijk, dan in de eerder gepubliceerde AIDA-rapporten. Dublinterugkeerders worden hetzelfde behandeld als op reguliere wijze binnenkomende asielzoekers. Het percentage asielzoekers in de Dublinprocedure waar eiser op wijst, ziet volgens verweerder op asielzoekers die zich in Frankrijk in de Dublinprocedure bevinden (24.174 personen), en niet op Dublinterugkeerders. Voorts volgt volgens verweerder uit het AIDA-rapport Frankrijk over 2025 dat 70% van alle asielzoekers in 2025 onderdak kreeg. Net als in voorgaande AIDA-rapporten wordt benoemd dat er problemen zijn met de opvang. Verweerder stelt zich echter op het standpunt dat dit feit is meegenomen in de eerdergenoemde Afdelingsjurisprudentie en niet heeft geleid tot het oordeel dat de problematiek zodanig structureel en ernstig is dat bij overdracht aan Frankrijk op voorhand sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het EU-Handvest.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het AIDA-rapport Frankrijk over 2025 dat het door eiser genoemde percentage van 20.2% ziet op Dublin ‘applicants’ en niet op Dublin ‘returnees’ ofwel Dublinterugkeerders. De rechtbank leest het volgende in het rapport: At the end of 2025, only 4,887 out of 24,174 asylum applicants under Dublin procedure this year were accommodated (20.2%).’Daar waar in de zin ervoor wordt gesproken van ‘applicants or returnees’, betreft de 20.2% naar het oordeel van de rechtbank alleen de ‘applicants’. Hieronder begrijpt de rechtbank asielzoekers die naar Frankrijk zijn gekomen om asiel aan te vragen en voor wie de Franse autoriteiten bij een ander land, of andere landen, een claimverzoek indienen. Dit wordt naar het oordeel van de rechtbank bevestigd op twee andere plekken in het rapport, waar wordt gesproken van 30.084 claimverzoeken in het jaar 2025, voor 24.174 personen. Dit is mogelijk omdat een lidstaat meerdere claimverzoeken kan versturen voor dezelfde persoon, als er onduidelijkheid is over de lidstaat die verantwoordelijk is voor behandeling van de asielaanvraag. Het gaat hier dus niet om Dublinterugkeerders die vanuit een ander land, in het kader van de Dublinprocedure, zijn overgedragen aan Frankrijk.
Ook eisers stelling ter zitting dat sprake is van achteruitgang van opvangplekken voor Dublinterugkeerders en Dublinclaimanten, vindt naar oordeel van de rechtbank geen grondslag in het rapport. Eiser heeft ter zitting gesteld dat 50% van de Dublinterugkeerders niet wordt opgevangen en dat dit een hoog percentage is. De rechtbank overweegt dat die stelling niet voldoende is om aan te nemen dat de opvangsituatie is veranderd of verslechterd ten opzichte van de situatie die door de Afdeling is betrokken in vaste rechtspraak. In die uitspraken is door de Afdeling het AIDA-rapport Frankrijk over 2024 betrokken, en leest de rechtbank ook het percentage van 50% terug, hetgeen er op duidt dat het gelijk is gebleven. Ook heeft de Afdeling zeer recent bevestigd dat het AIDA-rapport Frankrijk over 2025 geen wezenlijk ander beeld schetst van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan volgt uit de landeninformatie die al bij de uitspraak van 31 juli 2025 is betrokken. Voor zover eiser stelt dat er een achteruitgang is in opvangplekken in Frankrijk, heeft hij dit niet onderbouwd en ziet de rechtbank niet in waarom hij in een staat van materiële deprivatie zou terechtkomen bij overdracht aan Frankrijk.
De rechtbank oordeelt dat verweerder ten aanzien van Frankrijk kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, en zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat ervan kan worden uitgegaan dat Frankrijk de internationale verplichtingen nakomt.
Had verweerder de asielaanvraag in behandeling moeten nemen op grond van artikel 17 van de Dv?
6. Eiser doet een beroep op artikel 17, eerste lid, van de Dv en stelt dat er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat een overdracht aan Frankrijk van een onevenredige hardheid getuigt. Hij stelt dat hij last heeft van een posttraumatische stressstoornis (PTSS), depressie en suïcidegedachten. Eiser stelt dat hij hiervoor onder behandeling staat in Nederland. Gelet op zijn kwetsbaarheid als getraumatiseerd LHBTI+’er is het van belang voor zijn welzijn dat hij zijn verblijf in Nederland kan voortzetten en niet wordt overgedragen aan Frankrijk. Voorts stelt eiser dat hij hier in Nederland al een netwerk heeft opgebouwd, en actief is binnen LHBTI-organisaties. Eisers bijzondere omstandigheden heeft hij met meerdere stukken onderbouwd, waaronder meerdere GZA-journaals, een ondersteunende verklaring van een vriend, een verklaring van de voorzitter van Open Minded LGBT Nederland en een verklaring van White House Hospital in het land van herkomst van eiser.
7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de door eiser overgelegde stukken, waaronder het GZA-journaal, niet blijkt dat dat de gestelde medische en/of psychische problematiek tijdens de overdracht aan Frankrijk zal leiden tot ernstige en onomkeerbare gevolgen voor de gezondheid. Ook stelt verweerder zich op het standpunt dat uit deze stukken niet blijkt dat sprake is van een actieve specialistische behandeling in Nederland. De stukken geven slechts een (veelal subjectieve) indicatie van de medische klachten die eiser ervaart. Ook stelt verweerder zich op het standpunt dat met eisers lidmaatschap van LHBTI-organisaties niet volgt dat eiser in Frankrijk zijn betrokkenheid niet kan voortzetten bij gelijkgestemde organisaties of dat het stopzetten van deze activiteiten leidt tot een schending van artikel 3 van het EVRM. Voorts is het feit dat eiser medische zorg nodig heeft niet genoeg, aldus verweerder, aangezien Nederland erop mag vertrouwen dat de medische zorg in Frankrijk hetzelfde is als hier en dat eiser daar ook toegang tot deze zorg krijgt. Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de eventueel benodigde medische en/of psychische zorg niet in Frankrijk verkrijgbaar is, nu dit niet met nadere stukken is
onderbouwd. Ook het feit dat hij eiser de Franse taal niet spreekt, daar niet eerder is geweest en daar niemand kent is onvoldoende om anders te oordelen dan het bovenstaande, aldus verweerder.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de overdracht aan Frankrijk een onevenredige hardheid met zich meebrengt dan wel te grote negatieve gevolgen voor eiser zal hebben. Verweerder is in het verweerschrift uitdrukkelijk ingegaan op de door eiser aangevoerde medische omstandigheden en waarom deze geen reden zijn voor toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dv. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat uit de GZA-journaals weliswaar blijkt dat eiser psychische klachten ervaart en medicatie gebruikt, maar niet volgt dat overdracht aan Frankrijk zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat de journaals geen diagnose, prognose of medische beoordeling van een behandelaar bevatten waaruit blijkt dat overdracht medisch onverantwoord is. Evenmin blijkt uit het rapport dat eiser onder actieve specialistische behandeling staat. Verder heeft verweerder zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat ervan kan worden uitgegaan dat de medische voorzieningen in Frankrijk van een vergelijkbare kwaliteit zijn. De rechtbank volgt dat standpunt. Voorts heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de benodigde medische behandeling aldaar niet voor eiser beschikbaar zal zijn. Ook het netwerk dat eiser hier in Nederland heeft opgebouwd en zijn lidmaatschap van en betrokkenheid bij LHBTI-organisaties hier, vormen niet een zodanig bijzondere omstandigheid die maakt dat een overdracht aan Frankrijk van onevenredige hardheid zou getuigen.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en kan worden overgedragen aan Frankrijk.
9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Broekhof, rechter, in aanwezigheid van mr. A.V. Kostiouk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.