ECLI:NL:RBDHA:2026:26935

ECLI:NL:RBDHA:2026:26935

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 19-03-2026
Datum publicatie 16-09-2026
Zaaknummer NL23.40457
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

regulier, visum kort verblijf, vestigingsgevaar, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL23.40457

(gemachtigde: mr. R. Aboukir),

en

(gemachtigde: mr. A. van Vliet).

Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen.

Bij besluit van 28 november 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres (kennelijk) ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 13 november 2025 een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Tevens zijn verschenen [persoon A] , referent, en zijn partner, [persoon B] .

Overwegingen

Inleiding

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum 1] 1957 en heeft de Syrische nationaliteit. Zij heeft op 21 maart 2023 een aanvraag ingediend voor een visum kort verblijf. Eiseres wil naar Nederland komen om haar zoon, referent (geboren op [geboortedatum 2] 1989 en van Nederlandse nationaliteit), te bezoeken. Met het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen op grond van artikel 32, eerste lid, onder a) ii en onder b) van Verordening (EG) nr. 810/2009 (de Visumcode).

Bestreden besluit

2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de visumaanvraag van eiseres gehandhaafd op de weigeringsgrond dat er redelijke twijfels bestaan over haar voornemen het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie vóór het verstrijken van de geldigheid van het visum te verlaten. Hiertoe heeft verweerder besloten, omdat volgens hem de sociale en economische binding van eiseres met het land van herkomst onvoldoende is aangetoond dan wel gering is gebleken. Volgens verweerder heeft eiseres ter onderbouwing van deze binding in bezwaar enkel documenten overgelegd in een taal die niet door de IND wordt geaccepteerd. Verweerder heeft deze stukken daarom niet inhoudelijk betrokken bij het bestreden besluit. De vertaalde documenten die eiseres op 13 november 2023 aan verweerder zou hebben overgelegd, zijn volgens hem niet ontvangen en om die reden evenmin betrokken bij het bestreden besluit. Indien de rechtbank van oordeel is dat de vertaalde stukken wel aan verweerder zijn verzonden, stelt verweerder zich op het standpunt dat deze de sociale en economische binding van eiseres onvoldoende aantonen.

Overwegingen

3. Eiseres betoogt dat verweerder onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom haar tijdige terugkeer in redelijkheid niet zou zijn geborgd. Eiseres brengt in dit verband naar voren dat zij op 13 november 2023 de vertalingen van de overgelegde stukken aan verweerder heeft toegezonden, maar dat verweerder deze niet heeft betrokken bij het bestreden besluit. Deze stukken tonen aan dat eiseres wel degelijk sociale en economische binding met Syrië heeft. Daarnaast brengt eiseres naar voren dat haar niet kan worden verweten dat zij geen bankafschriften of een bankverklaring heeft overgelegd, aangezien de bancaire sector in Syrië gebrekkig functioneert en contante betalingen daarom gebruikelijk zijn.

Op grond van artikel 32, eerste lid, van de Visumcode, voor zover van belang, wordt een visum geweigerd:

b. indien er redelijke twijfel bestaat over de echtheid van de door de aanvrager overgelegde bewijsstukken of over de geloofwaardigheid van de inhoud ervan, de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aanvrager of zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.

Op grond van artikel 14 van de Visumcode is het aan de aanvrager om met documenten en informatie aannemelijk te maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor visumverlening.

Uit het arrest Koushkaki van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862, volgt dat de autoriteiten bij het onderzoek van een visumaanvraag over een ruime beoordelingsruimte beschikken met betrekking tot de toepassingsvoorwaarden van (onder andere) artikel 32, eerste lid, van de Visumcode en de beoordeling van de relevante feiten, om te bepalen of een van de weigeringsgronden aan de aanvrager kan worden tegengeworpen. Dit betekent dat de rechtbank het standpunt van verweerder dat een weigeringsgrond zich voordoet slechts terughoudend kan toetsen.

Met inachtneming van de terughoudende toetsing is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet is aangetoond dat eiseres voldoende economische en sociale binding heeft met Syrië en dat daarom getwijfeld wordt aan het voornemen van eiseres om tijdig terug te keren.

Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij sociale binding met Syrië heeft. Eiseres is zesenzestig jaar en weduwe. Een zoon van eiseres woont in Nederland. In bezwaar is naar voren gebracht dat ook een dochter van eiseres in Nederland woont. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de in Syrië achterblijvende familieleden van eiseres onvoldoende garantie zijn voor een tijdige terugkeer. Haar kinderen zijn namelijk meerderjarig en van hen wordt dan ook verwacht dat zij zelfstandig in hun onderhoud voorzien en niet langer van eiseres afhankelijk zijn. Bovendien heeft eiseres de vragenlijst summier ingevuld en nagelaten om informatie over haar kinderen te verstrekken. Verder is niet gebleken dat eiseres zorg draagt voor andere familieleden of hen onderhoudt, of dat zij andere zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen heeft die maken dat sprake is van zodanige sociale binding met Syrië dat tijdige terugkeer naar dat land redelijkerwijs gewaarborgd kan worden geacht. De eerst ter zitting naar voren gebrachte stelling dat zij ook kleinkinderen in Syrië heeft maakt het voorgaande niet anders.

Ten aanzien van de economische binding van eiseres met het land van herkomst is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij economische binding met Syrië heeft. Niet is gebleken dat eiseres een regelmatig en substantieel inkomen verdient. Eiseres heeft bij haar visumaanvraag aangegeven werkloos te zijn. In bezwaar is gesteld dat eiseres inkomsten ontvangt uit de onderneming van haar zoon. Ter zitting is gebleken dat eiseres reeds in de bezwaarfase vertaalde stukken had overgelegd om aannemelijk te maken dat zij inkomsten uit deze onderneming ontvangt. Ook indien dit aannemelijk zou zijn gemaakt, kon verweerder zich op het standpunt stellen dat zij deze inkomsten ook buiten Syrië kan ontvangen. Verder is evenmin gebleken dat eiseres actief betrokken is bij de onderneming van haar zoon. Tot slot is ook de stelling dat eiseres een eigen woning heeft onvoldoende om tot de conclusie te komen dat zij voldoende economische binding met Syrië heeft. Onroerend goed kan immers ieder moment worden verhuurd, verkocht of beheerd. Hiervoor is de fysieke aanwezigheid van eiseres niet vereist.

Gelet op het voorgaande, in samenhang bezien, heeft verweerder zich niet ten onrechte en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseres om Nederland vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum te verlaten, als bedoeld in artikel 32, eerste lid, onder b, van de Visumcode. Dit betekent dat verweerder, nu de weigeringsgronden in artikel 32, eerste lid, van de Visumcode dwingend zijn geformuleerd, gehouden was de visumaanvraag van eiseres af te wijzen.

De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen van het beroep tegen het bestreden besluit

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S.N. Abdoelkadir

Griffier

  • mr. D.M. Abrahams

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand