ECLI:NL:RBDHA:2026:26895

ECLI:NL:RBDHA:2026:26895

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-09-2026
Datum publicatie 16-09-2026
Zaaknummer NL26.48556
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

bewaring, beroep, bewaringsgronden, ambtshalve toetsing, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.48556

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. F.H. Bruggink),

en

(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).

Procesverloop

Met het besluit van 22 augustus 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Verweerder heeft de rechtbank hiervan in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 27 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [persoon A] .

Overwegingen

Bewaringsgronden

1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, met toepassing van artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Namens eiser zijn de gronden a en b betwist. Ten aanzien van grond a is aangevoerd dat eiser als Georgiër de Europese Unie zonder visum mag inreizen, zodat aan hem niet kan worden tegengeworpen dat hij Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. Over grond b is aangevoerd dat eiser het terugkeerbesluit van 6 juli 2026 nooit heeft ontvangen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat grond b zich feitelijk voortdoet. Bij (meeromvattende) beschikking van 6 juli 2026 is aan eiser een terugkeerbesluit, zonder vertrektermijn, opgelegd. Eiser heeft geen gevolg gegeven aan de uit dit terugkeerbesluit voortvloeiende vertrekplicht, nu hij immers de Europese Unie niet heeft verlaten. Dat eiser de beschikking nooit heeft ontvangen, komt voor zijn rekening en risico nu hij er zelf voor heeft gekozen met onbekende bestemming te vertrekken. Daarbij komt dat niet is betwist dat de beschikking, door terinzagelegging op het aanmeldcentrum in [plaats] , op de juiste wijze bekend is gemaakt. De rechtbank is gezien het voorgaande van oordeel dat verweerder grond b aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft kunnen leggen.

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich ook terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat grond o zich feitelijk voordoet. Eiser is namelijk op 4 juli 2026 met onbekende bestemming uit de asielopvang vertrokken, reden waarom zijn asielaanvraag bij beschikking van 6 juli 2026 buiten behandeling is gesteld. Verweerder heeft grond o dan ook eveneens aan de maatregel van bewaring ten grondslag kunnen leggen.

De rechtbank stelt verder vast dat eiser onder meer de gronden p en r, en de daarop gegeven toelichtingen, niet heeft betwist. Deze onbestreden gronden en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, heeft verweerder eveneens aan de maatregel van bewaring ten grondslag kunnen leggen.

De onder 1.2. tot en met 1.4. vermelde gronden, in onderling verband en samenhang bezien, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring al dragen. Er volgt namelijk uit dat er een onderduikrisico bestaat. Gelet hierop behoeft de betwiste grond a geen inhoudelijke bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.

Slotsom beroepsgrond

2. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgrond van eiser niet leidt tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.

Ambtshalve toetsing

3. Ook los van de door eiser aangevoerde beroepsgrond, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was (vgl. de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647, Adrar).

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gezien het voorgaande ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. F.A. Groeneveld

Griffier

  • mr. D.M. Abrahams

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand