ECLI:NL:RBDHA:2026:26804

ECLI:NL:RBDHA:2026:26804

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 10-09-2026
Datum publicatie 15-09-2026
Zaaknummer NL26.46220 en NL26.46221
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Voorlopige voorziening+bodemzaak

Samenvatting

AMBV Italië. Verweerder heeft de aanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Italië daarvoor verantwoordelijk is. Verweerder stelt dat ten aanzien van Italië weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, maar heeft dit naar het oordeel van de rechtbank niet gemotiveerd aannemelijk gemaakt.

Uitspraak

[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. A.H.A. Kessels),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Beyik).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag. Verweerder heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 6 augustus 2026 niet in behandeling genomen omdat Italië daarvoor verantwoordelijk is. Eiser heeft op 13 augustus 2026 beroep ingesteld tegen dit besluit.

2. Gelijktijdig met het instellen van het beroep heeft eiser ook een verzoek om voorlopige voorziening gedaan, zodat hij niet zal worden uitgezet totdat op het beroep is beslist.

3. Het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening zijn op 26 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank en de voorzieningenrechter

Wat is de conclusie van deze uitspraak?

4. De rechtbank concludeert in deze uitspraak dat verweerder niet toereikend heeft gemotiveerd dat ten aanzien van Italië weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank legt hierna uit, aan de hand van de beroepsgronden van eiser, hoe zij tot dat oordeel komt en wat de gevolgen hiervan zijn.

Wat houdt het bestreden besluit in?

5. Eiser stelt de Eritrese nationaliteit te hebben en geboren te zijn op [datum] 2000. Uit Eurodac is gebleken dat eiser eerder een asielaanvraag heeft ingediend in Italië. Vervolgens heeft hij op 2 juli 2026 een asielaanvraag ingediend in Nederland.

De Europese Unie heeft gezamenlijke regels over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die stonden in de Dublinverordening. Vanaf 12 juni 2026 geldt niet meer de Dublinverordening maar de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMBV). In deze zaak dateren de aanvraag en het bestreden besluit van na 12 juni 2026 en heeft verweerder dit besluit dus ook genomen met toepassing van de AMBV. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit daarom op grond van artikel 43, eerste lid, van de AMBV.

In dit geval heeft Nederland aan Italië een kennisgeving inzake terugname gestuurd. Italië heeft op 22 juli 2026 verantwoordelijkheid voor de asielaanvraag bevestigd. Verweerder heeft geen aanleiding gezien om de asielaanvraag zelf in behandeling te nemen.

Heeft verweerder voor Italië mogen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?

Standpunten

6. Eiser betwist dat verweerder in zijn geval voor Italië kon uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 april 2023 volgt dat verweerder geen vreemdelingen aan Italië mag overdragen, omdat zij daar vanwege een gebrek aan opvangfaciliteiten een reëel risico lopen op een behandeling die volgens artikel 4 van het Handvest is verboden. De Afdeling heeft recent nog in haar uitspraak van 17 maart 2026 geoordeeld dat deze situatie onveranderd is gebleven. Bovendien blijkt uit objectieve informatie over de werking van het asielstelsel in Italië, bijvoorbeeld uit de AIDA-rapporten over 2023, 2024 en 2025 en een recente mededeling van de Europese Commissie (hierna: de Commissie) aan het Europese Parlement en de Europese Raad, dat eiser geen opvang zal krijgen na overdracht aan Italië.

Daarnaast heeft eiser erop gewezen dat er geen berichten zijn over verbeteringen in de opvang sinds de inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact en over de vraag of vreemdelingen die teruggenomen worden, worden toegelaten in de opvangcentra. Tot slot heeft eiser een Volkskrant artikel van 19 augustus 2026 overgelegd waarin is vermeld dat Italië migranten uit Duitsland weigert terug te nemen. Verweerder heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat nu wel van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.

7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de situatie in Italië wezenlijk is gewijzigd ten opzichte van de situatie die aan de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2023 ten grondslag lag. Bij de huidige stand van zaken bestaat er volgens verweerder geen reëel risico dat een vreemdeling na overdracht in een situatie van een zeer verregaande materiële deprivatie terecht komt, zoals bedoeld in het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof). Gelet daarop is er geen reden meer om eiser niet over te dragen. De argumenten waarop verweerder dit standpunt baseert zal de rechtbank hierna bespreken.

Toetsingskader

8. Een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest is één van de aspecten waarop het beroep gelet op artikel 43, eerste lid, van de AMBV betrekking kan hebben.

Het Hof heeft op 19 maart 2019 in de zaak Jawo geoordeeld dat van een dergelijk risico sprake is als buiten de wil en verdere keuzes van de betrokken vreemdeling om overdracht een zeer verregaande materiële deprivatie meebrengt die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften, zoals eten, stromend water en beschikken over woonruimte, en negatieve gevolgen zou hebben voor zijn fysieke of mentale gezondheid, of hem in een toestand van achterstelling zou brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid en waartegenover de autoriteiten onverschillig staan.

Voor de beoordeling van het beroep is het toetsingskader zoals de Afdeling heeft uiteengezet in onder meer de uitspraak van 4 september 2024 van belang. In die uitspraak overwoog de Afdeling dat bij de beoordeling welke lidstaat op grond van de toepasselijke criteria verantwoordelijk is voor behandeling van een door een vreemdeling bij een van de lidstaten ingediend asielverzoek, de minister moet uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van een vreemdeling in de aangezochte lidstaat in overeenstemming is met de bepalingen van het Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Dat heet het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dat vermoeden is evenwel weerlegbaar.

Als eiser zich onder verwijzing naar objectieve informatie gemotiveerd op het standpunt stelt dat verweerder niet of niet zonder meer van het vermoeden kan uitgaan dat de aangezochte lidstaat aan zijn internationale verplichtingen zal voldoen, mag verweerder die gegevens niet buiten beschouwing laten en is het aan hem om gemotiveerd aannemelijk te maken dat hij nog altijd van dat vermoeden mag uitgaan. Dat kan verweerder doen door de door eiser gestelde feiten of de door eiser aan de objectieve informatie ontleende en gestelde feiten gemotiveerd te betwisten of door gemotiveerd uit te leggen waarom hij tot een andere waardering van de door eiser gestelde feiten of de door eiser aan de objectieve informatie ontleende en gestelde feiten komt. Verweerder moet niet alleen door de vreemdeling aan de objectieve informatie ontleende en gestelde feiten in aanmerking nemen, maar ook uit eigen beweging rekening houden met relevante en objectieve informatie waarvan hij kennis heeft.

Oordeel rechtbank

9. De rechtbank stelt voorop dat in de door eiser aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 26 april 2023 is geoordeeld dat verweerder geen vreemdelingen aan Italië mag overdragen, omdat zij daar vanwege een gebrek aan beschikbare opvangfaciliteiten een reëel risico lopen op een behandeling die volgens artikel 4 van het Handvest is verboden. Dat sprake was van gebrek aan opvangfaciliteiten volgde uit berichtgeving van de Italiaanse autoriteiten, onder meer in een ‘circular letter’ van 5 december 2022. De Afdeling oordeelde dat deze berichtgeving aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat de opvangvoorzieningen in Italië systeemfouten bevatten en dat de staatssecretaris niet meer mag uitgaan van het vermoeden dat Italië zal voldoen aan zijn internationale verplichtingen.

Sinds deze Afdelingsuitspraak is het oordeel dat ten aanzien van Italië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mocht worden uitgegaan niet gewijzigd, en hebben geen overdrachten van Dublin-terugkeerders naar Italië plaatsgevonden.

In het door eiser aangehaalde AIDA-rapport van juli 2026 staat dat in april 2026 door Italië nog werd aangegeven dat in het opvangsysteem geen plaatsen zijn gereserveerd voor Dublin-terugkeerders. Daarnaast staat in de door eiser aangehaalde mededeling van de Commissie van 15 juli 2026 dat uit de maatregelen die Italië tot dusver heeft genomen, blijkt dat er aanzienlijke inspanningen zijn geleverd om de uitvoering van deel III van de verordening asiel- en migratiebeheer voor te bereiden. Er staat echter ook dat in dit stadium geen concrete aanwijzingen konden worden gevonden dat de praktijken in het kader van de Dublin III-verordening, en met name met betrekking tot de opschorting van de opvang van overdrachten, met uitzondering van gevallen van gezinshereniging van niet-begeleide minderjarigen, niet langer voortduren.

Eiser heeft zich met de verwijzing naar de Afdelingsuitspraak en naar actuele, objectieve informatie naar het oordeel van de rechtbank gemotiveerd op het standpunt gesteld dat verweerder ten aanzien van Italië nog steeds niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Het is dan ook aan verweerder om deugdelijk gemotiveerd aannemelijk te maken dat dit wel het geval is.

Verweerder stelt daartoe dat sinds de inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact weer opvang beschikbaar zal zijn voor mensen die naar Italië worden overgedragen. Hij heeft met de Italiaanse minister van Binnenlandse Zaken besproken dat Italië medewerking gaat verlenen aan het Asiel- en Migratiepact en de Italiaanse minister heeft expliciet benoemd dat er in Italië adequate opvang zal worden geboden. De zogenoemde ‘circular letter’ van Italië uit 2022 is volgens verweerder daarmee niet langer van kracht. Verweerder wijst er daarnaast op dat het Hof in arresten van 19 december 2024 en 5 maart 2026 heeft geoordeeld dat alleen een eenzijdige opschorting niet voldoende is om te oordelen dat een vreemdeling niet aan Italië mag worden overgedragen.

Volgens verweerder is verder in de diverse rapporten geen informatie opgenomen waaruit blijkt dat eiser in Italië geen opvang zou kunnen krijgen of dat sprake is van andere serieuze problemen en dat volgt ook niet uit informatie van de United Nations High Commissioner for Refugees, vanuit Europa of andere hogere instanties. In de mededeling van de Commissie van 15 juli 2026 is aangegeven dat de organisatie van het nationale opvangsysteem van Italië toereikend lijkt om de personen die op grond van de AMBV worden overgedragen onder te brengen in het landelijke netwerk voor opvangvoorzieningen, en dat in het geval van toename van het aantal overdrachten een uitbreiding van de opvangcapaciteit mogelijk is. Verweerder stelt dat hij zich hieromtrent voldoende heeft vergewist, en niet onkundig is geweest van de beschikbare openbare informatie.

Eiser heeft niet met nieuwe stukken laten zien dat hij een reëel risico loopt op een slechte behandeling in Italië. Met het claimakkoord heeft Italië beloofd zijn asielaanvraag in behandeling te nemen. Eiser kan bij problemen in Italië daar een klacht indienen bij de overheid.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder er niet in is geslaagd om deugdelijk gemotiveerd aannemelijk te maken dat hij voor Italië weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Verweerder heeft er weliswaar terecht op gewezen dat in het bericht van de Commissie van 15 juli 2026 staat dat de opvangcapaciteit toereikend lijkt, maar dat betekent niet dat voldoende is verzekerd dat eiser bij overdracht naar Italië ook van deze opvang gebruik kan maken. Verweerder heeft geen objectieve informatie overgelegd waaruit blijkt dat opvang zal worden geboden aan asielzoekers die worden overgedragen in het kader van de AMBV. De algemene mondelinge toezegging van de Italiaanse minister over het bieden van adequate opvang is onvoldoende om daarvan uit te kunnen gaan. De stelling van verweerder dat uit deze toezegging volgt dat de ‘circular letter’ uit 2022 die ten grondslag lag aan de Afdelingsuitspraak van 26 april 2023 niet meer van toepassing is, kan verder zonder nadere motivering niet worden gevolgd. In het Commissiebericht waar verweerder naar verwijst is immers te lezen dat er geen aanwijzingen zijn dat Italië het opschortingsbeleid uit de ‘circular letter’ uit 2022 niet langer hanteert en dat deze nog niet formeel is ingetrokken of vervangen door de Italiaanse autoriteiten.

Het standpunt van verweerder dat uit diverse rapporten of informatie van de UNHCR niet blijkt dat eiser geen opvang zou kunnen krijgen of dat sprake is van serieuze problemen, volgt de rechtbank evenmin. De rapporten van de EUAA en EMN waar verweerder naar verwijst hebben niet concreet betrekking op de situatie van terugkeerders op grond van de AMBV, terwijl dat wel de situatie is die ter beoordeling voorligt. Verder kan op basis van de passages uit het AIDA-rapport van 2026 en de mededeling van de Commissie waar eiser op heeft gewezen, juist worden betwijfeld of voor eiser opvang beschikbaar zal zijn. In het betreffende AIDA-rapport staat bovendien dat terugkeerders die al in opvangcentra hebben gewoond voordat zij Italië verlieten, de toegang tot het opvangsysteem kan worden geweigerd en dat toegang tot de asielprocedure voor Dublin-terugkeerders ‘equally problematic’ is. Verweerder heeft deze informatie niet kenbaar betrokken in de motivering van het besluit, en ook op zitting desgevraagd niet kunnen toelichten hoe deze informatie zich verhoudt tot zijn stelling dat uit informatie niet volgt dat eiser geen opvang kan krijgen of sprake is van serieuze problemen. Aangezien eiser op het AIDA-rapport heeft gewezen, was verweerder wel gehouden om deze gegevens bij zijn beoordeling te betrekken.

De rechtbank overweegt ten slotte dat het beroep van verweerder op de genoemde arresten van het Hof hem niet kan baten. De rechtbank neemt namelijk – net als de Afdeling in haar uitspraak van 16 april 2023 – niet uitsluitend de eenzijdige opschorting door Italië tot uitgangspunt bij het oordeel dat thans (nog steeds) niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, maar komt mede tot deze conclusie na de hiervoor weergegeven analyse van de beschikbare informatie ten aanzien van de (onduidelijkheid over de) opvangvoorzieningen in Italië voor terugkeerders.

10. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt. Verweerder dient het besluit alsnog toereikend te motiveren met inachtneming van deze uitspraak. Als verweerder er niet in slaagt om deugdelijk gemotiveerd aannemelijk te maken dat hij nog altijd van het vermoeden mag uitgaan en hij niet het asielverzoek aan zich wil trekken, is hij gehouden een nader onderzoek te doen in de aangezochte lidstaat. De rechtbank ziet geen aanleiding om te bepalen dat verweerder zelf inhoudelijk op de asielaanvraag dient te beslissen, zoals eiser heeft verzocht.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond omdat verweerder het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt en verweerder een nieuw besluit moet nemen op zijn asielaanvraag. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.

Nu met deze uitspraak op het beroep van eiser is beslist, is er geen grond meer voor het treffen van voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe daarom af.

Eiser krijgt een vergoeding van de proceskosten die hij heeft gemaakt in beroep en in het verzoek om voorlopige voorziening. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 6 augustus 2026;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan de gemachtigde van eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.E.L. Grooten, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A.I. Doesburg, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor zover dit ziet op het beroep, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand