RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.46963
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en
(gemachtigde: mr. A.E. van Midden).
Procesverloop
Verweerder heeft op 15 juli 2026 aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Verweerder heeft op 31 juli 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
Eiser heeft op 17 augustus 2026 tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 24 augustus 2026 gesloten.
De rechtbank heeft op 27 augustus 2026 het onderzoek heropend en verweerder om een nadere reactie gevraagd. Verweerder heeft op 31 augustus 2026 een nadere reactie ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek op 1 september 2026 weer gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan op 31 juli 2026 onrechtmatig is geweest.
2. De rechtbank stelt verder voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 29 juli 2026 (in de zaak NL26.39641) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek (op 21 juli 2026) dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 21 juli 2026.
3. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt gezien het voorgaande dus van 21 juli 2026 tot 31 juli 2026.
Zicht op overdracht
4. Verweerder heeft de maatregel van bewaring op 31 juli 2026 opgeheven, omdat er geen zicht op uitzetting meer was (zie de M113).
Eiser betoogt dat verweerder niet duidelijk heeft gemaakt waarom de maatregel is opgeheven op 31 juli 2026 en niet al op 21 juli 2026. Bij gebreke van duidelijkheid hierover, moet het er volgens eiser voor worden gehouden dat er gedurende de gehele te toetsten periode geen zicht op overdracht bestond.
Uit het dossier komt naar voren dat verweerder op 16 juli 2026 aan Italië een kennisgeving van terugname heeft gedaan op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening. Uit de nadere reactie van verweerder blijkt dat er op 30 juli 2026 weliswaar een claimakkoord met Italië tot stand is gekomen, maar dat de Italiaanse autoriteiten niet akkoord zijn gegaan met een overdracht van eiser.
Gelet op het voorgaande bestaat er naar het oordeel van de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het zicht op overdracht al op een eerdere datum dan op de dag van opheffing is komen te ontbreken. Daarbij wijst de rechtbank erop dat verweerder na de inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact weer is aangevangen met het realiseren van overdrachten naar Italië (Informatiebericht 2026/25) en dat niet is gebleken dat de Italiaanse autoriteiten elke overdracht op voorhand blokkeren. Het stuk dat eiser in deze procedure heeft overgelegd, te weten een kennisgeving van uitreis van een andere vreemdeling naar Rome op 19 augustus 2026, wijst daar in ieder geval niet op. Gelet op het voorgaande slaagt de onder 4.1. weergegeven beroepsgrond niet.
Voortvarend handelen
5. Eiser betoogt dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan zijn overdracht.
Hiervoor is al overwogen dat verweerder op 16 juli 2026 aan Italië een kennisgeving van terugname heeft gedaan. Verder blijkt uit het dossier dat verweerder op 21 juli 2026 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder in de te toetsen periode voldoende voortvarend heeft gewerkt aan eisers overdracht. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
6. Eiser voert aan dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen. Daartoe voert eiser aan dat hij zich tijdens het vertrekgesprek van 21 juli 2026 coöperatief heeft opgesteld. Ook wijst eiser op zijn medische situatie.
In de uitspraak van 29 juli 2026 (in de zaak NL26.39641) heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder terecht geen aanleiding heeft gezien voor het toepassen van een lichter middel. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er zich in de te toetsen periode gewijzigde omstandigheden hebben voorgedaan die aanleiding geven voor het oordeel dat het onderduikrisico aanzienlijk is afgenomen of voor het oordeel dat de maatregel onevenredig bezwarend is geworden. De rechtbank merkt in dit verband op dat eiser geen medische stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat zijn psychische toestand of gezondheidssituatie in de te toetsen periode is verslechterd.
Gelet op het voorgaande bestaat er geen grond voor het oordeel dat verweerder in de te toetsen periode een lichter middel had moeten toepassen. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt niet.
Slotsom beroepsgronden
7. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgronden van eiser niet leiden tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te toetsen periode (21 juli 2026 tot 31 juli 2026) op enig moment onrechtmatig is geweest.
Ambtshalve toetsing
8. Ook los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie
9. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is gezien het voorgaande ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.