RECHTBANK Den Haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/710034 / KG ZA 26-857
Vonnis in kort geding van 17 september 2026
in de zaak van
M.C.L. NETHERLANDS B.V. te Schiphol-Rijk,
eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident,
hierna te noemen: MCLN,
advocaat: mr. S.W. Holterman,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID) te Den Haag,
gedaagde in de hoofdzaak, verweerder in het incident,
hierna te noemen: het OM,
advocaat: mr. L. Sieverink,
en in het incident tot voeging van:
HET FINANCIEELE DAGBLAD B.V. te Amsterdam,
eiseres in het incident,
hierna te noemen: het FD,
advocaat: mr. J. van Vegchel.
1. De procedure
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 12;- de brief van het FD met de vordering tot voeging;
- de conclusie van antwoord van het OM met producties 1 en 2;
- de conclusie van antwoord in het incident tot voeging van MCLN;
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 3 september 2026. Tijdens de zitting hebben partijen hun standpunten toegelicht, mede aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd en aan het procesdossier zijn toegevoegd. Partijen hebben vragen van de voorzieningenrechter beantwoord. Aan het eind van de zitting heeft de voorzieningenrechter bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen.
2. De feiten
Op 21 februari 2024 heeft de officier van justitie een strafbeschikking tegen MCLN uitgevaardigd (hierna: de strafbeschikking). MCLN is niet in verzet gegaan tegen de strafbeschikking.
In de strafbeschikking is onder andere opgenomen:
“Het Openbaar Ministerie zal geen persberichten verspreiden met betrekking tot deze strafbeschikking. Indien het Openbaar Ministerie, al dan niet op grond van een wettelijke verplichting, aanleiding ziet om op publicaties van derden te reageren, zal deze reactie vooraf aan MCLN ter kennisgeving en becommentariëring worden gestuurd.”
In 2025 is MCLN bij de rechtbank Amsterdam een procedure gestart tegen ING Bank N.V. Op 24 december 2025 is in die procedure vonnis gewezen, welk vonnis op 3 februari 2026 is gepubliceerd. In dat vonnis is onder de feiten onder andere vermeld dat het OM in de strafbeschikking MCLN heeft bevolen om € 17,5 miljoen te betalen aan het OM.
Op 9 juni 2026 heeft het OM aan MCLN bericht dat een journalist van het FD vragen heeft gesteld over het onderzoek dat heeft geleid tot de strafbeschikking. Het OM heeft de antwoorden die het OM voornemens was te geven, voorgelegd aan MCLN. MCLN heeft het OM verzocht om geen antwoord te geven aan het FD en anders om bepaalde opmerkingen te verwerken. Het OM heeft vervolgens gereageerd op de vragen van het FD.
Op 22 juni 2026 heeft het FD een artikel gepubliceerd waarin wordt verwezen naar MCLN en de strafbeschikking.
In juli 2026 heeft het OM een brief ontvangen van het FD, met het verzoek om een afschrift te verstrekken van de strafbeschikking op grond van artikel 257h lid 2 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).
Het OM heeft MCLN geïnformeerd over dit verzoek van het FD. Daarbij heeft het OM ook een geanonimiseerde versie van de strafbeschikking meegestuurd die het OM voornemens is aan het FD te verstrekken.
Op 22 juli 2026 heeft MCLN het OM gesommeerd om geen afschrift van de strafbeschikking aan het FD te verstrekken.
3. Het geschil
In het incident
Het FD heeft in het incident gevorderd dat zij wordt toegelaten als voegende partij aan de zijde van het OM. MCLN heeft daartegen verweer gevoerd en de Staat heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de voorzieningenrechter.
In de hoofdzaak
MCLN vordert – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. het OM te verbieden (iedere vorm van afschrift van) de strafbeschikking van 21 februari 2024 (al dan niet geanonimiseerd) te verstrekken aan het FD;
II. aan de veroordeling onder I een direct opeisbare dwangsom te verbinden van € 1.000.000, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag; en
III. het OM te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente als deze niet worden betaald.
MCLN legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. Het OM is niet verplicht om op grond van artikel 257h lid 2 Sv een afschrift van de strafbeschikking te verstrekken. Het OM moet in dit geval afzien van het verstrekken van een afschrift, met het oog op de zwaarwegende belangen van MCLN bij het niet openbaar worden daarvan. Als het OM een afschrift van de strafbeschikking aan het FD verstrekt, zal het FD zeer waarschijnlijk een nieuw artikel publiceren waarin deze informatie in een onjuiste of suggestieve context wordt geplaatst. Dat heeft het FD eerder namelijk ook gedaan met informatie die zij over deze strafbeschikking heeft ontvangen van het OM. Deze te verwachten publicatie is schadelijk voor de reputatie van MCLN. Het verstrekken van het afschrift is daarnaast in strijd met de essentie van de tussen partijen overeengekomen publiciteitsbeperking. Ten slotte moet een afweging van belangen in deze procedure in het voordeel van MCLN uitvallen, gezien de reputatieschade die MCLN kan leiden en het feit dat het verstrekken van een afschrift van de strafbeschikking onomkeerbaar is.
Het OM voert verweer dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4. De beoordeling
in het incident
Voorafgaand aan de behandeling van de hoofdzaak is de vordering tot voeging besproken en is daarop beslist. De voorzieningenrechter heeft als volgt geoordeeld.
Eenieder die belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, kan vorderen zich daarin te mogen voegen (artikel 217 Rv). Voor het aannemen van een zodanig belang is voldoende dat het FD (die voeging heeft gevorderd), nadelige gevolgen kan ondervinden van een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor het OM (aan wiens kant het FD zich wilde voegen). Onder nadelige gevolgen zijn in dit verband te verstaan de feitelijke of juridische gevolgen die de toewijzing van de in deze procedure ingestelde vordering zal kunnen hebben voor het FD. Een vordering tot voeging kan worden afgewezen wegens strijd met de eisen van de goede procesorde of wegens misbruik van procesrecht.
Aan het vereiste dat het FD nadeel kan ondervinden van een toewijzing van de vorderingen van MCLN, is voldaan. Het gevolg van een toewijzing zou namelijk zijn dat het FD het (door haar gewenste) afschrift van de strafbeschikking niet krijgt. De voorzieningenrechter heeft de vordering tot voeging desondanks afgewezen. Daarvoor is het volgende redengevend.
Voor een verzoeker van een afschrift van een strafbeschikking, zoals in deze kwestie het FD, staat een eigen rechtsmiddel open indien een verzoek tot afschrift wordt afgewezen. Uit artikel 257h lid 3 Sv vloeit voort dat een verzoeker die geen afschrift verkrijgt, een klaagschrift kan indienen dat vervolgens wordt behandeld door de (straf)raadkamer. In die procedure zijn de procesdeelnemers niet bevoegd om kennis te nemen van de processtukken, behalve voor zover de rechtbank dat toelaat. Volledige inzage in de processtukken zou immers inzage in de strafbeschikking met zich brengen.
Dit betekent dat het FD, in het geval dat in dit kort geding het OM zou worden verboden om de strafbeschikking te verstrekken, de mogelijkheid heeft om via de route van artikel 257h lid 3 Sv op te komen tegen de weigering om de strafbeschikking te verstrekken. Tegen die achtergrond is voeging in strijd met de goede procesorde, en wellicht ook misbruik van recht. Bij voeging in deze procedure dient immers aan het FD, als procespartij, het procesdossier te worden verstrekt, waarvan de door het OM in het geding gebrachte, deels geanonimiseerde, strafbeschikking deel uitmaakt. Het toestaan van voeging zou dus meebrengen dat het FD de beschikking krijgt over de strafbeschikking. Het FD heeft ter zitting ook aangegeven dat zij toegang wenst tot het procesdossier, dus inclusief de door het OM in het geding gebrachte geschoonde versie van de strafbeschikking. Kortom: als de voeging zou worden toegelaten, dan zou daarmee dit kort geding zinledig worden.
Het FD wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. Deze worden aan de zijde van MCLN en het OM begroot op nihil.
in de hoofdzaak
In geschil is de vraag of het OM moet worden verboden om een (geanonimiseerd) afschrift van de strafbeschikking aan het FD te verstrekken.
Een strafbeschikking is een vorm van buitengerechtelijke afdoening van strafzaken, waarmee het OM zelf een strafbaar feit kan vervolgen en bestraffen. Zij strekt niet – zoals bij een transactie met het OM – ter voorkoming van vervolging, maar een strafbeschikking levert een bestraffing op die op een vaststelling van schuld aan een strafbaar feit is gebaseerd. Een strafbeschikking komt wat haar rechtskarakter betreft meer overeen met een rechterlijke veroordeling. Daarbij past – in het kader van openbare rechtspraak – dat voorschriften bestaan ten aanzien van de wijze waarop aan strafbeschikkingen publiciteit wordt gegeven.
Daarin voorziet artikel 257h Sv. Op grond van artikel 257h lid 2 Sv verstrekt de officier van justitie desgevraagd een afschrift van een strafbeschikking aan ieder ander dan de verdachte of zijn raadsman, tenzij verstrekking naar het oordeel van de officier van justitie ter bescherming van de belangen van degene ten aanzien van wie de strafbeschikking is uitgevaardigd of van de derden die in de strafbeschikking worden genoemd, geheel of gedeeltelijk dient te worden geweigerd. In het laatste geval kan de officier van justitie een geanonimiseerd afschrift van de strafbeschikking verstrekken.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het uitgangspunt van deze regeling is dat een gevraagd afschrift moet worden verstrekt, en dat een afschrift alleen bij uitzondering wordt geweigerd ter bescherming van de belangen van degene ten aanzien van wie de strafbeschikking is uitgevaardigd. Dat volgt ten eerste uit de tekst van het artikel en ten tweede uit de hiervoor beschreven achtergrond daarvan. Het doel van artikel 257h Sv is, zoals het OM terecht betoogt, dat recht wordt gedaan aan de openbaarheid van de strafrechtspleging en de controleerbaarheid daarvan. Een strafbeschikking kan in beginsel dus openbaar worden gemaakt, en degene jegens wie de strafbeschikking is opgelegd kan niet bepalen of deze geheim blijft. Die beslissing is aan het OM.
Partijen zijn het erover eens dat het OM wel kan weigeren een gevraagd afschrift te verstrekken, en dat het OM daarvoor een belangenafweging moet maken. Daarbij heeft het OM een zekere beoordelingsvrijheid, zoals volgt uit de tekst van artikel 257h lid 2 Sv (‘naar het oordeel van de officier van justitie’). De voorzieningenrechter deelt niet het standpunt van het OM dat dit meebrengt dat de burgerlijke rechter (in dit kort geding) helemaal geen bevoegdheid toekomt om over die beslissing van het OM te oordelen. Dat de wet niet voorziet in een mogelijkheid voor de bestrafte, in dit geval MCLN, om bezwaar te maken tegen afgifte, betekent niet dat daarom helemaal geen plaats is voor de burgerlijke rechter. MCLN heeft anders geen enkele mogelijkheid om de beslissing van het OM te laten toetsen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is zij dus wel bevoegd om over deze beslissing van het OM te oordelen.
De voorzieningenrechter volgt het OM echter wel in zijn standpunt dat de burgerlijke rechter de beslissing van het OM om het afschrift wel of niet te verstrekken niet opnieuw in volle omvang kan toetsen. Uit artikel 257h lid 2 Sv volgt dat de officier van justitie een eigen afweging moet maken. De wet voorziet niet in rechterlijk toezicht van de burgerlijke rechter op de wijze waarop het OM tot een dergelijke beslissing is gekomen ten opzichte van degene jegens wie de strafbeschikking is opgelegd. Het OM heeft, gezien zijn plaats en taak in het Nederlandse rechtsbestel, een grote mate van beleidsruimte. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan daarom hoogstens aanleiding bestaan tot ingrijpen van de burgerlijke rechter (in dit geval door middel van een verbod) als de keuze die het OM maakt in redelijkheid niet navolgbaar is.
In dit geval is daarvan geen sprake. Het OM wijst erop dat de strafbeschikking een daad van vervolging en strafvaststelling is die tot stand komt zonder openbare zitting en zonder rechterlijke tussenkomst. Zonder een openbaarheids- en verstrekkingsregeling zou een aanzienlijk deel van strafrechtelijke bestraffing zich geheel buiten het publieke domein voltrekken. Dat zou een afwijking vormen van het openbaarheidsbeginsel dat voor strafzittingen voortvloeit uit de Grondwet en uit artikel 6 van het EVRM. Het OM neemt, terecht, tot uitgangspunt dat artikel 257h Sv uitgaat van verstrekking van een afschrift van een strafbeschikking en dat de in het tweede lid van artikel 257h Sv opgenomen mogelijkheid om van verstrekking af te zien het mogelijk maakt om in uitzonderlijke gevallen af te wijken van het uitgangspunt van verstrekking. In het licht daarvan noemt het OM als mogelijke uitzonderlijke uitzonderingssituaties waarin geen afschrift van een strafbeschikking wordt verstrekt, gevallen waarin de veiligheid in het geding is of zwaarwegende belangen van minderjarigen een rol spelen. De mogelijke (negatieve) aandacht van de pers die MCLN vreest, is volgens het OM niet zo’n uitzonderingssituatie maar een gevolg dat inherent is aan het beginsel van openbare rechtspraak dat aan artikel 257h lid 2 Sv ten grondslag ligt. Daarom meent het OM dat geen sprake is van een uitzondering zoals bedoeld in artikel 257h lid 2 Sv en dat het daarom wettelijk verplicht is om het afschrift te verstrekken. Dat het OM met inachtneming van de door MCLN genoemde belangen en gezien het doel en de strekking van artikel 257h lid 2 Sv tot deze beslissing is gekomen, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in redelijkheid onnavolgbaar.
MCLN stelt daarnaast dat uit de strafbeschikking zelf volgt dat het OM aan publiciteitsbeperking zal doen, wat volgens MCLN meebrengt dat het OM geen ruchtbaarheid aan de strafbeschikking zou geven. Dat standpunt volgt de voorzieningenrechter niet. Uit de passage in de strafbeschikking waarnaar MCLN verwijst volgt dat (i) het OM geen persberichten met betrekking tot de strafbeschikking naar buiten zal brengen en (ii) indien het OM, al dan niet op grond van een wettelijke verplichting, aanleiding ziet om op publicaties van derden te reageren, een eventuele reactie vanuit het OM op publicaties van derden vooraf aan MCLN zal worden gestuurd en dat MCLN deze reactie desgewenst kan becommentariëren. Uit de bewoordingen van deze passage kan niet worden afgeleid dat het OM zich heeft verbonden om, zoals MCLN kennelijk meent, de strafbeschikking niet aan derden te verstrekken. De voorzieningenrechter volgt het OM dan ook in het standpunt dat de essentie van deze twee elementen niet is dat het OM in voorkomend geval niet zal voldoen aan de verplichting een afschrift van de strafbeschikking te verstrekken en evenmin dat de belangen van MCLN, wat die ook moge zijn, zonder meer zwaarder wegen dat het belang van openbaarheid van rechtspleging en verstrekking van het afschrift. Het OM heeft er terecht op gewezen dat het element onder (ii) juist uitgaat van de mogelijkheid dat de strafbeschikking op enig moment bij een derde bekend wordt en dat daarover vervolgens wordt gepubliceerd. Verstrekking van de strafbeschikking aan het FD is naar voorlopig oordeel dan ook niet in strijd met de onder 2.2 weergegeven passage uit de strafbeschikking.
Ook een afweging van de betrokken belangen leidt niet tot het oordeel dat de verstrekking van de strafbeschikking moet worden verboden. Het algemeen belang, dat het OM dient, dat in overeenstemming met het doel van artikel 257h Sv recht wordt gedaan aan de openbaarheid van de strafrechtspleging en de controleerbaarheid daarvan, weegt zwaarder dan dat van MCLN bij het voorkomen van reputatieschade door inhoudelijk onjuiste of suggestieve perspublicaties over (het) door haar blijkens de strafbeschikking gepleegde strafbare feit(en).
Het door MCLN gevorderde verbod om het afschrift te verstrekken – en daarmee ook de onder II gevorderde dwangsom – wordt dus afgewezen.
Proceskosten
MCLN is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van het OM worden begroot op:
- griffierecht
€
735
- salaris advocaat
€
1.177
- nakosten
€
189
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.101
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
in het incident
wijst de vordering tot voeging af;
veroordeelt het FD in de proceskosten, aan de zijde van MCLN en het OM begroot op nihil;
in de hoofdzaak
wijst de vorderingen van MCLN af;
veroordeelt MCLN in de proceskosten van € 2.101, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als MCLN niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet MCLN € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2026.
3557