ECLI:NL:RBDHA:2026:26815

ECLI:NL:RBDHA:2026:26815

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 14-09-2026
Datum publicatie 15-09-2026
Zaaknummer NL26.51577
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

bewaring, beroep, bewaringsmaatregel en gronden, informatieplicht, lichter middel, ambtshalve toetsing, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.51577

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. P.R.L.V.M. Kruik),

en

(gemachtigde: mr. M. Smeulders).

Procesverloop

Bij besluit van 2 september 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 8 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, D. Dumitru Lautaru als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

De bewaringsmaatregel en gronden

1. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Dit omdat het belang van de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat en omdat betrokkene de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Andere, minder dwingende alternatieve maatregelen kunnen volgens verweerder niet effectief worden toegepast.

In de maatregel heeft verweerder ter onderbouwing van het onderduikrisico als gronden zoals bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) vermeld dat eiser:

b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Eiser heeft de gronden die ten grondslag zijn gelegd aan de maatregel van bewaring, en de daarop gegeven toelichtingen, niet betwist. De onbestreden gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.

Informatieplicht

2. Eiser betoogt dat verweerder niet heeft voldaan aan de informatieplicht. Daartoe voert eiser aan dat aan hem een informatiefolder is uitgereikt waarop grond a is aangekruist in plaats van grond b. De informatiefolder komt dus niet overeen met de maatregel van bewaring. Nadat aan eiser op een later moment de juiste informatiefolder is uitgereikt, is nagelaten te vermelden dat de eerder folder niet juist was en dat dit de juiste folder is. Volgens eiser dient dit te leiden tot een belangenafweging die in zijn voordeel uitvalt.

Verweerder is primair van mening dat er geen sprake is van de schending van de informatieplicht. Uit de maatregel van bewaring volgt dat eiser de gronden niet wilde doornemen. Bovendien blijkt uit het proces-verbaal van het gehoor dat de juiste grond, grond b, is voorgehouden aan eiser. Subsidiair stelt verweerder dat aan zijn belangen meer gewicht toekomt dan aan de belangen van eiser.

Op grond van artikel 5.3, eerste lid, derde zin, van het Vb en vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), waaronder de uitspraken van 15 november 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4180) en van 24 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2979) rust op verweerder de plicht om de vreemdeling bij het uitreiken van een afschrift van de maatregel van bewaring schriftelijk, in een taal die hij verstaat of waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij die verstaat, te informeren over de redenen van de bewaring, de rechtsmiddelen die tegen de bewaring openstaan en over de mogelijkheid van gratis rechtsbijstand (de informatieplicht).

De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat abusievelijk aan eiser tijdens het gehoor een vertaling is uitgereikt waarin grond a is aangekruist in plaats van grond b. Eiser wilde de gronden niet doornemen, waardoor deze over het hoofd is gezien. Vervolgens heeft eiser het formulier in diverse stukken gescheurd en is deze vertaling door de verbalisant aan de advocaat meegegeven. Aan betrokkene is bij het uitreiken van de maatregel de vertaling met de juiste gronden uitgereikt. Hieruit volgt dat aan eiser eerst een foutieve informatiefolder is uitgereikt. Gelet hierop is het niet aannemelijk dat tijdens het gehoor wel de juiste gronden zijn voorgehouden aan eiser. Er is dan ook sprake van een schending van de informatieplicht.

Uit de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 15 november 2023 volgt dat een schending van de informatieplicht een inbewaringstelling slechts onrechtmatig maakt indien de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Naar het oordeel van de rechtbank weegt de ernst van de schending in eisers geval niet op tegen de belangen die met de maatregel zijn gediend. Uit het proces-verbaal van het gehoor blijkt dat eiser, nadat de verbalisant de gronden van de maatregel wilde voorhouden, luid schreeuwde, de vertaling verscheurde, door de ruimte ging lopen en dicht tegen een aanwezige collega ging staan waardoor een dreigende situatie is ontstaan. Vervolgens zijn in het proces-verbaal van gehoor de gronden vermeld en is vermeld dat eiser de verbalisant niet heeft laten uitspreken tijdens het voorlezen en bleef schreeuwen. Ook zou eiser niet hebben geantwoord op de vraag wat hij vindt van de gronden die hem zijn meegedeeld. Daarnaast volgt uit de maatregel van bewaring dat in de informatiefolder die aan eiser en zijn gemachtigde is meegegeven wel de juiste gronden zijn aangekruist. Verder is ter zitting aangegeven dat eiser de juiste informatiefolder heeft besproken met zijn gemachtigde. Gelet op het voorgaande is niet gebleken dat eiser in zijn belangen is geschaad. Daar staat tegenover dat uit de niet betwiste gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd een onderduikrisico volgt, zodat verweerder er belang bij heeft eiser in bewaring te stellen.

Uit het voorgaande volgt dat het geconstateerde gebrek de maatregel van bewaring niet onrechtmatig maakt. De beroepsgrond treft in zoverre dus geen doel.

Lichter middel

3. Eiser betoogt dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Eiser is niet in de gelegenheid gesteld om de beschikking over zijn telefoon te hebben. Hij had dan zijn ouders kunnen contacteren over het regelen van een ticket naar Roemenië.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt dat niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. Zoals hiervoor is overwogen zijn de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd niet betwist en hieruit volgt een onderduikrisico. De enkele stelling dat eiser geen ticket naar Roemenië kon bemachtigen omdat hij zijn telefoon niet tot zijn beschikking had volgt de rechtbank niet. Eiser had ook kunnen verzoeken om vanuit detentie zijn ouders te bellen om een ticket te regelen. Bovendien is in het verslag van het vertrekgesprek van 3 september 2026 vermeld dat eiser heeft verklaard geen mogelijkheid te hebben om een eigen ticket te regelen en dat dus in samenspraak met eiser en gemachtigde op die dag nog de vlucht voor eiser is aangevraagd. Er zijn geen omstandigheden naar voren gebracht die de rechtbank aanleiding geven om tot het oordeel te komen dat verweerder met een lichter middel had moeten volstaan. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Felić, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S.N. Abdoelkadir

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand