RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.52339
(gemachtigde: mr. S. Oukil),
en
(gemachtigde: L. Verhaegh).
Procesverloop
Bij besluit van 6 september 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen G.F.H. Beld. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
7. De Afdeling constateert ambtshalve dat in de vrijheidsontnemende maatregel zowel is aangekruist dat de asielaanvraag van betrokkene wordt behandeld in de asielgrensprocedure als dat het gaat om vrijheidsontneming in verband met de screening. Deze omstandigheden kunnen echter niet naast elkaar bestaan. Uit artikel 1, aanhef en onder a, van de Screeningsverordening volgt namelijk dat verzoekers die aan de buitengrens om internationale bescherming verzoeken, worden gescreend voordat zij naar een passende procedure worden doorverwezen.
1. Eiser heeft de Russische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] . Hij is in het bezit van een geldig Russisch paspoort en is op 5 september 2026 vanuit Servië naar Nederland gevlogen, waar hij op Schiphol Airport een tussenstop had om naar Marokko te vliegen. Hij kwam om 15:20 uur aan op Schiphol. Op diezelfde dag om 16:50 uur heeft eiser aan de buitengrens op Schiphol zijn asielwens kenbaar gemaakt. Ook op 5 september heeft eiser de aanwijzing gekregen om zich tot 6 september 2026 07:00 uur op te houden in de internationale lounge op de luchthaven. Op 6 september 2026 heeft eiser zijn asielverzoek ingediend en op diezelfde dag om 17:56 uur is de toegangsverlening van eiser tot Nederlands grondgebied uitgesteld en is besloten dat zijn asielaanvraag in de grensprocedure zal worden behandeld. Gelijktijdig is aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel (de grensdetentie) opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw, waarover dit beroep gaat. Ook op 6 september 2026 is eiser overgebracht naar het Aanmeldcentrum Badhoevedorp.
2. Eiser heeft meerdere gronden aangevoerd om de rechtmatigheid van de grensdetentiemaatregel te betwisten en heeft de rechtbank tevens gevraagd om prejudiciële vragen te stellen. Namens eiser is onder meer aangevoerd dat uit verschillende artikelen van de Screeningsverordening, de Procedureverordening en de herschikte Opvangrichtlijn kan worden afgeleid dat de screening een belangrijke eerste stap is in de beoordeling van de vraag of de grensprocedure kan worden toegepast en of de opvang, dan wel bewaring gepast/evenredig is. Ook bij de triage is de informatie uit de screening essentieel, dat is het moment waarop wordt besloten of de zaak de grensprocedure in gaat. Dat de screening niet adequaat is gedaan, maakt de maatregel volgens eiser onrechtmatig, omdat de informatie hieruit de feiten en omstandigheden levert voor de beoordeling van de vraag of eiser de vrijheid wordt ontnomen.
3. De rechtbank acht de vrijheidsontnemende maatregel van aanvang af onrechtmatig en motiveert dit als volgt.
4. De rechtbank stelt vast dat in de vrijheidsontnemende maatregel zowel is aangekruist dat de asielaanvraag van eiser wordt behandeld in de asielgrensprocedure als dat het gaat om vrijheidsontneming in verband met de screening.
5. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 2 september 2026 over deze situatie onder meer het navolgende overwogen:
(…)
Ambtshalve overweging ten overvloede
De Afdeling ziet hierin echter geen reden om de grensdetentie onrechtmatig te achten. Artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 voorziet namelijk zowel in een grondslag voor grensdetentie tijdens de screening als tijdens de asielgrensprocedure.
(…)
6. De rechtbank is het eens met bovengenoemde overwegingen voor zover is overwogen dat de screening en de asielgrensprocedure niet gelijktijdig kunnen plaatsvinden. De rechtbank is het echter niet eens met de Afdeling voor zover de Afdeling concludeert dat dit geen probleem is omdat artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 in zowel een grondslag voor grensdetentie tijdens de screening als een grondslag tijdens de asielgrensprocedure voorziet.
7. Er is sprake van opvolgende en zelfstandige procedurele fases, waarbij te gelden heeft dat de screening in beginsel moet hebben plaatsgevonden en zijn afgerond voordat (eventueel) de asielgrensprocedure kan aanvangen. Artikel 18, lid 5, van de Screeningsverordening bepaalt dat indien niet alle controles van de van de screening hebben plaatsgevonden voordat de daartoe bepaalde termijn is verstreken, de screening van die persoon toch wordt beëindigd en de betrokkenen naar de passende procedure wordt doorverwezen. Hieruit volgt dat de screening en de asielgrensprocedure niet gelijktijdig kunnen plaatsvinden.
8. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in haar uitspraak van 10 augustus 2026 onder meer het navolgende overwogen:
(…)
9. De Uniewetgever heeft in artikel 8, lid 5 onder a) van Verordening 2024/1356 uitdrukkelijk bepaald dat de screening mede bestaat uit een voorlopige medische controle en in artikel 12, lid 1, van deze verordening uitdrukkelijk bepaald dat de voorlopige medische controle wordt uitgevoerd door gekwalificeerd medisch personeel. Deze bepalingen zijn gedetailleerd en dwingend voorgeschreven. De screeningsprocedure valt dus niet onder de procedurele autonomie van de lidstaten en het is dus niet aan verweerder om de screeningsprocedure naar eigen goeddunken anders vorm te geven.
10. De medische intake die plaatsvindt nadat de screeningsfase al is afgerond kan de voorlopige medische controle in de screeningsfase niet vervangen. Indien gekwalificeerd medisch geschoold personeel in de screeningsfase medische en/of andere problematiek constateert, kan reeds dan duidelijk worden dat de asielaanvraag niet in de grensprocedure kan worden behandeld omdat dit, zoals verweerder lijkt te erkennen, bij wijze van regel vergezeld lijkt te gaan van oplegging van de grensdetentiemaatregel. Een medische intake in het JCS vindt pas plaats als de grensdetentiemaatregel al is opgelegd en dat is dus te laat. De inrichtingarts zal wellicht uit eigen beweging een detentiegeschiktheids-beoordeling maken indien ernstige medische problematiek zich ogenblikkelijk openbaart, maar in alle andere gevallen zal deze mogelijke problematiek niet meer kunnen worden betrokken bij de vraag of moet worden afgezien van oplegging van de maatregel.
11. Het inrichten van de screeningsprocedure overeenkomstig de door de Uniewetgever vastgestelde voorschriften hoeft ook geen probleem te zijn. Verweerder dient eenvoudigweg zorg te dragen voor de aanwezigheid van gekwalificeerd medisch personeel in de screeningslocatie om de door de Uniewetgever voorgeschreven voorlopige medische controle uit te voeren.
(…)
16. Anders dan verweerder vindt, acht de rechtbank zich wel bevoegd om de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de screening te betrekken bij de rechtmatigheidsbeoordeling van de maatregel. Verweerder heeft gewezen op artikel 10 van Verordening 2024/1356 en de instelling van een onafhankelijk toezichtmechanisme. De rechtbank is evenwel verplicht om op grond van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie een doeltreffende voorziening in rechte te bieden en voldoet daar niet aan als zij eiseres in de uitspraak enkel wijst op dit toezichtmechanisme.
17. De rechtbank overweegt dat verweerder eiseres in de screeningsfase een voorlopige medische controle heeft onthouden en dat dit in evident strijd is met het Unierecht. De rechtbank acht dit ernstig omdat dit geen incident is maar omdat verweerder zijn screeningsprocedure op dit punt willens en wetens in strijd met Verordening 2024/1356 heeft ingericht. De rechtbank overweegt voorts dat een voorlopige medische controle een essentiële fase in de screening is en een waarborg voor derdelanders die gescreend worden dat hun medische problematiek bij keuze voor de te volgen procedure wordt betrokken. De medische intake die in het JCS hoe dan ook plaatsvindt na oplegging van de maatregel ontheft verweerder dus niet van deze verplichting. (…)”
(…)
9. De rechtbank overweegt dat de minister ook in deze procedure niet alle onderdelen van de screening heeft afgerond voordat de asielgrensprocedure is gestart en de maatregel ten behoeve van die procedure is opgelegd. De minister laat de screeningsfase ‘dóórlopen’ na het starten van de asielgrensprocedure en het ten behoeve van die procedure opleggen van de grensdetentiemaatregel. Het komt de rechtbank voor dat de minister dit doet om de voorlopige medische controle, die een verplichte beoordeling in de screeningsfase is, alsnog te kunnen uitvoeren nadat de vreemdeling in grensdetentie ter verzekering van de asielgrensprocedure is geplaatst. De screening is mede bedoeld om te beoordelen welke (volgende) procedure passend is en ook uit artikel 18 van de Screeningsverordening volgt dat de screening moet worden beëindigd voordat de screeningsautoriteiten de derdelander naar een volgende procedure kunnen doorverwijzen. De minister kan dus tijdens de screening niet alvast kiezen voor de asielgrensprocedure en daarom de grensdetentiemaatregel opleggen.
10. De minister stelt zich op het standpunt dat zolang de termijn van 7 dagen om te screenen nog niet is verlopen, hij na opleggen van de grensdetentiemaatregel, mede op de grond dat hij de asielaanvraag in de grensprocedure behandelt, nog bevoegd is om de screening af te ronden gedurende die termijn. De rechtbank volgt dit niet. Zoals de Afdeling heeft overwogen volgt uit artikel 1, aanhef en onder a, van de Screeningsverordening namelijk dat verzoekers die aan de buitengrens om internationale bescherming verzoeken, worden gescreend voordat zij naar een passende procedure worden doorverwezen. De minister heeft een termijn van 7 dagen m te screenen. Het komt de rechtbank voor dat de minister, ongeacht of hij de derdelander tijdens de screening in bewaring stelt, voortvarend moet werken aan de screening en zich moet inspannen om alle screeningsactiviteiten te verrichten binnen de termijn die hij daarvoor heeft. Indien deze termijn niet is verstreken dient de minister de screening dan ook voort te zetten. De minister kan dus ook niet de fase van de voorlopige medische controle uitstellen en met de asielgrensprocedure starten en in het JCS zijn medische intake ten behoeve van de grensdetentie uitvoeren en die medische intake vervolgens als ‘voorlopige medische controle in het kader van de screening’ kwalificeren.
11. Het Unierecht voorziet in verschillende grondslagen voor vrijheidsontnemende maatregelen, afhankelijk van de werkingssfeer van de verordening of richtlijn waaronder de derdelander op dat moment valt. De rechtbank leidt uit het arrest van het Hof van 4 oktober 2024 in de zaak Bouskoura onder meer af dat elke Unierechtelijke grondslag voor een vrijheidsontnemende maatregel specifieke voorwaarden kent waaraan voldaan moet zijn om rechtmatig de vrijheid te kunnen ontnemen. De screening is niet alleen een andere fase in de procedure, maar dient ook een ander doel dan de asielgrensprocedure. Een vrijheidsontnemende maatregel op grond van de Screeningsverordening, die overigens alleen kan worden opgelegd als die na een individuele beoordeling noodzakelijk, proportioneel en evenredig kan worden geacht, en aan de specifieke vereisten die de Screeningsverordening stelt is voldaan, heeft reeds daarom een ander doel dan een grensdetentiemaatregel en vergt dus ook een ander onderzoek, een andere beoordeling en een andere motivering.
12. De verschillende fases in de onderhavige procedure zijn gestoeld op een andere Unierechtelijke grondslag. Zowel de Screeningsverordening als de Opvangrichtlijn voorzien in een grondslag voor een vrijheidsontnemende maatregel en om de vrijheid te ontnemen op deze grondslagen moet aan specifieke voorwaarden worden voldaan. Het handhaven van ‘de schottentheorie’ omdat weliswaar sprake is van feitelijk ononderbroken vrijheidsontneming, maar juridisch verschillende grondslagen gebaseerd op een andere richtlijn of verordening, betekent simpelweg ook dat een derdelander niet op meerdere Unierechtelijke grondslagen tegelijkertijd in bewaring kan worden gesteld en gehouden. Het kan niet zo zijn dat de schottentheorie in de weg staat aan de invrijheidstelling als de derdelander ten tijde van de rechtmatigheidsbeoordeling door de rechter niet langer op een onrechtmatige maatregel in bewaring wordt gehouden, maar dat als de minister het lastig vindt om te voorzien in een voorlopige medische controle tijdens de screening, hij twee Unierechtelijke grondslagen tegelijkertijd voor vrijheidsontneming kan opvoeren. Dat zou namelijk ook betekenen dat als aan de rechtmatigheidsvereisten van één grondslag niet zou worden voldaan, de rechter niet tot invrijheidstelling kan overgaan als de andere grondslag wel rechtmatig zou zijn opgevoerd. Indien de minister meent een vrijheidsontnemende maatregel rechtmatig te kunnen opleggen, kan dit slechts op één Unierechtelijke grondslag geschieden. Indien die grondslag aan de maatregel komt te ontvallen, bijvoorbeeld omdat de maatregel is gestoeld op de Screeningsverordening en de minister de screening volledig heeft uitgevoerd en afgerond, dient hij opnieuw te onderzoeken en te beoordelen of een opvolgende maatregel, bijvoorbeeld om de asielgrensprocedure, de asielprocedure of de terugkeer te verzekeren, mag en moet worden opgelegd.
13. De rechtbank overweegt dat dus niet doorslaggevend is hoe de nationale wetgever de bewaring heeft geregeld. Het Unierecht is leidend bij de bepaling of de bewaring rechtmatig is. Een van de rechtmatigheidsvereisten is dat de vrijheidsontnemende maatregel moet worden gestoeld op een grondslag. Deze grondslag moet noodzakelijkerwijze worden gevonden in de verordening of richtlijn op grond waarvan de vrijheidsontneming wordt bevolen en dit kan niet worden omzeild door in nationale wetgeving een ‘one size fits all-grondslag’ op te nemen en die te gebruiken om de bewaring gedurende verschillende procedurele fases te rechtvaardigen. Indien de minister en de Afdeling op dit punt gevolgd moeten worden, leidt dit immers tot de mogelijkheid dat de nationale wetgever één bepaling in de Vreemdelingenwet opneemt als grondslag voor een administratieve vrijheidsontnemende maatregel en dat de minister vervolgens een derdelander die aankomt op Schiphol een vrijheidsontnemende maatregel oplegt, alle denkbare grondslagen alvast aankruist en deze derdelander in bewaring houdt totdat ofwel een verblijfsvergunning wordt verleend, ofwel een terugkeerbesluit wordt uitgevoerd. Uit oogpunt van rechtsbescherming en om de rechter in staat te stellen om de rechtmatigheid van de vrijheidsontnemende maatregel grondig te kunnen onderzoeken is het eveneens noodzakelijk dat de minister in zijn besluitvorming duidelijk maakt welke Unierechtelijke grondslag aan de vrijheidsontneming ten grondslag ligt. Indien op grond van één nationale wettelijke bepaling de vrijheidsontneming op verschillende Unierechtelijke grondslagen zou kunnen plaatsvinden doet dat afbreuk aan het verdedigingsbeginsel en bemoeilijkt dat de rechterlijke controle. De minister moet uiterste zorgvuldigheid betrachten als hij een vrijheidsontnemende maatregel oplegt, temeer nu een dergelijke maatregel een ultimum remedium is. Ook als het grensbewakingsbelang -deels- mag worden opgevoerd als rechtvaardiging, dient de minister transparant te zijn met welk doel en op grond van welke bevoegdheid hij handelt. Deze vereisten kunnen niet worden ontlopen door in nationale wetgeving een ‘kapstok-bepaling- op te nemen waardoor het onderscheid tussen de verschillende Unierechtelijke grondslagen en procedurele fases wordt verbloemd. De rechtbank meent dan ook dat indien de bewaringsmaatregel gedurende de screeningsfase wordt opgelegd, de maatregel moet worden toegespitst op het doel en de vereisten die in de Screeningsverordening zijn bepaald. Indien de minister de screening beëindigt, vervolgens de asielgrensprocedure aanvangt en de derdelander ter verzekering van die procedure in grensdetentie wil blijven houden, zal de minister een nieuwe maatregel moeten opleggen die is toegespitst op het doel en de vereisten van de Opvangrichtlijn. Dat beide maatregelen dan op dezelfde bepaling in de Vreemdelingenwet 2000 worden gestoeld laat onverlet dat de vrijheidsontnemende maatregel twee verschillende Unierechtelijke grondslagen heeft en dit in de maatregel tot uitdrukking moet komen.
14. De minister kan eiser dus niet rechtmatig in (asiel)grensdetentie stellen terwijl de screening niet is beëindigd door te stellen dat artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 voorziet in zowel een grondslag voor grensdetentie tijdens de screening als tijdens de asielgrensprocedure. Daarmee wordt immers miskend dat de screening en de asielgrensprocedure zelfstandige opvolgende fases zijn en een specifieke Unierechtelijke bewaringsregeling kennen. Artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 kan dus niet op hetzelfde moment de grondslag vormen voor de bewaring op grond van de screeningsverordening als voor de opvangrichtlijn.
15. De grensdetentiemaatregel is op 6 september 2026 opgelegd. Dit is niet mogelijk geweest omdat de screening toen niet was beëindigd . De minister heeft een document in het digitale dossier gevoegd dat is gedateerd op 8 september 2026 en door de minister het ‘post-screeningsformulier’ wordt genoemd. In andere procedures heeft de rechtbank geconstateerd dat de minister dit aanmerkt als de ‘na-screening. De rechtbank overweegt dat indien de minister dergelijke handelingen verricht hij kenbaar moet maken of deze handelingen, zoals wordt gesuggereerd, plaatsvinden op grond van de Screeningsverordening. De rechtbank stelt evenwel vast de Screeningsverordeningen deze begrippen niet bevat. Ondanks de gehanteerde terminologie heeft bovendien te gelden dat de verplichte screening moet zijn beëindigd voordat de grensdetentiemaatregel mag worden opgelegd. In de onderhavige procedure heeft de minister ervoor gekozen om twee grondslagen op te voeren voor één vrijheidsontnemende maatregel en dit maakt deze maatregel van aanvang af onrechtmatig.
16. De rechtbank merkt tot slot op dat het evident is dat de rechtbank niet alleen bevoegd maar ook, zo nodig ambtshalve, verplicht is om de bovenstaande rechtmatigheidsbeoordeling te verrichten omdat een juiste grondslag een voorwaarde voor rechtmatigheid van vrijheidsontnemende maatregel is.
17. Het beroep is reeds hierdoor gegrond en de maatregel is gelet op het bovenstaande vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank acht het daarom niet opportuun om de andere rechtmatigheidsaspecten en overige beroepsgronden te bespreken omdat deze de maatregel niet alsnog rechtmatig kunnen maken. De rechtbank zal in deze procedure geen prejudiciële vraag stellen. Het verzoek van eiser zag bovendien op een ander rechtmatigheidsaspect van de te toetsen maatregel en aan die beoordeling komt de rechtbank niet toe. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel met ingang van heden en zal eiser in vrijheid stellen.
18. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 5 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) bewaring van 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200-.
19. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van 15 september 2026;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.200,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.G.G.M. van Buggenum, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 15 september 2026.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.