RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 september 2026 in de zaak tussen
[Naam verzoeker] , verzoeker
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 26/15456
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. H. Loth),
en
(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).
Procesverloop
Bij besluit van 25 augustus 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder op grond van artikel 8, aanhef en onder f, sub 2, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) bepaald dat verzoeker geen rechtmatig verblijf heeft in afwachting van een beslissing op zijn asielaanvraag van 24 augustus 2026.
Verzoeker heeft op 12 september 2026 bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Tevens heeft hij op 14 september 2026 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen teneinde de werking van het bestreden besluit te schorsen.
De voorzieningenrechter heeft verweerder in de gelegenheid gesteld om te reageren op het verzoek om een voorlopige voorziening.
Verweerder heeft op 15 september 2026 een schriftelijke reactie ingediend.
De voorzieningenrechter heeft vervolgens verzoeker in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren.
Verzoeker heeft op 15 september 2026 een schriftelijke reactie ingediend.
De voorzieningenrechter heeft partijen telefonisch en per e-mail vervolgens in de gelegenheid gesteld om te reageren op elkaars standpunten. Daarbij heeft de voorzieningenrechter partijen in het bijzonder gevraagd een nadere toelichting te geven en duidelijkheid te verschaffen over de bij het bestreden besluit betrokken documenten.
Verweerder en verzoeker hebben hierop reacties ingediend.
Omdat onverwijlde spoed dat vereist doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder partijen uit te nodigen voor een zitting.
De voorzieningenrechter heeft partijen per e-mail bericht dat het onderzoek is gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Op grond van 8:83, vierde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken aangezien verweerder voornemens is verzoeker op zeer korte termijn, namelijk op 16 september 2026, uit te zetten naar zijn land van herkomst Comoren.
Eerste asielaanvraag
3. Verzoeker stelt de Comorese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] . Op [datum] is hij Nederland ingereisd. Verzoeker heeft eerder, op 29 april 2026, een asielaanvraag ingediend. Daar heeft hij het navolgende aan ten grondslag gelegd. In [datum] is hij lid geworden van de Huri oppositiepartij. Verzoeker reed als chauffeur mensen naar bijeenkomsten van de partij. In december 2025 heeft verzoeker voor het laatst een bijeenkomst bijgewoond. Naar aanleiding daarvan werd hij gezocht door de autoriteiten aan de hand van foto’s. Om die reden is hij vertrokken naar Tanzania. Ook daar hoorde verzoeker dat hij gezocht werd. Daarom is hij ook uit Tanzania vertrokken.
4. Bij besluit van 13 mei 2026 heeft verweerder deze asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep tegen dit besluit is door deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, bij uitspraak van 27 juli 2026 (NL26.28135 en NL26.28136) ongegrond verklaard. Deze uitspraak is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigd, zodat de afwijzing van verzoekers eerste asielaanvraag in rechte vaststaat.
Bestreden besluit
5. Verzoeker heeft vervolgens op 24 augustus 2026 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Verzoeker stelt dat hij thans over nieuwe documenten beschikt ter onderbouwing van zijn asielrelaas.
6. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat verzoeker weliswaar nieuwe documenten heeft ingebracht, maar dat deze onvoldoende zijn om tot een ander oordeel te komen dan in het besluit tot afwijzing van de eerste asielaanvraag. Verzoeker heeft allereerst een kopie van een aanhoudingsbevel overgelegd. Dit stuk is echter al betrokken bij de eerdere procedure. Dit stuk kan niet op authenticiteit worden onderzocht, en bovendien is over dit document eerder reeds geoordeeld dat de inhoud niet strookt met de verklaringen van verzoeker. Daarnaast heeft verzoeker een kopie van een lidmaatschapsbewijs van de oppositiepartij overgelegd. Dit stuk kan ook niet op authenticiteit worden onderzocht. Daarnaast geldt dat verzoeker tijdens zijn eerste asielprocedure heeft verklaard dat een dergelijk lidmaatschapsbewijs niet bestaat. De overgelegde documenten maken de kans op internationale bescherming niet aanzienlijk groter. Daarnaast heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat verzoeker zijn asielaanvraag verwijtbaar te laat heeft ingediend en louter heeft ingediend met het oogmerk om zijn feitelijke uitzetting uit Nederland te frustreren. Uit zijn verklaringen volgt namelijk dat verzoeker al langere tijd beschikte over de nieuwe documenten maar tot acht dagen voor zijn feitelijke uitzetting heeft gewacht om zijn asielwens kenbaar te maken. Gelet op het voorgaande, heeft verweerder bij het bestreden besluit op grond van artikel 8, aanhef en onder f, sub 2, van de Vw en artikel 10, vierde lid, onder a, van de Verordening (EU) 2024/1348 (Procedureverordening) bepaald dat verzoeker geen rechtmatig verblijf heeft in afwachting van een beslissing op zijn opvolgende asielaanvraag.
Standpunt verzoeker
7. Verzoeker betoogt dat verweerder de door hem ingebrachte documenten ten onrechte als niet-relevante nieuwe elementen terzijde heeft geschoven. De enkele omstandigheid dat dit geen originele documenten zijn, maakt volgens verzoeker nog niet dat hier geen gewicht aan kan worden toegekend. Verweerder heeft ten onrechte nagelaten de overgelegde documenten in samenhang met zijn verklaringen te beoordelen. Bovendien is niet gebleken dat de overgelegde documenten niet kunnen worden onderzocht nu deze niet aan Bureau Documenten zijn voorgelegd. Daarnaast betoogt verzoeker, zo begrijpt de voorzieningenrechter, dat verweerder hem ten onrechte schorsende werking heeft onthouden en dat de belangenafweging in zijn voordeel uit dient te vallen.
Voorlopig oordeel voorzieningenrechter
8. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld – kortgezegd – dat het door verzoeker ingebrachte aanhoudingsbevel (althans de kopie daarvan) en het lidmaatschapsbewijs (althans de kopie daarvan) de kans op internationale bescherming niet aanzienlijk groter maken. De voorzieningenrechter stelt verder vast dat verzoeker in zijn bezwaarschrift tegen het bestreden besluit verwijst naar een ‘gerechtelijk document’. Het is de voorzieningenrechter niet duidelijk of hiermee wordt gedoeld op het aanhoudingsbevel met de dagtekening [datum] of op een ander document. De voorzieningenrechter heeft verzoeker vervolgens in de gelegenheid gesteld om nader te verduidelijken welke documenten hij heeft overgelegd in het kader van de asielaanvraag. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter verweerder verzocht hem te informeren of het ‘gerechtelijke document’ waar verzoeker naar verwijst, is betrokken bij het bestreden besluit en zo niet, wat hiervan de gevolgen zijn.
9. De voorzieningenrechter heeft van verweerder per e-mail een nadere toelichting ontvangen waarin verweerder stelt dat “het stuk” eerst hangende het verzoek is ingebracht door verzoeker en dat “het stuk (een kopie van een arrestatiebevel)” niet maakt dat het bestreden besluit onrechtmatig is en dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Het stuk waar verzoeker naar verwijst is volgens verweerder immers een kopie en kan derhalve niet op echtheid worden onderzocht, dateert van [datum] en had daarmee eerder ingebracht kunnen worden en uit de inhoud volgt slechts dat verzoeker wordt gezocht door de autoriteiten in verband met commune delict(en).
10. Hoewel de voorzieningenrechter partijen herhaaldelijk in de gelegenheid heeft gesteld om toelichtingen te geven over de in het kader van de opvolgende asielaanvraag ingediende documenten en partijen ook daadwerkelijk meerdere keren een schriftelijke reactie hebben ingediend, is het de voorzieningenrechter desondanks niet duidelijk geworden wat nu de exacte feitelijke omvang van het geding is, in die zin dat niet duidelijk is geworden welke stukken nu zijn ingediend ten behoeve van de opvolgende asielaanvraag, op welk momenten die stukken zijn ingediend, en welke stukken verweerder nu precies wel of juist niet heeft onderzocht (tijdens het gehoor) en beoordeeld en bij het bestreden besluit heeft betrokken. De laatste schriftelijke reactie van verweerder is kenmerkend voor de onduidelijkheid die op dit moment in deze zaak bestaat. Die reactie lijkt namelijk te zien op het aanhoudingsbevel van [datum] , waarop in het bestreden besluit al is ingegaan, maar waarvan verweerder nu stelt dat hij dat document niet in het dossier heeft aangetroffen. In ieder geval ziet die reactie niet op het ‘gerechtelijke document’ waar verzoeker in zijn bezwaarschrift en zijn nadere schriftelijke reactie van 15 september 2026 naar heeft verwezen en waarover de voorzieningenrechter verweerder om een toelichting had gevraagd.
11. De voorzieningenrechter hecht eraan op te merken dat deze onduidelijkheid te wijten is aan zowel verweerder als verzoeker.
12. Bij deze onduidelijke feitelijke stand van zaken kan de voorzieningenrechter niet anders concluderen dan dat het bestek van deze voorlopige voorzieningenprocedure in het kader van het vreemdelingenpiket zich niet leent voor het inhoudelijke oordeel of het bezwaar tegen het bestreden besluit een redelijke kans van slagen heeft. Daarvoor is de termijn waarbinnen verweerder voornemens is verzoeker uit te zetten naar zijn land van herkomst te kort. Dit maakt dat de voorzieningenrechter zal volstaan met een belangenafweging. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient die belangenafweging in het voordeel van verzoeker uit te vallen. Hij wordt immers met uitzetting naar zijn land van herkomst bedreigd. De gevolgen hier van zijn nagenoeg onomkeerbaar zijn en zijn uitzetting brengt mogelijk een refoulementrisico met zich. Daartegenover staat het belang van verweerder bij een snelle uitzetting. Dit belang acht de voorzieningenrechter minder zwaarwegend dan dat van verzoeker. Het enkele feit dat verweerder een vlucht voor verzoeker heeft geboekt weegt niet tegen het belang van verzoeker op. Een toegewezen verzoek om een voorlopige voorziening heeft bovendien slechts een tijdelijk karakter en zal louter leiden tot een tijdelijk rechtmatig verblijf van verzoeker in afwachting van een beslissing op zijn opvolgende asielaanvraag. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat verweerder zelf in de hand heeft hoe lang die periode duurt.
Conclusie
13. De voorzieningenrechter wijst het gevraagde verzoek om een voorlopige voorziening gezien het voorgaande toe, hetgeen inhoudt dat het bestreden besluit wordt geschorst. Voor zover nodig treft de voorzieningenrechter verder de voorlopige voorziening dat verzoeker niet mag worden uitgezet totdat door verweerder is beslist op zijn opvolgende asielaanvraag.
14. Omdat het verzoek wordt toegewezen, veroordeelt de voorzieningenrechter verweerder in de proceskosten die verzoeker heeft gemaakt. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B. Tijssen, griffier. Deze uitspraak is openbaar gemaakt door publicatie daarvan op rechtspraak.nl op 15 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: