ECLI:NL:RBDHA:2026:26826

ECLI:NL:RBDHA:2026:26826

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 10-09-2026
Datum publicatie 15-09-2026
Zaaknummer NL26.51574
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

bewaring, beroep, inspanningsverplichting, ophouding, bewaringsgronden, voortvarend handelen, zicht op uitzetting, beoordeling beginsel non-refoulement, ambtshalve toetsing, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.51574

V-nummer: [nummer 1]

(gemachtigde: mr. M.B.J. Strooij),

en

(gemachtigde: mr. M. Smeulders).

Procesverloop

Met het bestreden besluit van 2 september 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Verweerder heeft de rechtbank hiervan in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 8 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. El Barbary als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Inspanningsverplichting

1. Eiser betoogt dat verweerder, voorafgaand aan de inbewaringstelling gedurende de periode dat eiser strafrechtelijk gedetineerd was, niet heeft voldaan aan de inspanningsverplichting om aan zijn uitzetting te werken. Eiser heeft van 7 november 2025 tot en met 2 september 2026 in strafrechtelijke detentie gezeten. Er is sprake van een geplande inbewaringstelling, waardoor verweerder eerder vertrekhandelingen had kunnen verrichten.

Volgens paragraaf A5/6.13 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) rust op verweerder een inspanningsverplichting om vreemdelingenbewaring na strafrechtelijke detentie zoveel mogelijk te beperken. Het is echter vaste rechtspraak van de Afdeling van de bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat in het geval de einddatum van de strafrechtelijke detentie nog onbekend is, van verweerder niet kan worden gevergd dat hij de voorbereiding van de uitzetting steeds zo inricht, dat de uitzetting aansluitend aan het einde van de detentie plaatsvindt en iedere vreemdelingenbewaring dientengevolge achterwege kan blijven. De rechtbank verwijst hiervoor naar een uitspraak van de Afdeling van 4 januari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:78, overweging 1).

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zijn inspanningsverplichting niet geschonden. Uit de registratiekaart DJI van 23 juli 2026 blijkt dat de einddatum van eisers strafrechtelijke detentie op 2 september 2026 was. Nadat de einddatum van de detentie bekend was heeft verweerder op 30 juli 2026 en op 20 augustus 2026 rappels verzonden naar de Algerijnse autoriteiten ten aanzien van de ingediende lp-aanvraag. Ook is nadien op 25 augustus 2026 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Van een schending van de inspanningsverplichting door verweerder is dan ook geen sprake. Bovendien heeft verweerder aangegeven dat ook voordat de einddatum van de detentie in zicht was meerdere malen rappels zijn verstuurd, dat ook een lp-traject is opgestart bij de Marokkaanse autoriteiten en dat er vertrekgesprekken hadden plaatsgevonden. De beroepsgrond slaagt niet.

Ophouding

2. Eiser stelt dat de ophouding onrechtmatig is omdat de wettelijke ophoudingstermijn met 1 uur en 9 minuten is overschreden. Deze termijnoverschrijding moet volgens eiser leiden tot onrechtmatigheid van de bewaring.

Niet in geschil is dat de maximum duur van zes uur van de ophouding is overschreden met 1 uur en 9 minuten. Gelet hierop is sprake van een gebrek.

Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 september 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3540), volgt dat de onrechtmatigheid van de ophouding de daaropvolgende inbewaringstelling slechts onrechtmatig maakt, indien de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. De termijn van ophouding is met 1 uur en 9 minuten overschreden. Dat is geen geringe overschrijding. Naar het oordeel van de rechtbank leidt dit gebrek in dit geval echter niet tot onrechtmatigheid van de maatregel. De belangenafweging valt namelijk in dit geval in het voordeel van verweerder uit. De rechtbank betrekt hierbij dat – zoals hierna wordt overwogen – sprake is van een risico op onderduiken. Eiser heeft verder geen specifieke belangen gesteld die maken dat zijn belang in dit geval zwaarder dient te wegen dan het belang van verweerder bij het voortduren van de maatregel van bewaring. Daarnaast blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen dat eiser niets wou verklaren voordat hij zijn voorkeursadvocaat gesproken had. Nadat bleek dat eisers advocaat niet tijdig aanwezig kon zijn bij het gehoor, heeft eiser zijn advocaat voorafgaand aan het gehoor gesproken en is het gehoor daarna gestart om 13:20 uur. Uit de M105-A blijkt dat er gebruik werd gemaakt van een telefonische tolk Arabisch Syrisch Libanees (tolkennummer [nummer 2]), waarna de verbinding werd verbroken om 14:00 uur. Om 14:13 uur is een nieuwe telefonische tolk geregeld, Arabisch Syrisch (tolkennummer [nummer 3]). Deze tolk gaf aan dat eiser niet het Syrische Arabische dialect spreekt en dat hij niet meer wilde vertalen voor eiser. Op de

vraag waarom hij dit niet meer wilde geeft de tolk aan dat hij vindt dat eiser hem respectloos behandeld. Daarna is het gehoor beëindigd om 14:25 uur. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat het gehoor daarna om 15:03 uur weer is voortgezet, met behulp van een telefonische tolk Arabisch Algerijns (tolkennummer [nummer 4]). Nadat eiser aangaf deze tolk helemaal niet goed te verstaan en om een tolk Syrisch verzocht, is het gehoor pas weer om 15:08 uur aangevangen. Deze tolk (tolkennummer [nummer 5]) heeft meerdere malen naar voren gebracht dat eiser Marokkaanse woorden gebruikte die de tolk niet begreep, waardoor de tolk zijn vragen meerdere malen aan eiser moest stellen voordat hij antwoord kreeg. Daardoor heeft het gehoor met de laatste tolk 110 minuten geduurd en is het gehoor pas geëindigd om 16:58 uur. Direct aansluitend op het gehoor is de maatregel opgemaakt en zo spoedig mogelijk aan eiser uitgereikt, om 17:29 uur. De overschrijding van de maximale duur van de ophouding leidt daarom niet tot opheffing van de maatregel van bewaring.

Nu sprake is van een onrechtmatige ophouding, heeft eiser recht op vergoeding van de proceskosten.

Bewaringsgronden

3. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

Verweerder heeft, met toepassing van artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;g. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Vw dan wel toepassing is gegeven aan artikel 67a van de Wet, of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van die wet;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;n. zich niet heeft gehouden aan een hem opgelegde maatregel ter beperking van beweging van de vrijheid, bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vw;o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Verweerder heeft ter zitting grond q laten vallen. Eiser betwist de gronden c, h, n en r.

De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden a, g, o, p en s, en de daarop gegeven toelichtingen, niet heeft betwist. Ten aanzien van grond n heeft eiser niet betwist dat hij zich niet heeft gehouden aan de maatregel ter beperking van de vrijheid van beweging als bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vw op 21 januari 2021. Gelet hierop kunnen deze gronden en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, in onderling verband en samenhang bezien, de maatregel van bewaring al dragen. Er volgt namelijk uit dat er een onderduikrisico bestaat. Gelet hierop behoeven de betwiste gronden c, h en r geen inhoudelijke bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.

Voortvarend handelen / zicht op uitzetting

4. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan eisers uitzetting naar Algerije dan wel Marokko en dat onduidelijk is of eisers lp-aanvraag is geweigerd door de Algerijnse autoriteiten.

Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat het lp-traject naar Marokko is beëindigd in april 2025, dat het lp-traject van Algerije nog loopt en dat er door de Algerijnse autoriteiten niet te kennen wordt gegeven dat ze geen lp zullen verstrekken. Ze hebben alleen de vingerdrukken van eiser en daarom duurt het wat langer. Ten aanzien van de uitzettingshandelingen naar Algerije verwijst de rechtbank naar overweging 1.2., waaruit blijkt dat verweerder voldoende handelingen heeft verricht. Gelet hierop slaagt de beroepsgrond niet.

Beoordeling van het beginsel van non-refoulement

5. Eiser stelt zich op het standpunt dat het risico op refoulement dat hij loopt bij uitzetting naar Algerije niet voldoende door verweerder is beoordeeld. Eiser heeft in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling verklaard bang te zijn om uitgezet te worden naar Algerije omdat Syriërs slecht worden behandeld door de Algerijnse autoriteiten. Ook heeft eiser verklaard dat als hij zegt dat hij uit Syrië komt hij zal worden gemarteld. Verweerder heeft deze verklaringen niet voldoende meegewogen en beoordeeld in de maatregel van bewaring en daarmee niet voldaan aan de verplichting zoals is uiteengezet in het arrest van het Hof van Justitie van 4 september 2025, Adrar, ECLI:EU:C:2025:647, en de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.

De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026 volgt dat verweerder een vreemdeling in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling actief concrete vragen moet stellen om binnen het kader van het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn te onderzoeken en te kunnen beoordelen of het beginsel van non-refoulement zich tegen zijn of haar uitzetting verzet. Tijdens het bewaringsgehoor is aan eiser meerdere keren gevraagd wat hij vindt van zijn uitzetting naar Algerije. Eiser heeft hierop geantwoord dat hij niet denkt dat hij vrees heeft voor onmenselijk behandeling in Algerije. Eiser heeft hierna verklaard dat hij gemarteld zal worden als hij zegt dat hij uit Syrië komt. Verweerder heeft twee keer gevraagd waar dit vermoeden uit blijkt. Eiser heeft dit vermoeden niet concreet gemaakt of nader onderbouwd. Verweerder heeft eisers verklaringen meegewogen, zoals blijkt uit de motivering in de maatregel van bewaring. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het risico op refoulement voldoende in de maatregel overwogen. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

9. Eiser krijgt wel een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Felić, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S.N. Abdoelkadir

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand