RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.3451
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. A. Berends),
en
(gemachtigde: mr. G. Zwitser-Hernandez).
1. De rechtbank heeft de zaak van [eiser] op zitting behandeld en een uitspraak geschreven. De rechtbank zal hieronder een samenvatting geven van de uitspraak. Die is bedoeld voor [eiser] . De rechtbank zal hem hierna eiser noemen.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens en heeft daarvoor argumenten gegeven. Deze argumenten noemt de rechtbank de beroepsgronden. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De rechtbank voorziet zelf in de zaak en draagt de minister, hierna verweerder, op om aan eiser een verblijfsvergunning asiel te verlenen. De rechtbank oordeelt dat verweerder eisers problemen onterecht ongeloofwaardig heeft geacht. De rechtbank stelt daarom zelf de geloofwaardigheid van eisers problemen vast. De rechtbank oordeelt verder dat eiser niet veilig kan reizen naar zijn woonplaats bij terugkeer naar Somalië. Daarmee staat vast dat eiser een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder heeft eisers asielaanvraag onterecht afgewezen en had geen terugkeerbesluit mogen uitvaardigen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 13 maart 2024 zijn asielaanvraag ingediend in Nederland. Eiser heeft op 20 januari 2026 tegen het uitblijven van een besluit beroep ingesteld. Bij besluit van 6 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag afgewezen als ongegrond.
De rechtbank heeft het beroep op 27 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
Over het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag
3. Omdat verweerder alsnog een besluit heeft genomen op de asielaanvraag, heeft eiser geen belang meer bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is daarom niet-ontvankelijk.
Over het beroep tegen het bestreden besluit
4. Ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt.
Omdat eiser heeft laten weten dat hij het niet eens is met het besluit op zijn asielaanvraag zal de rechtbank het beroep tegen dit besluit (het bestreden besluit) beoordelen op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb.
Het asielrelaas
5. Eiser is geboren op [datum] 1997 en heeft de Somalische nationaliteit en behoort tot de Ashraf bevolkingsgroep. Hij legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij is in 2023 door Al-Shabaab aangesproken op de markt. Zij wilde eiser rekruteren. Eiser heeft dit geweigerd. Later zijn ze bij eiser thuis gekomen, hebben hem mishandeld en ontvoerd. Eiser heeft verklaard dat hij enkele dagen is vastgehouden. Het regeringsleger viel de Al-Shabaab basis aan en heeft eiser bevrijd. Eiser is toen ontsnapt en teruggekeerd naar zijn woonplaats Mogadishu/Hamar. Hij heeft vervolgens een paspoort aangevraagd en daarna het land verlaten.
Het bestreden besluit
6. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser als ongegrond afgewezen en aan hem een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Eiser krijgt wel uitstel van vertrek om medische redenen. Volgens verweerder bevat het asielrelaas van eiser de volgende relevante motieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Problemen met Al-Shabaab.
Verweerder acht het eerste asiel motief geloofwaardig, maar het tweede motief niet. Eiser verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiser heeft namelijk verschillende verklaringen gegeven over wanneer hij door Al-Shabaab is benaderd en de verklaringen over hoe lang hij heeft vastgezeten zijn vaag en onduidelijk. Daarnaast zijn de verklaringen over de ontsnapping vaag en summier. Eiser heeft ten slotte wisselend verklaard over wanneer hij Somalië heeft verlaten en hoe lang hij daar heeft gewoond. Eiser is geen vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag en heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser heeft ook geen individuele redenen aangedragen waarom er voor hem een hoger risico op willekeurig geweld moet worden aangenomen. Eiser kan veilig naar Mogadishu/Janele reizen. Eiser is ook op die manier uitgereisd en heeft toen geen problemen ervaren. Eiser krijgt ook geen verblijfsvergunning regulier. Verweerder verleent wel uitstel van vertrek op medische gronden. Eiser heeft medische stukken overgelegd die aanleiding geven tot meer onderzoek.
Toetsingskader
7. Per 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact in werking getreden. In dat kader is de Vreemdelingenwet 2000 met de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 (de Uitvoerings- en implementatiewet) gewijzigd. Op grond van artikel IX, zesde lid, onder b, van de Uitvoerings- en implementatiewet, zijn de artikelen van de Vreemdelingenwet 2000 zoals deze gold tot 12 juni 2026 op eisers aanvraag van toepassing omdat deze aanvraag is ingediend vóór 12 juni 2026. In deze uitspraak hebben de verwijzingen naar de Vreemdelingenwet 2000 dan ook betrekking op de wetsversie die geldig was tot 12 juni 2026.
Daarnaast zijn er met dit pact diverse richtlijnen omgezet naar verordeningen. Onder meer de Kwalificatierichtlijn is ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening. De Kwalificatieverordening kent geen overgangsrecht. Omdat de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek dient te verrichten, zal de rechtbank uitgaan van het recht zoals dat gold ten tijde van het sluiten van het onderzoek. Dit betekent dat de rechtbank zal toetsen aan de Kwalificatieverordening.
Is de geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd met het Unierecht?
8. Voor zover eiser heeft bedoeld dat de wijze van beoordeling die volgt uit WI 2024/6 in het algemeen in strijd is met het Unierecht of onredelijk is, volgt de rechtbank dit niet. De rechtbank verwijst ter onderbouwing hiervan naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 2 oktober 2025.
Heeft verweerder eisers problemen terecht ongeloofwaardig geacht?
9. Eiser voert aan dat verweerder zijn problemen onterecht ongeloofwaardig acht. Verweerder stelt onterecht dat indien al niet aan één van de voorwaarden uit artikel 31, zesde lid, van de Vw wordt voldaan, het asielmotief niet geloofwaardig is. Verweerder heeft enkel de nadruk gelegd op punten waaruit zou volgen dat de verklaringen van eiser inconsistent en daarmee volgens verweerder niet samenhangend en aannemelijk zijn en is verder niet inhoudelijk ingegaan op de overige verklaringen en overgelegde stukken. Daarmee heeft geen kenbare en volledige inhoudelijke beoordeling plaatsgevonden waarbij alle verzamelde verklaringen en bewijsmiddelen in onderlinge samenhang zijn betrokken. Verweerder heeft ook ondeugdelijk gemotiveerd waarom aan de gestelde inconsistenties in de verklaringen van eiser meer waarde toekomt dan aan de overige verklaringen en overgelegde stukken en de omstandigheid dat eiser in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd. Temeer daar de gestelde inconsistenties voornamelijk zien op data en periodes die dicht bij elkaar liggen en er niet inconsistent is verklaard over de chronologie van de gebeurtenissen. Verweerder werpt daarom ten onrechte tegen dat eiser niet samenhangend en aannemelijk heeft verklaard.
10. In de arresten Quotal en Ebilum heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) overwogen dat de terughoudende toets, zoals de Nederlandse rechter die nu in asielzaken verricht, niet verenigbaar is met het Europese recht. In lijn met deze rechtspraak toetst de rechtbank het besluit daarom nu vol. Ook heeft het Hof overwogen dat uit het Europese recht volgt dat de rechtbank de bevoegdheid heeft om een bindende uitspraak te doen. Eiser heeft hierom ook verzocht. Mede gelet op dit verzoek maakt de rechtbank van deze bevoegdheid in deze zaak gebruik. De beroepsgrond slaagt en de rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
De rechtbank stelt vast dat verweerder heeft geconcludeerd dat eisers verklaringen niet samenhangend en aannemelijk zijn omdat eiser op vier punten wisselend of vaag zou hebben verklaard.
Verweerder stelt allereerst dat eiser verschillende verklaringen heeft gegeven over wanneer hij door Al-Shabaab is benaderd. Verweerder volgt dat de data die eiser heeft genoemd niet ver uit elkaar liggen, maar daar kan volgens verweerder niet de conclusie uit worden getrokken dat eiser bij benadering duidelijk en consistent heeft verklaard. Feit blijft dat eiser verschillende verklaringen hebt afgelegd en hier geen verschoonbare reden voor heeft gegeven, aldus verweerder. De rechtbank constateert dat eiser heeft verklaard dat hij eind oktober 2023 door Al-Shabaab is benaderd maar ook dat hij begin november 2023 heeft genoemd. De rechtbank volgt eisers standpunt dat de door eiser genoemde data op dit punt niet ver uit elkaar liggen. Bovendien heeft verweerder de overige verklaringen over de benadering door Al Shabaab onbesproken gelaten, bijvoorbeeld met hoeveel mensen ze waren, hoe ze er uit zagen en wat ze zeiden
Verweerder stelt verder dat eisers verklaringen over hoe lang hij heeft vastgezeten vaag en onduidelijk zijn. In het aanmeldgehoor heeft eiser immers verklaard dat hij 12 tot 14 dagen heeft vastgezeten, in het nader gehoor heeft hij verklaard dat dit niet langer dan 8 dagen is geweest. Eiser heeft hier volgens verweerder geen verschoonbare verklaring voor gegeven. De rechtbank constateert dat dit een wisselende verklaring is maar volgt eisers standpunt dat verweerder het grootste deel van eisers verklaringen hierover onbesproken heeft gelaten, te weten over de ontvoering, mishandeling en detentie zelf en enkel de nadruk legt op de inconsistentie van de hoeveelheid dagen dat hij heeft vastgezeten. Zo heeft eiser in zijn nader gehoor toegelicht op wat voor plek hij werd vastgehouden, hoe het eruit zag, of het bewaakt werd, wat het eten was etc.
Voorts heeft verweerder eisers verklaringen over de ontsnapping als vaag en summier beoordeeld. Verweerder stelt dat eiser vaag heeft verklaard over welke route hij heeft genomen naar Mogadishu; eiser heeft volgens verweerder inderdaad niet met zoveel woorden gezegd dat hij niet is teruggegaan naar Janale, maar hij heeft wel verklaard dat hij een auto heeft genomen richting Hamar en daarbij heeft hij niet vermeld dat hij eerst naar Janale is gegaan. De rechtbank is van oordeel dat eiser terecht heeft aangevoerd dat verweerders tegenwerping enkel ziet op waar eiser na zijn ontsnapping naar toe zou zijn gegaan, maar niet op de verklaringen omtrent de ontsnapping zelf, bijvoorbeeld dat soldaten van de overheid de deuren hebben opengemaakt en aangegeven dat de gedetineerden in een bepaalde richting moesten wegrennen, dat hij eerst over de grond kroop vanwege de kogels en daarna via een openplek en landbouwvelden heeft gerend. Verweerder heeft ook gevolgd dat uit eisers relaas blijkt dat hij naar Mogadishu (Hamar) is gegaan.
Tot slot vindt verweerder dat eiser wisselend heeft verklaard over wanneer hij Somalië heeft verlaten en hoe lang hij hier heeft gewoond. Eiser heeft immers meerdere keren wisselend verklaard over de maand waarin hij Somalië verlaten heeft en hoelang hij hier verbleven heeft voor zijn vertrek. Verweerder volgt dat er kleine verschillen kunnen zitten tussen data maar aangezien het een verschil is van maanden, is dit volgens verweerder niet te volgen. Eiser geeft aan dat de datum van vertrek kan worden afgeleid uit de kopieën van zijn paspoort. Wat betreft de kopieën overweegt verweerder dat deze worden meegewogen bij het besluit, maar beperkte waarde hebben. Kopieën zijn namelijk niet op echtheid te controleren, daarom blijft het zwaartepunt van de geloofwaardigheid liggen bij eisers verklaringen. Eiser voert naar het oordeel van de rechtbank terecht aan dat de datum van zijn vertrek kan worden afgeleid uit de kopieën uit zijn paspoort. Verweerder heeft eisers identiteit en nationaliteit zoals in die kopie genoemd immers geloofwaardig geacht.
De rechtbank concludeert uit het voorgaande dat verweerder eisers verklaringen onvoldoende in samenhang heeft betrokken. Verweerder heeft immers bij zijn beoordeling niet andere, ook van belang zijnde verklaringen over het zelfde onderdeel betrokken. Terwijl verweerder niet heeft tegengeworpen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard of dat het relaas niet in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd.
Uit de toelichting van verweerder ter zitting begrijpt de rechtbank verder dat verweerder in het individuele geval beziet of het voor de conclusie dat het relaas ongeloofwaardig is, redelijk is te volstaan met de vaststelling dat de vreemdeling niet voldoet aan een enkele voorwaarde van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 of dat deze voorwaarden meer in samenhang moeten worden bezien. In dit geval oordeelt de rechtbank dat verweerder niet kenbaar heeft getoetst of het redelijk is het relaas ongeloofwaardig te achten omdat aan artikel 31, zesde lid onder e Vw 2000 niet zou zijn voldaan.
Het geloofwaardigheidsoordeel van verweerder kan dan ook geen stand houden. De rechtbank ziet geen mogelijke motivering voor verweerder om aan te nemen dat eisers problemen ongeloofwaardig zijn en daarom geeft de rechtbank op dit punt een bindend oordeel. De rechtbank acht eisers problemen met Al-Shabaab geloofwaardig. Het zwaartepunt ligt immers op eigen verklaringen en de rechtbank is van oordeel dat eiser op de meest essentiële punten in grote lijnen eenduidig en consistent heeft verklaard. De rechtbank beoordeelt verder of eisers problemen zwaarwegend zijn.
Heeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij gegronde vrees heeft voor vervolging?
11. De rechtbank overweegt als volgt. Om in aanmerking te komen voor het vluchtelingschap in de zin van artikel 29, eerste lid, onder a van de Vw moet worden voldaan aan de voorwaarden die gesteld zijn in het Vluchtelingenverdrag. Dit betekent dat eiser vanwege een gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde groep of zijn politieke overtuiging niet terug kan keren naar zijn land van herkomst. De rechtbank volgt verweerder in zijn conclusie dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij aan een van deze voorwaarden voldoet en dat hij daarmee niet onder het Vluchtelingenverdrag valt.
Nu eiser niet in aanmerking komt voor vluchtelingschap, toetst de rechtbank of eiser in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Daarvoor moet eiser aannemelijk maken dat hij bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Het asielrelaas van eiser is reeds door de rechtbank geloofwaardig bevonden.
Heeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade?
12. Uit het land gebonden beleid van verweerder volgt dat in gebieden in Somalië waar Al-Shabaab aan de macht is of het gebied controleert, de mensenrechtensituatie zodanig is dat voor iedere terugkeerder een reëel risico bestaat op ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b Vw. Dit risico op ernstige schade wordt ook aangenomen voor vreemdelingen die afkomstig zijn uit een gebied waar Al-Shabaab niet aan de macht is of het gebied controleert, maar over land moeten reizen door een gebied waar Al-Shabaab wel de macht heeft of het gebied controleert. Onder voorwaarden kan een binnenlands beschermingsalternatief worden tegengeworpen in een gebied waar Al-Shabaab niet aan de macht is (zie paragraaf C9/30.5.2 Vc).
Eiser stelt dat hij niet veilig kan reizen. Er is volgens hem geen route mogelijk over land vanaf Mogadishu waar door volledig regeringsgebied kan worden gereisd. Eiser wijst er verder op dat uit het Algemeen Ambtsbericht Somalië volgt dat Al-Shabaab in ‘mixed, unclear’ gebied controleposten heeft.
Verweerder stelt dat eiser veilig kan terugkeren naar Janale. Dit heeft hij eerder ook gedaan. Uit het Algemeen Ambtsbericht volgt dat Janale niet onder de macht van Al-Shabaab valt. Bovendien is het niet aannemelijk dat Al-Shabaab voldoende strijders
heeft om overal aanwezig te zijn in de geel gemarkeerde gebieden. Het risico op ernstige schade voor iedere terugkeerder is dan ook niet reëel. Volgens verweerder zijn er ook geen redenen om anders te oordelen over het risico op systematische blootstelling.
De rechtbank is van oordeel dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet veilig kan reizen naar Janale. Verweerder heeft een kaart overgelegd waarop ‘Approximate Territorial Control’ is aangegeven van Al-Shabaab. Deze is niet openbaar beschikbaar en ook is Janale hierop niet specifiek zichtbaar. Uit de kaart volgt dat het gebied vanaf Mogadishu naar Janale lichtgeel is. Lichtgeel geeft aan dat het gebied onder ‘mixed, unclear, and/or local control’ valt. De rechtbank kan op grond hiervan niet aannemen dat het gebied waardoor eiser zal reizen niet onder Al-Shabaab controle valt. Hij moet in ieder geval reizen door gebied waar Al-Shabaab mogelijk aan de macht is. Bovendien ligt Janale in het gebied waarin het op de door verweerder gewezen kaart overwegend rood is, hetgeen Al-Shabaab gebied aanduidt. De rechtbank betrekt ook de kaart uit het EUAA rapport over Somalië van mei 2026 waarin Al-Shabaab gebied wordt gearceerd. De kaart die hierin is opgenomen verwijst naar de situatie op 31 maart 2026. Indien eiser vanuit Mogadishu reist, zal eiser ook blijkens deze kaart door ‘mixed, unclear, and/or local control’ gebied moeten. De rechtbank stelt vast dat de twee nabijgelegen steden Awdhegle en Mubarak allebei onder Al-Shabaab controle vallen en op de route liggen van Mogadishu naar Janale. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam dat eiser door Al-Shabaab gebied moet reizen. Zoals volgt uit verweerders beleid wordt daarmee een risico op ernstige schade aangenomen.
De rechtbank komt daarom niet toe aan de bespreking van de overige beroepsgronden.
Conclusie en gevolgen
13. Omdat verweerder alsnog een besluit heeft genomen op de asielaanvraag, heeft eiser geen belang meer bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is daarom niet-ontvankelijk.
14. Het beroep tegen het asielbesluit is gegrond. De rechtbank oordeelt dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade omdat hij niet veilig kan reizen in Somalië. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit, ook omvattende het terugkeerbesluit. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht, neemt de rechtbank zelf een beslissing. De rechtbank draagt verweerder op aan eiser een asielvergunning onder artikel 29a van de Vw (huidig) te verlenen.
15. De Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 (Implementatiewet) bevat het overgangsrecht voor de behandeling van asielaanvragen die zijn ingediend vóór 12 juni 2026. Dit overgangsrecht houdt in dat voorschriften van de tot 12 juni 2026 geldende Vw die betrekking hebben op een achttal specifiek genoemde onderwerpen, van toepassing blijven op de aanvragen van vóór 12 juni 2026. De voorschriften voor de ingangsdatum van een verleende asielvergunning zijn niet genoemd in dit overgangsrecht. Hierdoor zou de ingangsdatum van een asielvergunning voor eiser niet de datum zijn van aanvraag – wat het geval zou zijn ten tijde van zijn aanvraag – maar de datum van de dag na de verlening van een vergunning zijn. De rechtbank is van oordeel dat dit in strijd met de rechtszekerheid en rechtsbescherming zou zijn. De rechtbank is daarom van oordeel dat een redelijke toepassing van de Vw en de Implementatiewet betekent dat eiser een vergunning moet worden verleend met 13 maart 2024 als ingangsdatum en een geldigheidsduur tot 13 maart 2029.
16. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor deelname aan zitting, waarbij 1 punt een waarde heeft van € 934,-).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet tijdig niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 6 mei 2026;
- draagt verweerder op om binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak
aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen met als ingangsdatum
13 maart 2024, geldig tot 13 maart 2029;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van mr. J.E.C. de Groot, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.