RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.52231
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers)
en
(gemachtigde: mr. L. Hartog).
Procesverloop
Met het bestreden besluit van 6 september 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2026 op zitting behandeld. Eiser is, met behulp van een beeldverbinding, verschenen, bijgestaan door mr. S.A.M. Fikken als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiser is geboren op [datum] 1990 en heeft de Turkse nationaliteit.
Toetsingskader
2. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
Rechtsgeldigheid terugkeerbesluit
3. Eiser voert aan dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat een rechtsgeldig terugkeerbesluit is uitgereikt en dit betekent dat de maatregel van vreemdelingenbewaring onrechtmatig is. Hij stelt dat hij het voornemen van 25 juni 2026 tot intrekking van zijn verblijfsvergunning en het opleggen van een terugkeerbesluit, alsmede de beschikking van 16 juli 2026 waarbij daartoe is besloten, nooit heeft ontvangen. Deze stukken zijn door verweerder verzonden naar een adres in Turkije. Daarmee is volgens eiser ook nog eens sprake van een tegenstrijdigheid, omdat ervan wordt uitgegaan dat hij zich reeds in Turkije bevond en dus al aan de terugkeerverplichting had voldaan.
4. De rechtbank stelt vast dat uit de overgelegde stukken blijkt dat de verblijfsvergunning van eiser destijds is ingetrokken omdat hij niet langer voldeed aan de beperking van de verblijfsvergunning, namelijk hoofdverblijf in Nederland. Op dat moment is ook een terugkeerbesluit aan eiser opgelegd. Dit staat in rechte vast. Uit het proces-verbaal van gehoor van 6 september 2026 en de overgelegde stukken blijkt dat eiser zich op 14 december 2025 heeft laten uitschrijven uit de BRP wegens emigratie naar Turkije. Dit heeft eiser ter zitting bevestigd. Uit het proces-verbaal van gehoor volgt verder dat het adres waarnaar verweerder zowel het voornemen als de beschikking heeft toegestuurd, eisers adres in Turkije is. Dit is tevens het adres dat eiser bij zijn uitschrijving uit de BRP op 14 december 2025 heeft opgegeven. Dat eiser nu stelt de stukken van de intrekking en het opgelegde terugkeerbesluit niet te hebben, komt voor zijn rekening en risico. Dit raakt niet aan de rechtsgeldigheid van het terugkeerbesluit. De stelling van eiser dat uit de uitschrijving uit de BRP zou blijken dat hij is teruggekeerd naar Turkije en het terugkeerbesluit daarom dus niet langer rechtsgeldig is volgt de rechtbank niet. Uit het proces-verbaal van gehoor en hetgeen eiser ter zitting heeft verklaard, blijkt dat hij Nederland niet daadwerkelijk heeft verlaten en niet heeft voldaan aan de verplichting tot terugkeer. Eiser heeft immers verklaard al ongeveer elf jaar in Nederland te zijn en in die periode slechts één keer naar Turkije te zijn geweest, ongeveer tweeënhalf jaar geleden. Ter zitting heeft eiser bovendien verklaard dat hij ten tijde van het uitbrengen van het terugkeerbesluit in Nederland verbleef en voor verschillende werkgevers werkte. Gelet hierop heeft eiser niet aan de terugkeerverplichting voldaan, zodat het terugkeerbesluit nog van kracht is. De rechtbank is daarom van oordeel dat aan de voorwaarde dat een rechtsgeldig terugkeerbesluit is uitgereikt, is voldaan.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
5. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat deze wordt gevorderd door het belang van de openbare orde, omdat er een onderduikrisico bestaat. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
6. Verweerder heeft ter zitting grond t laten vallen.
7. Eiser betwist grond b, omdat verweerder het voornemen van 25 juni 2026 en de beschikking van 16 juli 2026 naar een adres in Turkije heeft verzonden en er daarmee van wordt uitgegaan dat hij zich reeds in Turkije bevond en aan de terugkeerverplichting had voldaan.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de gronden b, p en r terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Ten aanzien van grond b verwijst de rechtbank naar hetgeen onder rechtsoverweging 4 is overwogen. Ten aanzien van de gronden p en r is de rechtbank van oordeel dat deze gronden voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel. De gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onderduiken bestaat.
Ambtshalve toets
9. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van vreemdelingenbewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
10. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 15 september 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.