ECLI:NL:RBDHA:2026:26901

ECLI:NL:RBDHA:2026:26901

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 19-03-2026
Datum publicatie 16-09-2026
Zaaknummer NL23.39756
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

regulier, visum kort verblijf, BNT, niet-ontvankelijk, inhoudelijk beroep, hoorplicht geschonden, gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL23.39756

(gemachtigde: mr. M.C. de Jong),

en

(gemachtigde: mr. S. Naji).

Procesverloop

Met het besluit van 20 maart 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen.

Eiseres heeft op 5 april 2023 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit van 20 maart 2023. Eiseres heeft verweerder op 20 oktober 2023 in gebreke gesteld. Op 20 december 2023 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaarschrift.

Met het besluit van 4 januari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder alsnog beslist op het bezwaar tegen het primaire besluit. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar is op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede gericht tegen het bestreden besluit.

Eiseres heeft op 5 maart 2024 gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 10 december 2025 een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Beroep tegen het niet tijdig beslissen

3. Voor zover eiseres aanvoert dat verweerder ten onrechte geen bestuurlijke dwangsom heeft vastgesteld vanwege het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar, is dit afhankelijk van de vraag of verweerder het bezwaarschrift terecht als kennelijk ongegrond heeft afgedaan. De rechtbank wijst in dat verband op wat hierna wordt overwogen.

Beroep tegen het bestreden besluit

Inleiding

4. Eiseres heeft de Surinaamse nationaliteit is geboren op [geboortedatum] 1974. Zij heeft op 2 maart 2023 verzocht om de afgifte van een visum voor kort verblijf om haar dochter te bezoeken. Met het primaire besluit heeft verweerder de visumaanvraag afgewezen.

5. Met het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de visumaanvraag van eiseres gehandhaafd. Volgens verweerder heeft eiseres namelijk niet aannemelijk gemaakt dat zij het Schengengebied (tijdig) zal verlaten, omdat de sociale en economische binding met het land van herkomst onvoldoende is aangetoond dan wel gering is gebleken.

6. Eiseres betoogt dat verweerder op onjuiste gronden heeft aangenomen dat er redelijke twijfel bestaat over haar tijdige terugkeer naar Suriname. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar stelling dat zij een winkel exploiteert stukken overgelegd. Verweerder had deze stukken in samenhang – en niet afzonderlijk – moeten beoordelen. Tot slot had verweerder niet zonder eiseres daarover te horen het bezwaar ongegrond mogen verklaren.

Hoorplicht

7. Eiseres voert aan dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Verweerder had haar in een hoorzitting om nadere informatie moeten vragen, in plaats van het bezwaar kennelijk ongegrond te verklaren. Eiseres is van mening dat zij voldoende inspanningen heeft verricht die redelijkerwijs van haar kunnen worden verwacht bij het verkrijgen en tijdig aanleveren van de verzochte informatie.

De rechtbank overweegt dat het vaste rechtspraak is dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen (zie uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918). Het horen in de bezwaarfase vormt een essentieel onderdeel van de bezwaarprocedure. Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat wat in bezwaar is aangevoerd, niet tot een ander standpunt kan leiden dan het standpunt in het primaire besluit. Een bezwaar kan dan kennelijk ongegrond worden verklaard. Met deze uitzondering op de hoorplicht moet terughoudend worden omgegaan. Een relevante omstandigheid is onder meer de mate waarin een vreemdeling bereidwillig en actief de inspanningen heeft verricht die redelijkerwijs van haar verwacht kunnen worden bij het verkrijgen en tijdig aanleveren van de verzochte informatie. De vuistregel is dat naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om de vreemdeling uit te nodigen voor een hoorzitting.

De rechtbank vindt dat in het geval van eiseres niet gezegd kan worden dat zij onvoldoende inspanningen heeft verricht en gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om informatie te verstrekken. Eiseres stelt een eigen winkel te hebben genaamd ‘ [bedrijf] ’. Ter onderbouwing heeft eiseres een uitrekstel van het handelsregister bijgevoegd van 8 december 2022 en een winkelvergunning die is afgegeven op 1 december 2022 voor de duur van drie jaren. Bij het aanvullend bezwaarschrift is een basale winst- en verliesrekening van de winkel (handgeschreven) overgelegd over 2022. Daarnaast zijn bankafschriften overgelegd van 31 januari 2023 en van 7 februari 2023 met een banksaldo van omgerekend ongeveer (omgerekend) € 485,- en verschillende stortingen die volgens eiseres afkomstig zijn uit de opbrengsten van haar winkel. Verder zijn foto’s overgelegd van volgens eiseres haarzelf in haar winkel. Voorts is in de bezwaarprocedure aangeboden nader bewijs te leveren van haar inkomsten uit de winkel, waarbij is aangegeven dat het betalingsverkeer in Suriname grotendeels in contanten plaatsvindt en het inkomen uit de winkel lastiger te bewijzen is. Ook is aangegeven dat, indien nodig, een meer recent bankafschrift zou kunnen worden overgelegd. In de beroepsprocedure zijn overigens ook meer recente bankafschriften overgelegd over de periode van 1 februari 2024 tot en met 30 april 2024 waarop te zien is dat er meerdere geldbedragen zijn gestort van in totaal (omgerekend) ongeveer € 2.000,- op deze bankrekening. Verder is in bezwaar naar voren gebracht dat de winkel van eiseres haar ook emotioneel bindt aan Suriname, omdat dit iets is van haarzelf. Tot slot is in bezwaar verzocht om, indien verweerder vragen heeft over het inkomen of de activiteiten van eiseres in verband met de winkel, een hoorzitting in te plannen.

Verweerder heeft in het bestreden besluit in reactie hierop overwogen dat er onvoldoende bewijsstukken zijn om vast te kunnen stellen dat eiseres over een substantieel en regelmatig inkomen beschikt. Verweerder vindt dat uit de bankafschriften niet blijkt waar de stortingen op de rekening van eiseres vandaan komen, waardoor er sprake is van onvoldoende economische binding. Dat naar gesteld het betalingsverkeer in Suriname grotendeels in contanten plaatsvindt is volgens verweerder geen reden om niet met andere stukken aan te kunnen tonen dat eiseres een winkel exploiteert en daar inkomsten uit genereert. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat ook andere stukken hadden kunnen worden overgelegd zoals een verklaring van een boekhouder, een bankverklaring met een omschrijving of een bankverklaring van de belastingdienst. De rechtbank overweegt dat, nu verweerder vragen had over de stortingen van eiseres op haar bankrekening, het juist dan op de weg van verweerder had gelegen om onderzoek te doen naar deze onduidelijkheden door middel van het houden van een hoorzitting. Dit geldt temeer nu eiseres, zoals hiervoor is overwogen, in haar bezwaarschrift heeft aangeboden nader bewijs te leveren van haar inkomsten uit de winkel en verzocht heeft om gehoord te worden indien verweerder vragen zou hebben over het inkomen of de activiteiten van eiseres in verband met de winkel.

8. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk was dat het bezwaar niet kon leiden tot een andersluidend besluit en dus dat er sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaar. Verweerder heeft dus onterecht van het horen van eiseres afgezien. De beroepsgrond slaagt.

Bestuurlijke dwangsom

9. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft verweerder niet kunnen volstaan met het kennelijk ongegrond verklaren van het bezwaar. De rechtbank kan daarom de bestuurlijke dwangsom vaststellen die verweerder op grond van afdeling 4.1.3 van de Awb verschuldigd is. Eiseres heeft verzocht deze dwangsom vast te stellen. Omdat meer dan 42 dagen zijn verstreken na de dag als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb, stelt de rechtbank de verbeurde dwangsom vast op € 1.442,-.

Conclusie en gevolgen van het beroep tegen het bestreden besluit

10. Het beroep is gezien het voorgaande gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten omdat verweerder de hiervoor geconstateerde gebreken niet in de beroepsfase heeft hersteld. De rechtbank zal ook niet zelf in de zaak voorzien, omdat het aan verweerder is om te bepalen of hij de gebreken wil herstellen dan wel de visumaanvraag wil inwilligen. De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus, nu niet valt in te zien dat eiseres op die manier eerder uitsluitsel zal krijgen in haar zaak dan als verweerder de opdracht wordt gegeven een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen. De rechtbank draagt verweerder dan ook op om met inachtneming van deze uitspraak binnen tien weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres.

11. Nu het beroep gegrond is en gelet op wat onder 2. is overwogen ten aanzien van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten, die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden begroot op € 2.335,- (0,5 punt voor het indienen van het beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit, 1 punt voor het indienen van de beroepsgronden tegen het bestreden besluit en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- bij een wegingsfactor 1). Verweerder moet ook het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op om binnen tien weken een nieuw besluit te nemen het bezwaar van eiseres met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak;

- stelt de door verweerder te betalen dwangsom vast op € 1.442,-;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiseres vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.335,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S.N. Abdoelkadir

Griffier

  • mr. D.M. Abrahams

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand