[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. A. Berends),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. H.J.M. Müller-Jabusch).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvragen van eiser en zijn minderjarige zoon voor afgifte van een visum kort verblijf. Eiser is het niet eens met de afwijzingen van de aanvragen. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister heeft mogen weigeren om aan eiser en zijn zoon een visum kort verblijf te verlenen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inleiding
2. Eiser is in 2016 ongewenst verklaard. Eiser is vervolgens in 2022 gehuwd met [referente] (referente) en heeft een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aangevraagd voor zichzelf en zijn zoon om bij referente in Nederland te kunnen verblijven. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag op 13 december 2024 afgewezen en aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat eiser in 2016 is veroordeeld voor het plegen van een drugsmisdrijf. De minister van Asiel en Migratie heeft gezinsleven tussen eiser en referente aangenomen, maar de belangenafweging is in het nadeel van eiser uitgevallen. De ongewenstverklaring is in het besluit van 13 december 2024 opgeheven. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Het beroep is bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 8 oktober 2025 ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.
3. Eiser heeft op 10 maart 2025 voor zichzelf en zijn minderjarige zoon aanvragen ingediend voor afgifte van een visum kort verblijf om zijn echtgenote (referente) te bezoeken. De minister heeft deze aanvragen met het besluit van 1 april 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 21 februari 2026 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvragen gebleven.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
5. De minister heeft op 12 augustus 2026 een verweerschrift ingediend.
6. De rechtbank heeft het beroep op 19 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referente de gemachtigde van eiser (beiden via een beeldschermverbinding), en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
7. De minister heeft aan de afwijzing van de aanvragen ten grondslag gelegd dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet zijn aangetoond en dat er redelijke twijfel bestaat dat eiser het grondgebied van de lidstaten tijdig zal verlaten, omdat er onvoldoende sociale en economische binding is met het land van herkomst.
8. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser het doel en de omstandigheden van het verblijf onvoldoende zou hebben aangetoond en dat er sprake zou zijn van vestigingsgevaar. In de eerdere mvv-procedure heeft de minister van Asiel en Migratie uitdrukkelijk aangegeven dat door opheffing van de ongewenstverklaring eiser in staat is om zijn gezin in Nederland te kunnen bezoeken. Door afwijzing van de visumaanvraag komt eiser in een “catch-22 situatie” terecht, omdat het hem onmogelijk gemaakt wordt om naar Nederland te reizen. Verder is in de afwijzing van de mvv aanvraag van 13 december 2024 van eiser opgenomen dat hij sterkere banden heeft met Suriname dan met Nederland. Daarom is het onredelijk om nu, in deze procedure, aan eiser tegen te werpen dat hij onvoldoende sociale binding heeft met Suriname.
Toetsingskader
9. De rechtbank stelt voorop dat de in artikel 32, eerste lid, van de Visumcode genoemde weigeringsgronden ieder afzonderlijk voldoende zijn om een aanvraag voor een visum kort verblijf af te wijzen. Uit voornoemd artikel, aanhef en onder a (onderdeel ii), volgt dat een visum wordt geweigerd indien de aanvrager het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond. Uit aanhef en onder b van voornoemd artikel volgt dat een visum kan worden geweigerd als er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten. Voor de vraag of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten toetst de minister de sociale en economische binding van de aanvrager met zijn land van herkomst. Naarmate de binding geringer of juist sterker is, zal ook de twijfel over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten toe- of afnemen. Het is dan ook aan eiser om aannemelijk te maken dat de sociale en/of economische binding met Suriname dusdanig is dat op grond daarvan kan worden aangenomen dat tijdige terugkeer gewaarborgd is. Bij het onderzoek of daar twijfel over bestaat, komt de minister een ruime beoordelingsruimte toe. De rechter kan de conclusies van verweerder over de toepasselijkheid van deze weigeringsgronden daarom slechts terughoudend toetsen.
Doel en omstandigheden
10. De rechtbank stelt vast dat de minister in het verweerschrift deze afwijzingsgrond niet langere handhaaft. Hetgeen eiser hiertegen heeft aangevoerd zal de rechtbank daarom onbesproken laten.
Twijfel aan tijdige terugkeer
11. De minister heeft in het bestreden besluit het standpunt ingenomen dat een tijdige terugkeer van eiser naar Suriname onvoldoende is gewaarborgd. Hiertoe heeft de minister gesteld dat de sociale binding met Suriname onvoldoende is aangetoond dan wel zeer gering is gebleken. Eiser is gehuwd met referente en hij heeft twee minderjarige kinderen. Zijn dochter is woonachtig in België en zijn zoon woont bij eiser in Suriname. Nu eiser ook een visumaanvraag voor zijn zoon heeft ingediend is er geen sprake van een achterblijvend gezin in Suriname. De sociale binding met Nederland is sterker gelet op het huwelijk met referente. Niet is gebleken dat eiser de zorg heeft voor andere directe familieleden of in staat zou zijn om hen te onderhouden. Verder is niet gebleken van zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die eiser dwingen tijdig naar Suriname terug te keren. Volgens de minister is niet gebleken van een zodanige economische binding met Suriname dat tijdige terugkeer is gewaarborgd. Eiser werkt weliswaar als ambtenaar in Suriname, maar gelet op hetgeen is overwogen met betrekking tot het reisdoel en de sociale binding is dit onvoldoende om de tijdige terugkeer te garanderen.
12. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de sociale binding van eiser met het land van herkomst onvoldoende is aangetoond, dan wel gering is gebleken. De minister heeft daarbij mogen betrekken dat eiser zijn zoon met hem wil laten meereizen naar Nederland en dat hij dus geen sociale band heeft met Suriname voor wat betreft eigen achterblijvende gezinsleden. Verder heeft de minister kunnen betrekken dat niet is gebleken dat eiser zorg heeft voor andere directe familieleden of dat er sprake is van zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die hem dwingen tijdig naar Suriname terug te keren. Ook heeft de minister mogen meewegen dat de sociale banden van eiser ook in Nederland liggen, omdat zijn echtgenote in Nederland woont. Dat de minister van Asiel en Migratie in de afwijzing van de aanvraag voor een mvv voor eiser in het kader van de belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM heeft overwogen dat eiser sterkere banden heeft met Suriname dan met Nederland doet aan het voorgaande niet af. Dit betreft immers een ander soort beoordeling. Zoals overwogen onder 9 kijkt de minister bij de beoordeling van de vraag of aan eiser en zijn zoon een visum wordt afgegeven of er sprake is van vestigingsgevaar en daarbij toetst de minister de sociale en economische binding van de aanvrager met zijn land van herkomst.
13. Met betrekking tot de economische binding van eiser met Suriname stelt de rechtbank vast dat uit de bij de aanvraag overgelegde stukken volgt dat eiser sinds 1 oktober 2019 werkzaam is als junior medewerker CKB bij het Surinaamse Ministerie van Binnenlandse zaken. Eiser ontvangt een netto maandsalaris van 8.225,70 Surinaamse dollars per maand. Eiser heeft verder afschriften van zijn bankrekening overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser weliswaar economische binding heeft met Suriname, maar dat deze economische binding niet opweegt tegen het gebrek aan sociale binding van eiser met Suriname.
14. De rechtbank oordeelt dat de minister gelet op het voorgaande in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat eiser onvoldoende sociale en economisch binding heeft met Suriname waardoor er redelijke twijfel bestaat over het voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het gevraagde visum.
Hoorplicht
15. Eiser voert verder aan dat sprake is van schending van de hoorplicht. Omdat in de mvv-procedure door de minister van Asiel en Migratie uitdrukkelijk is aangegeven dat eiser in staat is om zijn gezin in Nederland te bezoeken, kan geen sprake zijn van een kennelijk ongegrond bezwaar. De hoorplicht heeft ook niet enkel tot doel om nadere toelichting te geven op wat is ingebracht, maar heeft ook tot doel om informatie en wederzijdse standpunten uit te wisselen. Eiser verwijst in dit kader naar Werkinstructie 20222/20. Tijdens de hoorzitting had besproken kunnen worden onder welke omstandigheden wel tot visumverlening zou kunnen worden overgegaan.
16. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden afgezien van het horen van een belanghebbende indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Hiervan is sprake indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een andersluidend besluit.
17. De rechtbank oordeelt dat de minister de hoorplicht niet heeft geschonden. In bezwaar heeft eiser geen stukken overgelegd ter onderbouwing van de stellingen in het bezwaarschrift over de sociale binding van eiser met Suriname. In de bezwaarprocedure is voldoende gelegenheid geboden om (aanvullende) informatie te verstrekken en stukken over te leggen. Hier is echter geen gebruik van gemaakt. Niet is aangevoerd dat de gevraagde stukken niet overgelegd hadden kunnen worden en bepaalde informatie niet verstrekt kon worden. Nu eiser heeft nagelaten om met aanvullende bewijsstukken zijn sociale binding met Suriname - in het kader van de visumaanvraag - verder aan te tonen, was meteen duidelijk dat het bezwaar niet kon leiden tot een andere uitkomst dan die van het primaire besluit. Bovendien heeft eiser ter zitting bevestigd dat geen sprake is van gewijzigde omstandigheden sinds het besluit van 13 december 2024. Een hoorzitting had in dit kader dan ook niet kunnen leiden tot een ander oordeel.
Conclusie en gevolgen
18. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr.L.S. Lodder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 september 2026.