RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.33639 (beroep) en NL26.33640 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A.M.J.M. Louwerse),
en
(gemachtigde: mr. N. Rijerkerk).
1. Eiser komt uit Gambia. Hij heeft om asiel gevraagd. Hij stelt dat hij niet terug kan naar Gambia omdat hij homoseksueel is en dat is daar streng verboden. Daarom loopt hij gevaar bij terugkeer.
Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen. Verweerder vindt de homoseksuele geaardheid van eiser niet geloofwaardig. Daarom leidt dit niet tot vluchtelingschap of een reëel (echt) risico op ernstige schade bij terugkeer naar Gambia.
Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij heeft daarvoor een aantal argumenten gegeven. Dit zijn de beroepsgronden. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank oordeelt dat verweerder eisers homoseksuele geaardheid terecht ongeloofwaardig heeft geacht. Wel heeft verweerder ten onrechte de derdenverklaring van [naam 1] niet betrokken bij de beoordeling in het bestreden besluit. Verweerder heeft echter in het aanvullend besluit goed uitgelegd waarom de derdenverklaring niet leidt tot een ander standpunt over de geloofwaardigheid van eisers homoseksuele geaardheid. Daarom verklaart de rechtbank het beroep van eiser gegrond, maar laat het de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Voor eiser betekent dit dat hij terug moet keren naar Gambia en hij zijn gevraagde asielvergunning niet krijgt.
Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 15 november 2023 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 9 juni 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en aan de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat hij niet kan worden uitgezet naar Gambia totdat op het beroep is beslist.
Verweerder heeft op 25 augustus 2026 een schriftelijke aanvullende motivering op zijn besluit van 9 juni 2026 gegeven.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 27 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser heeft de Gambiaanse nationaliteit en is geboren op [datum] 1998. Eiser is sinds 2019 in Nederland en heeft al eerder asiel aangevraagd. Hij heeft aan zijn huidige asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is. Hij durfde dit niet in zijn eerdere procedures aan te geven. Hij dacht namelijk dat homoseksualiteit in Nederland ook verboden was, tot hij er in 2022 achter kwam dat dit niet zo is. Hij heeft daarna hierover gesprekken met zijn gemachtigde gehad en een nieuwe asielaanvraag ingediend. Eiser heeft verder verklaard dat hij in Nederland een relatie heeft gehad met een jongen [naam 2] , en dat hij meerdere activiteiten van LHBTI-organisaties in Nederland heeft bijgewoond. Daarvan heeft hij ook ondersteunende documenten overgelegd. Bij terugkeer naar Gambia vreest hij voor zijn leven, omdat homoseksualiteit in Gambia streng verboden is.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- homoseksuele geaardheid.
Verweerder vindt het eerste asielmotief geloofwaardig. Het tweede asielmotief van eiser vindt verweerder niet geloofwaardig, omdat eisers verklaringen hierover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Hij voldoet daarmee niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Het geloofwaardig geachte asielmotief, de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser, leiden niet tot vluchtelingschap of een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Gambia.
Heeft verweerder de homoseksuele geaardheid van eiser terecht ongeloofwaardig gevonden?
Verkeerde bewijsmaatstaf
5. Eiser voert aan dat verweerder bij de beoordeling van de verklaringen over zijn homoseksuele geaardheid een verkeerde bewijsmaatstaf hanteert. Op pagina 3 van het bestreden besluit staat dat eiser ‘overtuigende verklaringen’ moet afleggen op de thema’s van WI 2019/17. Dat komt echter niet overeen met de tekst van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw. Daarin staat namelijk dat indien de vreemdeling zijn verklaringen niet met documenten kan onderbouwen, deze verklaringen geloofwaardig worden geacht en aan hem het voordeel van de twijfel wordt gegund als hij onder andere heeft voldaan aan de voorwaarde dat zijn verklaringen ‘samenhangend en aannemelijk’ zijn bevonden en niet in strijd zijn met algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn aanvraag. Dat is dus een andere bewijsmaatstaf. Daarnaast benoemt verweerder op pagina 8 van het bestreden besluit dat eiser zijn homoseksuele geaardheid moet ‘aantonen’. Dit criterium komt ook niet overeen met de tekst van artikel 31, zesde lid aanhef en onder c, van de Vw.
De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder heeft in het voornemen en bestreden besluit uitgebreid weergegeven aan de hand van de thema’s uit WI 2019/17 waarom hij de verklaringen van eiser niet samenhangend en aannemelijk vindt en het asielrelaas van eiser dan ook niet geloofwaardig vindt. Dat verweerder in het bestreden besluit noemt dat eiser ‘overtuigende verklaringen’ moet afleggen en het heeft over het ‘aantonen van zijn homoseksuele geaardheid’ maakt de motivering van verweerder in zijn geheel niet minder inzichtelijk, ook al gebruikt verweerder misschien niet de juiste terminologie. Uiteindelijk blijkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende uit het bestreden besluit dat verweerder vindt dat de homoseksuele geaardheid van eiser niet geloofwaardig is en dat daarom niet aannemelijk is dat hij een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Gambia. Op de vraag of verweerder zijn conclusie ook terecht heeft getrokken, gaat de rechtbank hierna in.
Stereotype aanname, origineel en uniek verhaal
6. Eiser voert aan – met betrekking tot zijn afgelegde verklaringen – dat het bestreden besluit is gebaseerd op de stereotype aanname dat iemand met een homoseksuele geaardheid uit een homofoob land een worsteling of negatieve gevoelens zou moeten hebben ervaren over zijn homoseksualiteit, wat volgens deskundigenrapporten van COC en WODC echter niet juist is. Verder is het bestreden besluit gebaseerd op het onjuiste idee van verweerder dat een vluchteling een origineel of uniek verhaal zou moeten vertellen. Dat is niet wat is bedoeld met de term “authentiek verhaal” in het beleid en niet in overeenstemming met internationale verplichtingen. Het bestreden besluit verwijst tot slot ook niet naar bronnen van ‘beschikbare algemene en specifieke informatie’ als bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw, waaruit blijkt welke uitlatingen van eiser mogen verwacht en dat zijn afgelegde verklaringen in strijd zijn met deze informatie.
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank ziet in het bestreden besluit niet staan dat verweerder een worsteling of negatieve gevoelens van eiser verwacht over zijn homoseksuele geaardheid. Ook leest de rechtbank in het bestreden besluit niet dat verweerder van eiser een origineel of uniek verhaal van eiser verwacht. Eiser heeft gesteld dat dit de implicatie is van wat verweerder in het besluit heeft gezet. De rechtbank volgt dat – gelezen het bestreden besluit – niet. Met betrekking tot het standpunt van eiser dat niet duidelijk is op welke landeninformatie verweerder heeft gebaseerd welke uitlatingen wel of niet van eiser mogen worden verwacht, overweegt de rechtbank als volgt. Ter zitting heeft verweerder hierop gereageerd en bronnen van landeninformatie genoemd. Eiser heeft daarop weer gereageerd dat het zo laat inbrengen van landeninformatie in strijd is met de goede procesorde. Dat had volgens eiser al in het bestreden besluit moeten staan. De rechtbank overweegt dat verweerder de verklaringen van eiser op eigen merites heeft beoordeeld en vervolgens heeft geconcludeerd dat die verklaringen niet samenhangend en aannemelijk zijn. De ter zitting genoemde bronnen van landeninformatie staan daar in principe los van. Dit is ook niet in strijd met artikel 31, zesde lid, van de Vw zoals die luidde ten tijde van het bestreden besluit. Daarin worden immers twee cumulatieve eisen gesteld: dat verklaringen samenhangend en aannemelijk zijn én dat die verklaringen niet in strijd zijn met beschikbare landeninformatie. Of het inbrengen van de landeninformatie in strijd is met goede procesorde kan daarom buiten bespreking blijven. Of verweerder de verklaringen van eiser terecht niet samenhangend en aannemelijk heeft gevonden beoordeelt de rechtbank hieronder.
Individuele tegenwerpingen
7. Eiser voert aan dat zijn verklaringen wel samenhangend en aannemelijk zijn. Hij heeft wel voldoende inzicht heeft gegeven in zijn gevoelens, gedachten en persoonlijke beleving. Dat verweerder het niet eens is met de inhoud van die gevoelens, gedachten en persoonlijke beleving is iets anders. Verweerder verwacht ten onrechte dat eiser negatieve gevoelens ervaart over zijn homoseksuele geaardheid of in ieder geval een excuus waarom hij die, bij wijze van uitzondering op de hoofdregel dat men negatieve gevoelens zou moeten hebben, niet had. Eiser vond het ontdekken van zijn gevoelens voor mannen gewoon, en iets wat gewoon is hoef je verder niet uit te leggen. Over de tegenwerpingen van verweerder die zien op de ‘twijfels’ aan het geloof stelt eiser dat hij zijn verklaringen heeft gecorrigeerd waar die niet klopte. Voor zover de verklaringen van eiser met betrekking tot zijn gebrek aan geloof desondanks niet geloofwaardig zouden zijn, maakt dat nog niet zijn verklaringen met betrekking tot zijn seksuele gerichtheid ongeloofwaardig. Verder gaat het bestreden besluit eraan voorbij dat eiser vijftien jaar oud was toen hij deze gedachten/gevoelens ervaarde, en dat die bij een kind niet hetzelfde zijn of hoeven te zijn als bij een volwassene. Er is op deze manier geen rekening gehouden met het referentiekader van eiser, zijn leeftijd ten tijde van de gebeurtenis. Verder is eiser tijdens het gehoor ook niet gevraagd naar negatieve gevoelens in verband met de samenleving, althans niet op een manier dat hij die vraag zo heeft begrepen. Als er nog iets ontbreekt, komt dat omdat verweerder niet heeft doorgevraagd. Het is daarnaast volgens eiser geen relevant element of hoofdzaak wanneer hij erachter kwam dat homoseksualiteit in Nederland is geaccepteerd. Relevant is wat er is gebeurd in Gambia en of eiser homoseksueel is. Verder heeft eiser toegelicht dat hij op dit moment geen behoefte heeft aan activiteiten bij de COC. In het begin was het ook voor hem heel belangrijk omdat hem daar werd bevestigd dat het in Nederland echt is toegestaan en kan om homoseksueel te zijn. Hij heeft dat voor zijn gevoel inmiddels niet meer zo nodig. Eiser gaat er tot slot vanuit dat niet langer door verweerder wordt tegengeworpen dat hij onlogisch heeft gehandeld.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat de verklaringen van eiser over zijn homoseksuele geaardheid geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Zij motiveert dit als volgt.
Met betrekking tot het eerste standpunt van verweerder in het bestreden besluit, dat eiser onvoldoende inzicht geeft in zijn gevoelens, gedachten en persoonlijke beleving, overweegt de rechtbank dat verweerder niet tegenwerpt dat eiser ‘geen negatieve gevoelens heeft ervaren’ toen hij erachter kwam dat hij homoseksueel was. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser heeft nagelaten om inzichtelijk te maken wat eiser bedoelt als hij zegt dat het gelijk ‘normaal’ voor hem voelde, terwijl hij het woord ‘homoseksualiteit’ nog niet kende en dergelijke relaties in zijn omgeving niet zichtbaar waren. Dat eiser die uitleg niet heeft gegeven, werpt verweerder tegen. Dat standpunt volgt de rechtbank. Eiser heeft hier desgevraagd op zitting ook geen overtuigende verklaring over kunnen afleggen.
Verweerder werpt in dit verband ook tegen dat eiser geen inzicht geeft in zijn gevoelens en gedachtes over zijn homoseksuele gevoelens in relatie tot zijn geloof, waar dit streng veroordeeld werd. Hij verklaart daar volgens verweerder ook tegenstrijdig over, doordat hij eerst verklaart dat hij twijfels kreeg over zijn religie door hoe het geloof denkt over homoseksualiteit, daarna juist verklaart dat hij niet meer gelooft doordat hij verplicht werd om te bidden en vervolgens in de correcties en aanvullingen verklaart dat hij nooit daadwerkelijk gelovig is geweest. Ter zitting heeft eiser – desgevraagd – niet kunnen ophelderen waarom hij hier tegenstrijdig over heeft verklaard. Daarbij is ook gewezen op eisers verklaring in het aanmeldgehoor van 5 mei 2019 in het kader van een vorige procedure dat eiser zich als Moslim beschouwd, elke dag bidt en als het even kan een Moskee bezoekt. Dat eiser dit niet kan ophelderen ondersteunt naar het oordeel van de rechtbank verweerders conclusie dat eiser onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn gevoelens en gedachten over zijn homoseksuele gevoelens in relatie tot zijn geloof.
De stelling van eiser, dat de ontdekking van zijn homoseksuele gevoelens plaatsvond toen hij 15 jaar oud was en hij daarom niet (zo) goed heeft kunnen verklaren over zijn gedachten en gevoelens, volgt de rechtbank niet. Eiser is immers nu geen jongen van 15 jaar meer maar een volwassen man van 28 jaar oud, hij is al geruime tijd in Nederland en heeft contacten gehad met de LHBTI-gemeenschap. De rechtbank ziet dus geen reden om aan te nemen dat eiser beperkt heeft kunnen verklaren hierover. Eiser heeft in het algemeen ook niet aannemelijk gemaakt dat hij niet goed zou kunnen verklaren over zijn gedachten en gevoelens. Verweerder heeft hier ook duidelijk naar gevraagd. De rechtbank ziet dan ook zonder nadere toelichting niet waarop verweerder meer had moeten doorvragen in het gehoor.
Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat niet wordt gevolgd dat eiser pas in 2022 wist dat homoseksualiteit in Nederland is geaccepteerd. Verweerder werpt in dat kader tegen dat eiser sinds april 2019 in Nederland is en in zijn eerdere asielgehoor in 2020 niet heeft verklaard over zijn gestelde homoseksualiteit. Eiser heeft hierover verklaard dat hij bang was om het te vertellen omdat hij dacht dat het hier – net als in Gambia – een taboe was en je gevaar liep als anderen het zouden weten. Hij heeft verklaard dat hij in 2022 een fragment van zoenende mannen op tv zag. Toen ging hij er vragen over stellen, en kwam hij erachter dat homoseksualiteit in Nederland legaal is. Verweerder volgt niet dat eiser pas na drie jaar vragen ging stellen hierover. Eiser verbleef namelijk toen al een lange tijd in Europa en woonde al jaren in een AZC waar over dit onderwerp gesproken wordt. Ook heeft eiser verklaard dat hij al sinds zijn vijftiende gevoelens heeft voor mannen. Het twijfelen over de legaliteit ervan in Nederland is volgens verweerder erg weinig uitleg voor waarom hij die gevoelens hier niet opvolgde en daar geen informatie over zocht. De rechtbank kan dit standpunt van verweerder goed volgen. Dit roept ook bij de rechtbank vragen op over de geloofwaardigheid van de homoseksuele geaardheid van eiser. Eiser heeft de tegenwerpingen van verweerder hierover ook niet betwist. Dat volgens hem het zwaartepunt hier niet mag liggen, doet er niet aan af dat verweerder het mag betrekken. Verweerder heeft zich overigens ook niet op het standpunt gesteld dat het zwaartepunt hier ligt.
Verweerder werpt in het bestreden besluit ook tegen dat eiser niet actief is binnen de LHBTI-gemeenschap, hij niet meer naar het COC gaat en niet actief op zoek is naar een relatie. Verweerder acht daarbij van belang dat eiser juist heeft verklaard dat de activiteiten binnen de LHBTI-gemeenschap hem een gevoel van vrijheid geven, dat het hem blij maakt, dat hij hierdoor hoop krijgt, dat het hier veilig voor hem is en dat het een opluchting voor hem is dat hij niet wordt veroordeeld. In dat licht is het volgens verweerder niet begrijpelijk dat eiser na 2023 al zijn activiteiten heeft gestaakt en niet meer actief is. Eiser heeft hierover verklaard dat hij geen activiteiten meer onderneemt omdat hij veel werkt, zich zorgen maakt om zijn moeder en slecht slaapt. Dit vindt verweerder geen verschonende verklaring.
De rechtbank kan ook dit standpunt van verweerder goed volgen. Verweerder heeft de redenen die eiser geeft waarom hij niet meer actief is betrokken bij de besluitvorming en het is duidelijk waarom hij dat geen verschonende verklaring vindt. De rechtbank overweegt verder nog dat de toelichting van eiser, dat het na een eerste periode minder belangrijk voor hem werd omdat hij eerst zocht naar de bevestiging en dat later niet meer zo nodig was, niet strookt met zijn verklaringen zoals hierboven beschreven, namelijk dat de activiteiten hem blij en hoopvol maakten, het voor hem daar veilig was en de activiteiten hem een gevoel van vrijheid gaven. Het blijft zo onduidelijk of eiser die gevoelens niet meer had en waarom, dan wel waarom hij die gevoelens niet meer opzocht.
Verweerder heeft ten slotte in het bestreden besluit tegengeworpen dat eiser niet logisch heeft gehandeld. Verweerder vindt het niet logisch dat eiser open is geweest over zijn gevoelens tegen zijn vriend Lamin en verweerder vindt het niet logisch dat eiser nadat hij is weggegaan uit zijn woonplaats in Gambia (omdat mensen daar achter zijn homoseksuele gevoelens kwamen) na een jaar weer terugkeerde naar zijn woonplaats. De rechtbank leest het bestreden besluit zo dat verweerder deze tegenwerpingen niet laat vallen, maar enkel aangeeft dat het zwaartepunt hier niet ligt. Ter zitting heeft verweerder bevestigd dat dat inderdaad zijn standpunt is. Gelet op wat is overwogen onder 7.1. tot en met 7.4 kan de rechtbank al goed volgen waarom verweerder vindt dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De rechtbank ziet dan ook geen reden om nog in te gaan op het al dan niet logisch zijn van de handelingen.
Overgelegde documenten
8. Eiser voert aan dat verweerder de documenten over zijn ondernomen activiteiten bij LHTBI-organisaties onvoldoende heeft betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling. Verweerders standpunt hierover is in strijd met WI 2019/17. Verder voert eiser aan dat de derdenverklaring overgelegd door [naam 1] ten onrechte niet is betrokken bij de besluitvorming.
Verweerder heeft in het aanvullend besluit erkend dat de brief van 31 mei 2026 van [naam 1] niet kenbaar is meegewogen bij het bestreden besluit. Het kenbaar meewegen van de brief maakt echter niet dat er een ander standpunt wordt ingenomen over de geloofwaardigheid van de homoseksuele geaardheid van eiser. Verweerder werpt in dat kader tegen dat de schriftelijke verklaring van [naam 1] dat er sprake was van een intieme relatie tussen hem en eiser op een aantal momenten onvoldoende is om te concluderen dat de verklaringen van eiser wel voldoende inzicht geven in zijn gestelde homoseksualiteit, en daar ligt het zwaartepunt van de weging. Verder geeft [naam 1] aan in de brief dat hij eiser door de jaren heen heel goed heeft leren kennen omdat ze veel gesprekken hebben gevoerd, maar wordt in zijn verklaring niet duidelijk wat voor gesprekken dat waren en wat voor persoonlijkheid eiser heeft volgens [naam 1] . Dat doet afbreuk aan de overtuigingskracht van de verklaring. Tot slot werpt verweerder tegen dat eiser eerder heeft verklaard dat hij maar één intieme relatie met [naam 2] heeft gehad, terwijl [naam 1] verklaart dat hij meerdere keren intieme relaties met eiser heeft gehad. Dat maakt dat de verklaring van [naam 1] ongerijmd is met eisers eigen verklaringen.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder de documenten over de ondernomen activiteiten van eiser bij LHBTI-organisaties onvoldoende heeft betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling. Verweerder neemt in het bestreden besluit de stelling in dat het zwaartepunt van de geloofwaardigheidsbeoordeling van eisers homoseksuele geaardheid ligt bij zijn eigen verklaringen hierover. Die verklaringen vindt verweerder terecht niet samenhangend en aannemelijk, zoals hiervoor is overwogen onder 7.1 tot en met 7.4. Dat eiser documenten heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij in 2022-2023 actief is geweest bij het COC geeft volgens verweerder daarom geen aanleiding tot een ander standpunt. De rechtbank volgt deze motivering.
De rechtbank volgt eiser wel in zijn stelling dat de derdenverklaring van [naam 1] ten onrechte niet is betrokken bij de beoordeling in het bestreden besluit. Dat is een zorgvuldigheidsgebrek. Eiser heeft dit punt dus terecht in zijn gronden aangevoerd. De rechtbank kan echter de motivering van verweerder over de derdenverklaring in het aanvullend besluit goed volgen. Verweerders conclusie kan dus standhouden. De rechtbank ziet daarom geen reden om verweerder op te dragen om een nieuw besluit te nemen.
Heeft eiser bij terugkeer naar Gambia een gegronde vrees voor vervolging of loopt hij een reëel risico op ernstige schade?
9. De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eisers homoseksuele geaardheid niet geloofwaardig is. Dat maakt dat verweerder zich ook terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen gegronde vrees heeft voor vervolging of reëel risico loopt op vervolg bij terugkeer naar Gambia.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gegrond omdat het een zorgvuldigheidsgebrek bevat. Verweerder heeft ten onrechte de derdenverklaring van [naam 1] niet betrokken bij de beoordeling in het bestreden besluit. Het bestreden besluit komt daarom vernietiging in aanmerking.
Gelet op wat de rechtbank onder 8.3 heeft overwogen laat zij met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dat betekent dat eiser de door hem gevraagde asielvergunning niet krijgt en zal moeten terugkeren naar Gambia.
Nu de rechtbank deze beslissing neemt over eisers beroep, is er geen aanleiding
meer om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek
daartoe dan ook af.
Gezien de beslissing over eisers beroep, dient verweerder te worden veroordeeld in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten bedragen op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in totaal € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift, € 934,- per punt en wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 9 juni 2026;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van €1.868,-.
De voorzieningenrechter:- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;- veroordeelt verweerder in de proceskosten van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.V.A. Corstens, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Poortier, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor zover dat ziet op het beroep, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.