RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.46920
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en
(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).
Procesverloop
Verweerder heeft op 15 juli 2026 aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft op 17 augustus 2026 tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 27 augustus 2026 op zitting behandeld. Verschenen zijn: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Inleiding
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 29 juli 2026 (in de zaak NL26.39290) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek (op 21 juli 2026) dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 21 juli 2026. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 21 juli 2026 tot 27 augustus 2026.
Zicht op uitzetting
3. Eiser betoogt dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Egypte ontbreekt. Daartoe voert hij aan dat hij ongedocumenteerd is en dat verweerder tot op heden geen reactie heeft ontvangen van de Egyptische autoriteiten op de in april 2026 ingediende aanvraag tot afgifte van een laissez-passer (lp).
De rechtbank overweegt dat er in zijn algemeenheid zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Egypte bestaat. De rechtbank baseert zich hierbij mede op de door verweerder ter zitting gegeven informatie. Daaruit blijkt dat er in de periode van 1 januari 2026 tot en met 30 juni 2026 elf lp-aanvragen zijn ingediend bij de Egyptische autoriteiten en dat er zeven nationaliteitsbevestigingen hebben plaatsgevonden. Hoewel er in genoemde periode nog geen lp’s zijn afgegeven, geven de Egyptische autoriteiten in het algemeen wel lp’s af. De gemiddelde doorlooptijd voor afgifte van een lp door de Egyptische autoriteiten bedraagt 161 dagen. Verder heeft er in voornoemde periode één gedwongen vertrek naar Egypte met een (al eerder afgegeven) lp plaatsgevonden en één zelfstandig vertrek op basis van een (al eerder afgegeven) lp.
Over het zicht op uitzetting in het concrete geval van eiser, overweegt de rechtbank als volgt. De op 8 april 2026 ingediende lp-aanvraag is nog in behandeling bij de Egyptische autoriteiten. Dat er tot op heden geen (positieve) reactie van de Egyptische autoriteiten op de lp-aanvraag is ontvangen, betekent, mede gelet op wat er onder 3.1. is overwogen, niet dat thans in eisers geval het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Met een lp-traject gaat in het algemeen de nodige tijd (gemiddeld 161 dagen) gemoeid, zeker als een vreemdeling, zoals in het geval van eiser, al langere tijd weg is uit zijn land van herkomst en geen enkel document over zijn identiteit en nationaliteit overlegt. De rechtbank wijst er in dit verband op dat op eiser de verplichting rust om volledig en actief mee te werken aan zijn lp-traject. Eiser doet dat niet. Zo heeft eiser tijdens het vertrekgesprek van 16 juli 2026 verklaard dat hij zijn broer wel documenten (zoals een identiteitskaart) zou kunnen laten opsturen, maar dat dit niet gaat gebeuren en dat hij alleen in vrijheid wel iets kan regelen. Er zijn door eiser verder geen concrete aanknopingspunten aannemelijk gemaakt die erop wijzen dat het lp-traject, als hij wel voldoende zou meewerken, op niets zal uitlopen en dat er voor hem geen lp zal worden afgegeven. De onder 3. weergegeven beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarend handelen
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting.
Uit het dossier komt naar voren dat verweerder, in de te toetsen periode, op 20 augustus 2026 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd en op diezelfde datum eveneens schriftelijk heeft gerappelleerd bij de Egyptische autoriteiten in verband met de lp-aanvraag. Gelet op deze uitzettingshandelingen heeft verweerder, mede in aanmerking genomen dat hij grotendeels afhankelijk is van de Egyptische autoriteiten en van eiser geen medewerking krijgt, in de te toetsen periode naar het oordeel van de rechtbank voldoende voortvarend gewerkt aan eisers uitzetting naar Egypte. De onder 4. weergegeven beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
5. Eiser betoogt dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen. Eiser heeft namelijk verschillende fysieke en mentale problemen. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser ook zijn medisch dossier overgelegd.
In de uitspraak van 29 juli 2026 (in de zaak NL26.39290), rechtsoverweging 8.2., heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder terecht geen aanleiding heeft gezien voor het toepassen van een lichter middel. Daarbij is de rechtbank ook ingegaan op de medische en psychische gesteldheid van eiser. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er zich in de te toetsen periode gewijzigde omstandigheden hebben voorgedaan die aanleiding geven voor het oordeel dat het onderduikrisico aanzienlijk is afgenomen of voor het oordeel dat de maatregel onevenredig bezwarend is geworden. De rechtbank merkt in dit verband meer specifiek op dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn psychische toestand of gezondheidssituatie in de te toetsen periode is verslechterd. Het medisch dossier dat eiser heeft overgelegd dateert van 17 juli 2026 en daarmee van vóór de te toetsen periode.
Gelet op het voorgaande bestaat er geen grond voor het oordeel dat verweerder in de te toetsen periode een lichter middel had moeten toepassen. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt niet.
Belangenafweging
6. Eiser betoogt dat de belangenafweging thans in zijn voordeel moet uitvallen.
De rechtbank stelt vast dat eiser, ook als alle voorgaande bewaringsmaatregelen worden meegeteld, nog geen zes maanden in vreemdelingenbewaring zit. Volgens vaste rechtspraak komt gedurende de eerste zes maanden van de bewaring in beginsel meer gewicht toe aan de belangen van verweerder bij voortduring van de bewaring dan aan de belangen van de vreemdeling bij zijn invrijheidstelling. Toch kunnen bijzondere omstandigheden ertoe leiden dat aan de belangen van de vreemdeling, ook al is de zesmaandentermijn nog niet verstreken, een groter gewicht toekomt dan aan de belangen van verweerder. Van dergelijke bijzondere omstandigheden aan de zijde van eiser is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval echter niet gebleken. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat de belangenafweging in de te toetsen periode in het voordeel van eiser had moeten uitvallen. De onder 6. weergegeven beroepsgrond slaagt niet.
Slotsom beroepsgronden
7. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgronden van eiser niet leiden tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te toetsen periode (21 juli 2026 tot 27 augustus 2026) op enig moment onrechtmatig is geweest.
Ambtshalve toetsing
8. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank, ambtshalve toetsend op basis van de informatie in het dossier, niet gebleken.
Conclusie
9. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is gezien het voorgaande ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.