RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.19042
(gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg),
en
(gemachtigde: W.M.A. van Hoof).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag voor verlenging van een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (gvva) voor eiseres. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag in stand kan blijven. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten en procesverloop
2. Eiseres is sinds 29 november 2022 in het bezit van een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (gvva). Zij werkt als specialiteitenkok in restaurant [restaurant] in [plaats] (referent). Referent heeft op 20 november 2024 een aanvraag voor verlenging van de gvva voor eiseres ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 25 april 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 30 maart 2026 heeft de minister het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2026, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, Y. Wongsuwan als tolk, de gemachtigde van de minister en [A] en [B] namens het UWV.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
3. De minister heeft de aanvraag voor verlenging van de gvva voor eiseres getoetst aan de voorwaarden zoals die zijn opgenomen in de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Om na te gaan of aan die voorwaarden wordt voldaan, heeft de minister advies gevraagd aan het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV). Uit het advies van het UWV blijkt dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 8 van de Wav. Er is namelijk voldoende prioriteitgenietend aanbod voor de functie van zelfstandig werkend kok. Ook heeft de werkgever van eiseres onvoldoende gezocht naar kandidaten. De minister heeft de aanvraag daarom afgewezen en het daartegen gemaakte bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres moet terugkeren naar Thailand. Zij mag niet meer werken.
Wat is de voorgeschiedenis?
4. Vanwege een personeelsprobleem in de Aziatische horeca is op 1 oktober 2014 het Convenant Aziatische Horeca gesloten. Onder dit Convenant werd afgezien van de wettelijke toets op prioriteitgenietend aanbod voor werkgevers in de Aziatische horeca die koks wilden tewerkstellen voor de functieniveaus 4 tot en met 6. In 2019 is het Convenant Aziatische Horeca voortgezet in de Regeling Aziatische horeca. Als onderdeel van de uitzonderingspositie voor restaurants in de Aziatische horeca hanteerde het UWV bij toetsing van de aanvragen ‘specifieke functie-eisen’. Het betrof verschillende eisen, waaronder vaardigheden die volgens de branche nodig waren om de specifieke gerechten te kunnen bereiden en kennis van de taal en cultuur van het desbetreffende Aziatische land.
Per 1 januari 2022 is de Regeling Aziatische horeca vervallen. De aanleiding hiervoor was dat het kabinet signalen had ontvangen die zouden kunnen duiden op gevallen van mensenhandel en/of mensensmokkel. Tot 1 februari 2022 was er sprake van overgangsrecht en daarnaast bleef de Regeling Aziatische horeca van toepassing op reeds verleende vergunningen en ingediende aanvragen. Na het besluit tot stopzetting van de regeling heeft het kabinet nagedacht over de vraag of de regeling in aangescherpte vorm zou kunnen herleven. In afwachting van dit besluit is het UWV na 1 januari 2022 blijven toetsen aan de specifieke functie-eisen die voortvloeiden uit het Convenant Aziatische Horeca. Op 18 november 2022 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de Tweede Kamer geïnformeerd dat de Regeling voor de Aziatische horeca definitief komt te vervallen. De minister heeft het UWV in lijn daarmee verzocht om het toetsingskader aan te passen. In een brief van 17 mei 2023 zijn de sectorvertegenwoordigers geïnformeerd dat per 1 juli 2024 de toets aan de specifieke functie-eisen kwam te vervallen. Daarmee is een einde gekomen aan de uitzonderingspositie van de Aziatische horeca die sinds 2014 bestond.
Is het overgangsrecht in strijd met het gelijkheidsbeginsel?
5. Eiseres voert aan dat het overgangsrecht ten onrechte alleen geldt voor vreemdelingen die nog in 2022 zijn ingereisd. Eiseres zit immers in dezelfde situatie en zou daarom ook onder het overgangsrecht moeten vallen.
De rechtbank vat deze beroepsgrond zo op dat eiseres stelt dat het overgangsrecht in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en dat het overgangsrecht in zoverre buiten toepassing moet blijven dat eiseres onder de eerbiedigende werking daarvan valt.
Het overgangsrecht is geregeld in artikel II van de Regeling van 18 oktober 2021 (de Regeling) en houdt kort gezegd in dat de oude regeling van toepassing blijft op verleende vergunningen en (verlengings)aanvragen die vóór 1 januari 2022 zijn gedaan. In de periode van 1 januari 2022 tot 1 juli 2024 is het UWV aanvragen van na 1 januari 2022 nog op een punt blijven beoordelen aan de oude regeling, namelijk aan de specifieke functie-eisen. Dit kan aangemerkt worden als begunstigend buitenwettelijk beleid.
De Regeling is een algemeen verbindend voorschrift dat exceptief kan worden getoetst aan het gelijkheidsbeginsel.
De rechtbank is van oordeel dat het overgangsrecht niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. In de Regeling is gekozen voor eerbiedigende werking voor verleende vergunningen en lopende (verlengings)aanvragen. Daarmee respecteert het overgangsrecht verwachtingen die onder de oude regeling zijn ontstaan. De keuze om de eerbiedigende werking te beperken tot verleende vergunningen en lopende (verlengings)aanvragen is daarbij niet onredelijk omdat het uitbreiden van de eerbiedigende werking tot alle komende verlengingsaanvragen afbreuk zou doen aan het doel dat met de wijziging van de Regeling wordt nagestreefd. Voor verlengingsaanvragen die na de inwerkingtreding zijn ingediend is het duidelijk dat de nieuwe regels gelden en behoeft er niet gekozen te worden voor eerbiedigende werking om verwachtingen die onder de oude regeling zijn ontstaan te respecteren. De keuze om de nieuwe regeling van toepassing te laten zijn op aanvragen die na de inwerkingtreding worden ingediend is daarom niet onredelijk. Het overgangsrecht is daarom niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.
Over het begunstigende buitenwettelijke beleid van het UWV zijn geen gronden aangevoerd, zodat de rechtbank dat beleid niet in zijn beoordeling betrekt.
De beroepsgrond slaagt niet.
Mocht eiseres erop vertrouwen dat gedurende haar verblijf de regelgeving niet zou worden veranderd?
6. Eiseres vindt dat zij erop mocht vertrouwen dat gedurende haar verblijf de regelgeving niet zou worden veranderd. Eiseres was al in Nederland aan het werk, toen de Regeling werd ingetrokken en het pga-begrip plotseling werd gewijzigd.
Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 7 december 2022 volgt dat degene die een beroep doet op het vertrouwensbeginsel, aannemelijk moet maken dat aan de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij redelijkerwijs mocht afleiden dat het bestuursorgaan zijn bevoegdheid op een bepaalde manier zou uitoefenen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat in haar geval toezeggingen of uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit zij mocht afleiden dat de regelgeving of het beleid niet zouden veranderen. Ook kon zij er niet op vertrouwen dat haar aanvraag zou worden beoordeeld overeenkomstig het oude toetsingskader. Dat de eerste aanvraag van eiseres is ingewilligd, betekent niet dat zij erop mocht vertrouwen dat haar huidige aanvraag ook zou worden ingewilligd. Zoals de rechtbank onder 4.1. uiteengezet heeft, is in de tussentijd immers de Regeling Aziatische horeca ingetrokken en heeft het UWV de toets aan de specifieke functie-eisen losgelaten. Over het loslaten van die toets zijn de sectorvertegenwoordigers bij brief van 17 mei 2023 geïnformeerd. Het was voor eiseres dan ook voorzienbaar dat de aanvraag voor de verlenging van haar gvva, die daarna is ingediend, niet meer zou worden getoetst aan deze specifieke functie-eisen.
De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister het advies van het UWV aan zijn besluit ten grondslag mogen leggen?
7. Eiseres vindt dat de minister ten onrechte het UWV-advies aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Volgens eiseres is het UWV ten onrechte tot de conclusie gekomen dat er prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt aanwezig is. In 2025 en 2026 werd namelijk een groot deel van de aanvragen voor gvva’s ingewilligd, waaruit blijkt dat er geen prioriteitgenietend aanbod is. Het is ook een feit van algemene bekendheid dat er geen prioriteitgenietend aanbod op de markt voor Aziatische koks aanwezig is. Verder wordt ten onrechte de bewijslast bij eiseres neergelegd om aan te tonen dat er geen prioriteitgenietend aanbod aanwezig is. Het UWV is daarnaast ten onrechte tot de conclusie gekomen dat referent onvoldoende inspanningen heeft verricht om prioriteitgenietend aanbod te werven. Uit de overgelegde stukken blijkt namelijk dat referent voldoende wervingsinspanningen heeft verricht. Het beleid van het UWV ten aanzien van de beoordeling van de voldoende wervingsinspanningen is daarnaast niet inzichtelijk. Ook verlangt het UWV ten onrechte dat referent wervingsinspanningen verricht, nu het een feit van algemene bekendheid is dat er geen prioriteitgenietend aanbod is.
Voordat de minister een besluit neemt over de verlening, verlenging of intrekking van een gvva, moet hij daarover advies vragen aan het UWV. Het UWV adviseert over de vraag of de aanvraag voldoet aan de Wav. Het advies van het UWV is een deskundigenadvies. De minister moet wel nagaan of het advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, of de inhoud van het advies begrijpelijk is en of de getrokken conclusies daar goed op aansluiten. De aanvrager kan de bevindingen uit het deskundigenadvies betwisten door middel van contra-expertise of door concrete aanknopingspunten voor inhoudelijke twijfel aan het advies aan te voeren. In dat geval mag de minister niet zonder nadere motivering van het advies uitgaan.
De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende is nagegaan of het advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, of de inhoud ervan begrijpelijk is en of de getrokken conclusies daarop aansluiten. In wat door eiseres naar voren is gebracht ziet de rechtbank geen aanleiding voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies van het UWV, of voor twijfel aan de redenering en de getrokken conclusies in dat advies. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Bijzondere functie-eisen
De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of het UWV bij zijn beoordeling mocht uitgaan van de functie van zelfstandig werkend kok, zonder specifieke functie-eisen. Zoals de rechtbank onder 4.1. heeft vastgesteld, neemt het UWV niet langer beleidsmatig aan dat voor het werken in de Aziatische horeca specifieke functie-eisen gelden. Uit het advies blijkt dat het UWV het Register Referentiefuncties Horeca heeft geraadpleegd, waaruit volgt dat voor de functie van zelfstandig werkend kok I een mbo-niveau 3-werk- en denkniveau is vereist, zonder werkervaring. Het UWV stelt vast dat referent in de vacatures heeft vermeld dat hij een kandidaat zoekt die minimaal twee jaar werkervaring heeft opgedaan, maar volgens het UWV heeft referent niet onderbouwd waarom uitsluitend een werknemer die beschikt over minimaal twee jaar werkervaring de functie kan vervullen. De conclusie van het UWV dat daarom voor de beoordeling van het prioriteitgenietend aanbod moet worden gekeken naar de functie van zelfstandig werkend kok I, zonder vereiste werkervaring, vindt de rechtbank daarom inzichtelijk en begrijpelijk.
Prioriteitgenietend aanbod
De minister weigert de aanvraag voor een gvva als voor de betreffende arbeidsplaats prioriteitgenietend aanbod aanwezig is. Of er voldoende prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt aanwezig is, blijkt volgens de Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen (Ruwav) in de eerste plaats uit de bestanden van het UWV zelf. Het UWV zal daarnaast andere beschikbare informatie gebruiken, zoals die van gemeenten, EURES of (internationale) uitzend- en detacheringsbureaus. Het UWV heeft de werkzoekendenbestanden in Nederland geraadpleegd en gezocht op drie functies die vergelijkbaar zijn met de functie van zelfstandig werkend kok, namelijk basiskok, souschef en zelfstandig werkend kok. Voor de functie van basiskok staan 359 werkzoekenden ingeschreven, voor de functie van souschef 373, en voor de functie van zelfstandig werkend kok 593. Op basis van het aantal ingeschrevenen concludeert het UWV dat er prioriteitgenietend aanbod aanwezig is. De rechtbank vindt die conclusie inzichtelijk en begrijpelijk.
Het standpunt van eiseres dat een groot deel van de aanvragen voor gvva’s voor koks in de Aziatische horeca in 2025 en 2026 is ingewilligd en dat daaruit blijkt dat er geen prioriteitgenietend aanbod aanwezig is, volgt de rechtbank niet. Het UWV heeft op de zitting toegelicht dat hij aan de hand van de werkzoekendenbestanden onderzoekt of er prioriteitgenietend aanbod is. Als het UWV tot de conclusie komt dat er prioriteitgenietend aanbod aanwezig is, kan de werkgever vervolgens tegenbewijs leveren door zijn vacature tijdig te melden en zich voldoende in te spannen om prioriteitgenietend aanbod te werven. Als de werkgever daarin slaagt, wordt voor die specifieke functie bij die werkgever aangenomen dat er geen prioriteitgenietend aanbod aanwezig is. De rechtbank leidt hieruit af dat het feit dat andere aanvragen voor gvva’s voor koks in Aziatische horeca worden ingewilligd, niet betekent dat er geen prioriteitgenietend aanbod is. Voor de beantwoording van de vraag of er prioriteitgenietend aanbod is gaat het immers alleen om de vraag of er aanbod is, en niet over de vraag of dat aanbod in het concrete geval geschikt en beschikbaar is.
Eiseres stelt verder dat er geen (reëel) prioriteitgenietend aanbod aanwezig is omdat er veel meer vacatures zijn dan aanbod. De rechtbank volgt dat standpunt niet. Eiseres onderbouwt haar standpunt cijfermatig. Zij heeft een overzicht van de aantallen openstaande vacatures voor de functie van zelfstandig werkend kok in 2024 en 2025 overgelegd. Ook heeft eiseres cijfers over de aantallen werkzoekenden die staan ingeschreven voor die functie overgelegd. Hieruit blijkt volgens eiseres dat het aantal vacatures voor de functie van zelfstandig werkend kok veel groter is dan het aantal ingeschreven werkzoekenden. De rechtbank begrijpt het standpunt van eiseres zo dat het UWV niet alleen moet vaststellen of er werkzoekenden voor de functie van zelfstandig werkend kok zijn, maar ook moet onderzoeken of dat aanbod voldoende is, gelet op de vraag naar zelfstandig werkend koks. De rechtbank stelt vast dat uit de toelichting bij de herziening van de Wav in 2013 volgt dat het UWV moet onderzoeken of er ‘voldoende’ werkzoekenden op de arbeidsmarkt aanwezig zijn die aan de functie-eisen van de vacature voldoen. Het UWV hoeft niet te onderzoeken of die werkzoekenden ook beschikbaar zijn. Ook uit paragraaf 8.1.a.1. van Bijlage 1 van de Ruwav volgt dat sprake moet zijn van ‘voldoende’ prioriteitgenietend aanbod. Anders dan eiseres begrijpt de rechtbank het begrip ‘voldoende’ echter niet zo dat het UWV het aantal ingeschreven werkzoekenden moet afzetten tegen het aantal vacatures voor een bepaalde functie. Die uitleg volgt, zoals het UWV ook op de zitting heeft toegelicht, niet uit de wetsgeschiedenis of Bijlage 1 van de Ruwav. De rechtbank begrijpt de toelichting bij de herziening van de Wav en paragraaf 8.1.a.1. van Bijlage 1 van de Ruwav zo dat het prioriteitgenietend aanbod dat in de werkzoekendenbestanden en andere bronnen van het UWV naar voren komt, een reële basis moet bieden om te werven voor een specifieke functie. Naar het oordeel van de rechtbank kon het UWV in dit geval, gelet op de aantallen werkzoekenden zoals genoemd onder 7.4, tot de conclusie komen dat er voor de functie van zelfstandig werkend kok voldoende prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt is om uit te werven.
Voldoende wervingsinspanningen
Eiseres stelt dat de minister niet inzichtelijk maakt wanneer sprake is van voldoende wervingsinspanningen in de zin van de Ruwav en dat het besluit daarom op dat punt niet beoordeeld kan worden. Op dat punt heeft eiseres erop gewezen dat het UWV een niet openbare werkinstructie gebruikt, die inmiddels naar aanleiding van een verzoek op grond van de Wet open overheid openbaar is gemaakt.
Uit paragraaf 8.1.c. van Bijlage 1 bij de Ruwav volgt wanneer een werkgever voldoende wervingsinspanningen heeft verricht. Zo volgt uit de paragraaf dat de werkgever onder meer in verschillende media de vacature bekend moeten maken. Ook kan gedacht worden aan het benaderen door de werkgever van (internationale) uitzend- en detacheringsbureaus en bureaus voor werving en selectie. De werkgever heeft in ieder geval onvoldoende wervingsinspanningen verricht als hij niet via het EURES-systeem of op andere wijze in andere landen van de EER naar arbeidskrachten heeft gezocht. Verder volgt uit de paragraaf dat de werkgever verslag moet leggen van de resultaten van de werving. De minister heeft in zijn verweerschrift toegelicht dat er in de Ruwav voor gekozen is om het begrip ‘voldoende’ niet verder in te vullen, omdat de arbeidsmarkt fluctueert en per sector verschillend is. Afhankelijk van de arbeidsmarkt of de sector zal van een werkgever meer of minder worden verwacht. De rechtbank vindt die uitleg begrijpelijk. Een zekere vaagheid van een begrip is onvermijdelijk, omdat dat begrip in verschillende omstandigheden moet worden toegepast. In dit geval geldt de regeling voor alle arbeidsmarktsectoren waarin sprake is van prioriteitgenietend aanbod, waarbij aannemelijk is dat die markt fluctueert. De concrete toepassing van de norm moet dan gemotiveerd worden in een besluit.
Zoals het UWV op de zitting heeft toegelicht, kan een werkgever tegenbewijs leveren tegen het oordeel dat er prioriteitgenietend aanbod is voor zijn vacature door deze tijdig te melden en voldoende wervingsinspanningen aan te tonen. Als de werkgever daarin slaagt, neemt het UWV voor die specifieke functie bij die werkgever aan dat er geen prioriteitgenietend aanbod aanwezig is. Het UWV stelt vast dat referent vacatures heeft geplaatst, maar stelt dat referent daarbij een irreële functie-eis heeft gesteld. Er is geworven voor een zelfstandig werkend kok met een salaris dat hoort bij zelfstandig werkend kok I, terwijl de werkervaringseis hoort bij de functie van zelfstandig werkend kok II. Referent heeft in de vacatures namelijk gevraagd om een kandidaat die beschikt over minimaal twee jaar werkervaring. Het UWV stelt onder verwijzing naar het Register Referentiefuncties Horeca dat voor de functie van zelfstandig werkend kok I geen werkervaring vereist is. Ook heeft referent niet onderbouwd waarom uitsluitend een werknemer die beschikt over minimaal twee jaar werkervaring die functie kan vervullen. Het UWV stelt dat referent hierdoor een groep werkzoekenden op voorhand heeft uitgesloten, waardoor hij niet alle mogelijkheden heeft benut om prioriteitgenietend aanbod te werven. De rechtbank vindt die conclusie inzichtelijk en begrijpelijk. Het besluit is op dat punt dus voldoende gemotiveerd. Eiseres heeft verder niet gesteld dat die motivering tekortschiet in het licht van de werkinstructie die het UWV gebruikt.
Het standpunt van eiseres dat de minister ten onrechte van referent verlangt dat hij wervingsinspanningen verricht omdat algemeen bekend is dat er geen prioriteitgenietend aanbod is, volgt de rechtbank eveneens niet. Zoals de rechtbank hierboven heeft overwogen, kon het UWV namelijk tot de conclusie komen dat er prioriteitgenietend aanbod is.
Gelet op het bovenstaande heeft het UWV tot de conclusie kunnen komen dat er prioriteitgenietend aanbod is en dat referent onvoldoende wervingsinspanningen heeft verricht. Omdat de minister heeft voldaan aan zijn vergewisplicht, heeft hij het advies van het UWV aan zijn besluit ten grondslag mogen leggen.
De beroepsgrond slaagt niet.
Verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen
8. Eiseres heeft de rechtbank verder verzocht om een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen over het begrip prioriteitgenietend aanbod. Volgens eiseres is het onduidelijk wanneer sprake is van voldoende prioriteitgenietend aanbod. Eiseres vraagt zich af of de uitleg die de minister daaraan geeft verenigbaar is met artikel 11 van Richtlijn 2024/1233.
De rechtbank ziet geen aanleiding om een prejudiciële vraag te stellen. De omzettingstermijn van Richtlijn 24/1233 was ten tijde van het bestreden besluit namelijk nog niet verstreken. Daarnaast heeft eiseres niet onderbouwd waarom de (uitvoering van de) Wav in strijd zou zijn met artikel 11 van deze Richtlijn of met een van de andere bepalingen uit deze Richtlijn.
Is de afwijzing van de aanvraag in strijd met het recht op privéleven?
9. Eiseres vindt verder dat de afwijzing van de aanvraag in strijd is met het recht op privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Eiseres verblijft hier sinds 2022 en heeft hier een leven opgebouwd. Door de aanvraag te weigeren zet de minister een streep door dat privéleven.
De beroepsgrond slaagt niet. Eiseres heeft niet nader onderbouwd waar het privéleven van eiseres uit bestaat en op welke wijze het bestreden besluit in strijd is met het recht op privéleven.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. T.G. Bijvank, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.