Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/320920-21
Datum uitspraak: 16 september 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] , [woonplaats] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 15 maart 2022, 8 juni 2022, 31 augustus 2022, 23 november 2022 (alle pro forma), 2 en 16 december 2024, 27 oktober 2025 (regie), 27 augustus 2026 (inhoudelijke behandeling) en 16 september 2026 (sluiting onderzoek).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J. Roosma en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J-H.C.L.M. Kuijpers naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op één of meerdere tijdstippen, in of omstreeks de periode van 1 maart 2020 t/m
30 november 2021, te ’s-Gravenhage althans in Nederland en/ Antwerpen (België),
tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk via de
Noordzee en de Westerschelde, buiten en/of binnen het grondgebied van
Nederland en België heeft gebracht en/of aanwezig heeft gehad 3400 kg cocaïne,
althans een (grote) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde
cocaïne (een) middel(en) bedoeld als in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan
wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
3. De bewijsbeslissing
Inleiding
Op 26 juni 2020 is door de Federale gerechtelijke politie van Antwerpen, in samenwerking met een eenheid van de Belgische Douane-bewaking, op de kade te Kallo (onderdeel van het Antwerpse havengebied) in een container met nummer (kenmerk) [nummer 1] , ruim 3.400 kilogram cocaïne aangetroffen. De cocaïne was verborgen in een aantal zakken houtskool van twintig kilogram. Vijf Nederlandse personen, zogenoemde uithalers, waren op dat moment bezig de gemarkeerde zakken met houtskool uit de container over te laden in een andere container, waarin zich dozen van het merk Swiffer bevonden. De vijf uithalers zijn aangehouden als verdachten.
De genoemde container maakte deel uit van een zending van vijf containers met de bill of lading [nummer 2] , afkomstig van het bedrijf [bedrijfsnaam 1] SA uit Paraguay en bestemd voor het bedrijf [bedrijfsnaam 2] B.V. (ten name van [naam 1] ).
Naar aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek is [verdachte] als verdachte ten aanzien van de import van de ruim 3.400 kilogram cocaïne aangemerkt.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde. De officier van justitie heeft hiertoe gewezen op het onderzoek naar het bedrijf [bedrijfsnaam 2] B.V. Hieruit blijkt dat dit bedrijf weliswaar op naam stond van (katvanger) [naam 1] , maar dat de verdachte (minst genomen) directe invloed had op de bedrijfsvoering. Verder heeft de officier van justitie gewezen op chats in EncroChat waaraan de verdachte onder de namen [gebruikersnaam 1] en [gebruikersnaam 2] deelnam en chats in Sky ECC waaraan de verdachte deelnam als gebruiker [gebruikersnaam 3] . In deze chats werd overleg gevoerd over de import van cocaïne en de betaling hiervoor die de verdachte via zijn bedrijf ( [bedrijfsnaam 3] ) aan [bedrijfsnaam 2] B.V. moest regelen, hetgeen daarna volgens de officier van justitie ook gebeurde.
Voor zover van belang zal de rechtbank hierna de standpunten van de officier van justitie nader uiteenzetten en hierop ingaan.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat de verdachte weliswaar contact heeft gehad met [bedrijfsnaam 2] B.V., maar dat dit contact via zijn voormalige werknemer [naam 2] verliep. De verdachte zou – op voorstel van [naam 2] – een grote partij houtskool hebben willen importeren, omdat hij deze met een goede winstmarge kon verkopen. Van de daarin verstopte cocaïne wist de verdachte niets af. Aan de door de officier van justitie genoemde chats heeft de verdachte nooit deelgenomen. De verdachte heeft nooit gecommuniceerd via EncroChat of Sky ECC. De verdachte vermoedt dat het [naam 2] is geweest die handig gebruik heeft gemaakt van de identiteit en de computer van de verdachte. Dat de gebruiker [gebruikersnaam 1] en/of [gebruikersnaam 2] zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit, wordt niet betwist, aldus de raadsman.
Voor zover van belang zal de rechtbank hierna de standpunten van de raadsman nader uiteenzetten en hierop ingaan.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Bewijsoverwegingen
Betrokkenheid van de verdachte bij [bedrijfsnaam 2] B.V. en [bedrijfsnaam 3] B.V.
De verdachte is betrokken geweest bij [bedrijfsnaam 2] B.V. (hierna ook: [bedrijfsnaam 2] ), het bedrijf waaraan de genoemde lading met 3.400 kilogram cocaïne uit Paraguay was geadresseerd. Deze betrokkenheid ging – anders dan de verdachte heeft verklaard – verder dan de aankoop van één of twee partijen houtskool door zijn bedrijf [bedrijfsnaam 3] B.V. (hierna ook: [bedrijfsnaam 3] ) die door [bedrijfsnaam 2] zou worden geleverd. Deze verdergaande betrokkenheid van de verdachte blijkt naar het oordeel van de rechtbank allereerst uit de hierna genoemde omstandigheden (die losstaan van de chats via EncroChat en Sky ECC, waaraan de verdachte zou hebben deelgenomen).
Bij de aanhouding van de verdachte is een aan hem toebehorende iPhone (voor dagelijks gebruik) aangetroffen, met een telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 1] . In deze telefoon werd, in de fotomap, een foto aangetroffen van een brief van 30 september 2021. Deze brief was gericht aan [naam 1] , kwam van de curator en betrof het faillissement van [bedrijfsnaam 2] , dat twee dagen daarvoor was uitgesproken.
In een getapt telefoongesprek tussen de verdachte en [naam 1] op 13 november 2021, zegt de verdachte tegen [naam 1] dat de curator de administratie wil inzien, ‘wat er niet klopt enzo’, dat de brief is verstuurd naar [naam 1] en dat ‘er alarmbellen gaan rinkelen’ als hij (de verdachte) zich vervolgens meldt. De verdachte spoort [naam 1] aan om de curator te woord te staan: ‘Als je gewoon meewerkt, en hun vragen gewoon wil beantwoorden…’. De verdachte zegt verder tegen [naam 1] dat hij zelf ‘niet normale activiteiten’ heeft uitgevoerd en dat hij ‘wat dingen heeft gedaan’, maar dat ‘het niet is gelopen zoals hij had gehoopt’, waarbij hij het heeft over een ‘misinvestering’, waardoor hij mensen niet kon betalen en dat hij (de verdachte) daarom failliet is gegaan. Vervolgens legt de verdachte aan [naam 1] uit dat [naam 1] failliet is en wat dit voor hem inhoudt. Daarbij stelt de verdachte [naam 1] gerust dat hij niet bang hoeft te zijn voor het verlies van zijn woning.
Op de website van [bedrijfsnaam 2] zoals die ten tijde van het ten laste gelegde feit actief was, stond bij de contactgegevens het telefoonnummer vermeld dat eindigde op [telefoonnummer 1] . Dit nummer behoorde toe aan de verdachte en was gekoppeld aan de hiervoor genoemde telefoon van de verdachte.
Een ander telefoonnummer, eindigend op [telefoonnummer 2] , dat ook op de website van [bedrijfsnaam 2] stond vermeld, behoorde toe aan een prepaid-telefoon die eveneens aan de verdachte kan worden gekoppeld. Zo is het beltegoed voor deze telefoon op 9 juni 2020 opgewaardeerd vanaf het IP-adres toebehorend aan de bedrijven van de verdachte, gevestigd op het [adres 2] te Rotterdam. Bij deze opwaardering werd gebruikgemaakt van het e-mailadres [e-mailadres] . Uit opgevraagde gegevens is gebleken dat in de periode tussen 10 januari 2020 en 13 oktober 2020 in totaal 1881 keer op dit e-mailadres is ingelogd vanaf voornoemd IP-adres. Dit komt neer op gemiddeld ruim zes inlogpogingen per dag. Uit onderzoek naar het internetbankieren op de ING-rekening van [bedrijfsnaam 2] is gebleken dat in de periode van 1 maart 2020 tot en met 30 november 2020 circa 275 keer is ingelogd vanaf voornoemd IP-adres. Dit komt neer op gemiddeld een inlogmoment per dag.
Tot slot zijn er bancaire transacties tussen [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 3] in de periode van 1 maart 2020 tot en met 1 februari 2021. Het betreft in totaal 45 transacties, met een totaalbedrag van € 117.669,-. Gelet op de frequentie en het totaalbedrag wijzen deze volgens de rechtbank op een verdergaande bemoeienis van de verdachte bij [bedrijfsnaam 2] dan slechts de aankoop van één of twee partijen houtskool. Daarbij merkt de rechtbank op dat bij veertig van deze transacties een omschrijving of factuurnummer ontbreekt. Deze transacties kunnen daardoor op zichzelf niet worden gekoppeld aan de door de verdachte gestelde aankoop van (slechts) één of twee partijen houtskool.
Identificatie van de verdachte als: [gebruikersnaam 1] , [gebruikersnaam 2] en [gebruikersnaam 3]
Zoals hiervoor besproken, volgt uit genoemde feiten en omstandigheden dat de betrokkenheid van de verdachte bij [bedrijfsnaam 2] groter is geweest dan alleen de aankoop van één of twee partijen houtskool van [bedrijfsnaam 2] door zijn bedrijf [bedrijfsnaam 3] .
In het opsporingsonderzoek zijn chatgesprekken via EncroChat en Sky ECC naar voren gekomen waaruit een verdere samenhang tussen [bedrijfsnaam 3] en [bedrijfsnaam 2] blijkt. Uit deze chatgesprekken blijkt dat de hiervoor genoemde zending in de container vanuit Paraguay het onderwerp van gesprek is. Meer in het bijzonder wordt daarin gesproken over het logistieke en douane-technische proces dat moet worden doorlopen om de container in te voeren en de daarin aanwezige cocaïne eruit te (laten) halen.
Daartoe is van belang dat kan worden vastgesteld of de verdachte deel heeft genomen aan deze chatgesprekken. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte kan worden geïdentificeerd als [gebruikersnaam 1] , [gebruikersnaam 2] en [gebruikersnaam 3] en dat hij onder die accountnamen (achtereenvolgens in de tijd) heeft deelgenomen aan deze chatgesprekken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
[gebruikersnaam 1]
Het account bij EncroChat van [gebruikersnaam 1] is bij contacten onder andere opgeslagen als ‘ [contactnaam 1] ’. [gebruikersnaam 1] wordt door zijn contacten ook een aantal keer direct aangesproken bij de voornaam [voornaam verdachte] . Verder blijkt uit meerdere gesprekken dat [gebruikersnaam 1] een bedrijf heeft dat [bedrijfsnaam 3] heet. Dit volgt onder andere uit het gesprek waarin [gebruikersnaam 4] tegen [gebruikersnaam 1] zegt: ‘Stuur eens een foto van ing vanaf maandag van je [bedrijfsnaam 3] ’, waarop [gebruikersnaam 1] antwoordt: ‘Ik ontvang geld op me rekening van me klanten’. Dat met ‘ [bedrijfsnaam 3] ’ wordt gedoeld op het bedrijf van de verdachte, wordt nader ondersteund door een screenshot van de bankrekening van [bedrijfsnaam 2] , waarop bijschrijvingen van [bedrijfsnaam 3] te zien zijn, alsmede door een foto van een notitieblaadje, waarop de bedrijfsnaam van [bedrijfsnaam 3] is gedrukt.
Op 2 april 2020 om 14.40 uur laat [gebruikersnaam 1] aan [gebruikersnaam 4] weten dat er die dag een controle bij hem was en dat er ook ‘ibesh’ was. Volgens de politie is Ibahesj straattaal voor de politie. Uit het bedrijfsprocessensysteem van de politie is gebleken dat er die dag om 14.00 uur voor het bedrijfspand van [bedrijfsnaam 3] – op het [adres 2] te Rotterdam –diverse personen waaronder de verdachte zijn gecontroleerd door de politie.
[gebruikersnaam 1] laat op 30 april 2020 aan [gebruikersnaam 4] weten dat hij een bedrijfsruimte heeft geregeld op de ‘ [adres 3] ’, ‘3 straten achter mij’ voor ‘1 maand’. De [adres 3] te Rotterdam bevindt zich op enkele straten afstand van het [adres 2] , waar de bedrijfsruimte van [bedrijfsnaam 3] is gevestigd. De verdachte heeft op de terechtzitting van 27 augustus 2026 verklaard dat hij tijdelijk gebruik heeft gemaakt van het pand aan de [adres 3] te Rotterdam voor het opslaan van houtskool.
Onderzoek naar de historische verkeersgegevens van [gebruikersnaam 1] en het telefoonnummer waarvan de verdachte –ook naar eigen zeggen –gebruikmaakte, zoals eerder besproken, heeft uitgewezen dat beide telefoons aanwezig waren bij afspraken die eerst door [gebruikersnaam 1] via EncroChat waren gemaakt. Deze afspraken vonden plaats in april 2020.
[gebruikersnaam 2]
Uit de chatgesprekken waaraan [gebruikersnaam 1] deelneemt, volgt dat de gebruiker van [gebruikersnaam 1] in mei 2020 over is gegaan naar een nieuwe telefoon en een nieuw account. In een gesprek waaraan [gebruikersnaam 1] niet deelneemt, wordt de kwestie van de nieuwe telefoon van [gebruikersnaam 1] besproken en wordt hij aangeduid als ‘ [voornaam verdachte] ’. De volgende dag wordt opnieuw over [gebruikersnaam 1] / [voornaam verdachte] gesproken: ‘ [voornaam verdachte] heeft nieuwe encro gehaald over een uurtje wordtie geactiveerd’. Ruim een uur later meldt [gebruikersnaam 2] : ‘deze is nieuwe voor mij’. Op dat moment is [gebruikersnaam 1] niet meer actief. Ook de namen waaronder [gebruikersnaam 2] als contact bij andere gebruikers is opgeslagen komen vrijwel overeen met die van [gebruikersnaam 1] . Zo wordt hij onder andere opgeslagen als ‘ [contactnaam 2] ’, terwijl hij daarvoor als ‘ [contactnaam 1] ’ stond opgeslagen.
Uit onderzoek naar de historische verkeersgegevens van [gebruikersnaam 2] en het hiervoor besproken telefoonnummer van de verdachte is gebleken dat beide telefoons op in ieder geval een aantal dagen in mei en begin juni 2020 samen waren en zich gezamenlijk verplaatsten
[gebruikersnaam 1] en [gebruikersnaam 2]
Uit onderzoek naar de chatgesprekken tussen [gebruikersnaam 4] enerzijds en [gebruikersnaam 1] en [gebruikersnaam 2] anderzijds is gebleken dat daarin wordt gesproken over het door [gebruikersnaam 1] en [gebruikersnaam 2] telefonisch benaderen van [bedrijfsnaam 4] B.V., [bedrijfsnaam 5] en [bedrijfsnaam 6] . Ook heeft onderzoek uitgewezen dat rondom deze chatgesprekken daadwerkelijk telefonisch contact is opgenomen met naar alle waarschijnlijkheid precies deze bedrijven vanaf het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 2] , dat, zoals hiervoor overwogen, aan de verdachte kan worden gelinkt. De nauwe samenhang tussen hetgeen in de chatgesprekken wordt besproken en de kort daarop volgende uitvoering daarvan vanaf een aan de verdachte te linken telefoonnummer, vormt – ook in samenhang bezien met hetgeen hiervoor is overwogen – de bevestiging dat de verdachte degene is die achter de accounts van [gebruikersnaam 1] en [gebruikersnaam 2] schuilgaat.
[gebruikersnaam 3]
In de zomer van 2020, toen in het nieuws kwam dat het cryptonetwerk EncroChat was ontmanteld en gebruikers massaal overstapten naar Sky ECC, werd [gebruikersnaam 3] (nickname [nickname] ) vanaf 22 juni 2020 actief. Uit de zendmastgegevens is gebleken dat het genoemde account voornamelijk gebruikmaakte van één basisstation. Dit basisstation bestrijkt vrijwel uitsluitend een bedrijfsterrein en heeft binnen het theoretische bereik het [adres 2] te Rotterdam, waar twee bedrijven van de verdachte gevestigd waren. Gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd werd (afwisselend) ook een ander basisstation aangestraald, waarvan het theoretisch bereik het toenmalige woonadres van de verdachte aan het [adres 4] te Rotterdam omvat.
Een onderzoek naar de historische verkeersgegevens van [gebruikersnaam 3] en het hiervoor besproken telefoonnummer van de verdachte heeft uitgewezen dat beide telefoons op 24 juni 2020 naar België reisden.
Op donderdag 6 augustus 2020 laat [gebruikersnaam 3] (nickname [nickname] ) weten de volgende dag in de avond naar Zwitserland te rijden en op woensdag in de avond weer terug te keren. Uit onderzoek is gebleken dat de telefoon waaraan het account [gebruikersnaam 3] is gekoppeld in Nederland is gebleven en dat er gedurende die dagen geen berichten zijn verzonden.
Uit onderzoek naar de historische verkeersgegevens van het hiervoor besproken telefoonnummer van de verdachte is naar voren gekomen dat zijn telefoon op 7 augustus 2020 in de richting van Zwitserland is vetrokken en dat deze telefoon zich daar van 8 augustus tot en met (woensdag) 12 augustus 2020 heeft bevonden. De reis van de verdachte naar Zwitserland en zijn verblijf aldaar vinden verder bevestiging in de transacties van zijn bankrekening. Voorts heeft de verdachte op de terechtzitting van 27 augustus 2026 ook bevestigd dat hij in augustus 2020 naar Zwitserland is geweest.
Het alternatieve scenario: [naam 2] heeft het gedaan.
De rechtbank acht de verklaring van de verdachte en het daarop gebaseerde verweer inhoudende dat niet hij, maar [naam 2] betrokken is geweest bij de import van 3.400 kilogram cocaïne, niet aannemelijk. De rechtbank verwijst hiertoe naar hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van verdachtes betrokkenheid bij [bedrijfsnaam 2] en zijn identificatie als [gebruikersnaam 1] , [gebruikersnaam 2] en [gebruikersnaam 3] .
Deze feiten en omstandigheden, die mede door aanvullend politieonderzoek naar de juistheid van de verklaring van de verdachte aan het licht zijn gekomen, zijn stuk voor stuk nauw verbonden met de verdachte (‘ [voornaam verdachte] ’), zijn bedrijf [bedrijfsnaam 3] B.V. (‘je [bedrijfsnaam 3] ’), zijn bedrijfsvoering – waaronder de vele banktransacties tussen [bedrijfsnaam 3] en [bedrijfsnaam 2] en het regelen van een tijdelijk bedrijfspand aan de [adres 3] – en zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder zijn vakantie in Zwitserland. Tegen deze achtergrond is het niet aannemelijk dat sprake is geweest van een persoonsverwisseling met een werknemer die de verdachte naar eigen zeggen uit medeleven had aangenomen om bestellingen bij klanten te bezorgen en daarmee naast zijn uitkering wat bij te verdienen.
Betrokkenheid van de verdachte: medepleger import 3.400 kilogram cocaïne
De rechtbank verwijst met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij de import van 3.400 kilogram cocaïne, nu ook de verdediging (zoals hiervoor al benoemd) geen verweer heeft gevoerd ten aanzien van de betrokkenheid van [gebruikersnaam 1] / [gebruikersnaam 2] / [gebruikersnaam 3] als medepleger bij dit feit, naar de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen.
Het is vaste rechtspraak dat containers die de haven van Antwerpen hebben bereikt, worden geacht ook binnen het grondgebied van Nederland te zijn gebracht. Een containerschip kan namelijk de haven van Antwerpen enkel bereiken via de Westerschelde en op dat moment is de Nederlandse grens al gepasseerd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat met de aankomst van de container in de haven van Antwerpen, sprake is van een voltooide invoer in Nederland zoals bedoeld in artikel 2 onder A van de Opiumwet.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij in de periode van 1 maart 2020 t/m 27 juni 2020, in Nederland en/of Antwerpen (België), tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk via de Noordzee en de Westerschelde, binnen het grondgebied van Nederland en België heeft gebracht 3400 kg van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie heeft bij de bepaling van de strafeis rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft subsidiair een strafmaatverweer gevoerd. De raadsman heeft hiertoe gewezen op de (bescheiden) rol en positie die de verdachte zou hebben gehad bij het plegen van het ten laste gelegde feit, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de straffen die zijn opgelegd in vergelijkbare zaken en de overschrijding van de redelijke termijn.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de invoer van ruim 3.400 kilogram cocaïne. De invoer van cocaïne op deze schaal gaat gepaard met een ernstige en ontoelaatbare inbreuk op de rechtsorde, waarin boven- en onderwereld met elkaar worden verweven. De handel in harddrugs, zoals cocaïne, heeft een ontwrichtend effect op de samenleving op het gebied van gezondheid en welzijn. Het gebruik van dergelijke middelen is niet alleen schadelijk voor de gezondheid van de gebruikers ervan, maar gaat ook gepaard met diverse vormen van (zware) criminaliteit, met veel geweld, schade en overlast in de samenleving als gevolg. De verdachte heeft zich kennelijk alleen laten leiden door financieel gewin.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het (recente) strafblad van de verdachte. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat de verdachte niet lang voordat hij het onderhavige misdrijf pleegde al was veroordeeld tot een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf, onder andere vanwege een Opiumwetdelict. De verdachte liep in verband hiermee in een proeftijd. Dit alles heeft de verdachte niet weerhouden opnieuw een misdrijf te plegen.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt vermeld, voor in- en uitvoer van harddrugs: meer dan 72 maanden gevangenisstraf (zes jaren) indien de dader enige rol heeft gespeeld in een organisatie (als regelmatige koerier, controller of afhaler) en het gaat om een gewicht van meer dan twintig kilogram. In de onderhavige strafzaak gaat het om een aanzienlijk grotere hoeveelheid harddrugs. Bovendien is de rol van de verdachte groter geweest dan die van een koerier of afhaler/uithaler, doordat hij zijn eigen bedrijf (een horecagroothandel) en het bedrijf op naam van een katvanger, heeft gebruikt voor het financieel (en logistiek) mogelijk maken van de import van de cocaïne. Dit alles dient ertoe te leiden dat er een (aanzienlijk) langere gevangenisstraf aan de verdachte wordt opgelegd dan de genoemde 72 maanden. De rechtbank zal echter bij de bepaling van de hoogte van de gevangenisstraf ook rekening houden met de overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7. De voorlopige hechtenis
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen, subsidiair om de schorsing te handhaven.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich verzet tegen opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis, maar heeft zich niet verzet tegen handhaving van de schorsing.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank wijst het verzoek tot opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis af, nu de redenen die daartoe hebben geleid thans nog bestaan. De rechtbank zal echter wel beslissen dat de schorsing van de voorlopige hechtenis gehandhaafd wordt. De schorsing loopt dus niet af bij einduitspraak, zoals in de schorsingsbeslissing van 23 november 2022 staat opgenomen.
8. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 47 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2 en 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
handhaaft de schorsingsbeslissing van de rechtbank Den Haag van 23 november 2022, waardoor de voorlopige hechtenis geschorst blijft onder de bij die beslissing gestelde voorwaarden.
Dit vonnis is gewezen door
mr. Y.J. Wijnnobel-van Erp, voorzitter,
mr. C.A.W. Zijlstra, rechter,
mr. J. Herfkens, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. J.M. Molenaar, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 september 2026.