RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.48509
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. M.M. van Daalhuizen),
en
(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).
Procesverloop
Met het besluit van 21 augustus 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Verweerder heeft de rechtbank hiervan in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 27 augustus 2026 op zitting behandeld. De gemachtigden van eiser en verweerder zijn verschenen. Eiser heeft, door middel van een ondertekende afstandsverklaring, afstand gedaan van zijn recht om ter zitting te worden gehoord.
Overwegingen
Bewaringsgronden
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, met toepassing van artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiser betwist grond r.
De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden a, b, h, p en s, en de daarop gegeven toelichtingen, niet heeft betwist. Deze onbestreden gronden en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen, in onderling verband en samenhang bezien, de maatregel van bewaring al dragen. Er volgt namelijk uit dat er een onderduikrisico bestaat. Gelet hierop behoeft de betwiste grond r geen inhoudelijke bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
2. Eiser voert aan dat er een lichter middel, zoals een meldplicht, had moeten worden toegepast. Hij stelt opnieuw te kunnen verblijven op het woonadres waar hij verbleef toen hij in Nederland werkte.
Gelet op de onder 1.2 genoemde dragende gronden en op de omstandigheden genoemd in de toelichting op die gronden, en meer specifiek op de omstandigheden dat eiser zonder geldig identificerend document Nederland is ingereisd, eerder naar Polen is uitgezet (op 21 juni 2026) maar één dag later weer naar Nederland is teruggekeerd en te kennen heeft gegeven dat hij ook deze keer weer meteen naar Nederland zal terugkeren als hij wordt uitgezet naar Polen, uit welke gronden en omstandigheden tezamen een fors onderduikrisico voortvloeit, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd en terecht op het standpunt heeft gesteld dat er in dit geval geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Eisers enkele, overigens niet-onderbouwde, stelling dat hij op zijn eerdere woonadres kan verblijven, is in het licht van voormelde omstandigheden onvoldoende om te oordelen dat verweerder met een lichter middel had moeten volstaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Slotsom beroepsgronden
3. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgronden van eiser niet leiden tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Ambtshalve toetsing
4. Ook los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was (vgl. de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647, Adrar).
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gezien het voorgaande ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.