RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.30884
(gemachtigde: mr. C. Huy),
en
(gemachtigde: mr. N.F. van der Gouw)
Procesverloop
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 2 juni 2026 niet in behandeling genomen op de grond dat België verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening (NL26.30885) te treffen.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 3 september 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Als tolk is verschenen [persoon A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1994. Hij heeft zijn asielaanvraag in Nederland op 27 februari 2026 ingediend.
Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 5 januari 2026 een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend in België. Op 25 maart 2026 heeft Nederland aan België verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). België heeft dit verzoek op 30 maart 2026 aanvaard op dezelfde grondslag.
Het bestreden besluit
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 niet in behandeling genomen, omdat België op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van België en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan België een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie strijdige behandeling. Ter onderbouwing van dit standpunt is in hoofdzaak verwezen naar het Informatiebericht SUA ‘IB 2026/8 Dublin België: hervatten beslissen alleenstaande niet kwetsbare mannen’ en de brief van de directeur-generaal van Fedasil van 5 februari 2026. Volgens verweerder volgt uit deze informatie dat niet-kwetsbare alleenstaande mannen na overdracht aan België in de tijd dat zij wachten op reguliere opvang, toegang hebben tot noodopvang. Het aantal personen op de wachtlijst voor reguliere opvang neemt al maanden af en is thans ruim minder dan de 2.000 plaatsen in de humanitaire noodopvang. Daarbij maken veel van de personen op deze lijst, die ook wel doorstroomlijst wordt genoemd, in de praktijk geen gebruik van de humanitaire opvang omdat zij verblijven bij mensen uit hun persoonlijke netwerk. Dit laatste leidt verweerder af uit een verslag van een contactvergadering internationale bescherming van het Federaal Migratiecentrum op 18 maart 2026 en uit antwoorden op parlementaire vragen door de Belgische minister van asiel, migratie, maatschappelijke integratie, op 22 april 2026. De wachttijd voor het verkrijgen van reguliere opvang neemt ook af, zo stelt verweerder. Uit het AIDA Country Report Belgium (update 2025) van juli 2026 (hierna: AIDA-rapport) blijkt dat de personen op de wachtlijst gemiddeld binnen twee maanden terecht kunnen in de reguliere opvang, waar dat eerder drieënhalve maand was. Volgens verweerder volgt uit al het voorgaande dat de opvangsituatie in België wezenlijk verbeterd is ten opzichte van de situatie die beoordeeld is in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3305. Overdracht van eiser aan België leidt daarom niet tot een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie, zoals bedoeld in het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.
Het beroep van eiser
3. Eiser voert - in de kern - aan dat ten aanzien van België niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan waar het gaat om niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke asielzoekers. Eiser verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025 en stelt dat van een (voldoende) verbeterde situatie geen sprake is. Volgens eiser rust de bewijslast ter zake op verweerder en heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat de hiervoor bedoelde groep asielzoekers, waar hij ook toe behoort, thans wel toegang krijgt tot (nood)opvang in België. Verder wordt er volgens eiser in België nog steeds geen effectieve rechtsbescherming geboden en is de onverschillige houding van de Belgische autoriteiten ten opzichte van onder meer de problemen in de opvang ongewijzigd gebleven.
Het oordeel van de rechtbank
In de uitspraak van 23 juli 2025 heeft de Afdeling geoordeeld dat er sprake is van structurele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen in België voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen. De Afdeling heeft er in dat verband onder meer op gewezen dat mannelijke asielzoekers niet direct terecht kunnen in de reguliere opvang terwijl het onduidelijk is in hoeverre zij gebruik kunnen maken van de nood- en daklozenopvang. Verder volgt uit die uitspraak dat asielzoekers in België geen toegang hebben tot effectieve rechtsbescherming van hun recht op opvang. Dit omdat gebleken is dat de Belgische autoriteiten weigeren gerechtelijke uitspraken uit te voeren en dwangsommen te betalen. Voorts heeft de Afdeling geoordeeld dat de Belgische autoriteiten onverschillig staan tegenover de tekortkomingen in de opvangvoorzieningen en het ontbreken van toegang tot een effectief rechtsmiddel. Zij zetten zich niet in om nieuwe opvangplaatsen te creëren, kiezen er niet voor om beschikbare oplossingen in te zetten en leggen gerechtelijke uitspraken en dwangsommen naast zich neer. De Afdeling is tot de conclusie gekomen dat verweerder onder de gegeven omstandigheden bij de toepassing van de Dublinverordening op asielaanvragen van niet-kwetsbare alleenstaande mannen voor België niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit mag gaan.
De rechtbank is met eiser eens dat bij deze stand van zaken de bewijslast op verweerder rust. Verweerder zal dus aannemelijk moeten maken dat thans weer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor België waar het gaat om niet-kwetsbare alleenstaande mannen. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder niet in zijn bewijslast geslaagd. Dit wordt als volgt toegelicht.
Verweerder heeft allereerst niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een aanzienlijke en structurele verbetering van de opvangsituatie voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen in België sinds de Afdelingsuitspraak van 23 juli 2025.
In de brief van Fedasil van 5 februari 2026 waar verweerder zich op beroept staat, voor zover relevant, het volgende:
“In zijn huidige vorm voorziet het samenwerkingsakkoord in 2.000 humanitaire opvangplaatsen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, waarvan 1.800 generieke plaatsen en 200 plaatsen voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. Binnen dit totaal gaat het om 600 structurele opvangplaatsen en 1.400 bufferplaatsen die flexibel kunnen worden naargelang de opvangnoden. Deze capaciteit is niet exclusief bestemd voor niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke verzoekers en wordt ook ingezet voor andere doelgroepen, waaronder niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. In de reguliere federale opvang verbleven op 23 januari 2026 in totaal 9.742 alleenstaande mannen. Fedasil beschikt niet over een volledig overzicht van alle nood- en daklozenopvangplaatsen in België, aangezien dit geen federale bevoegdheid is. Alleenstaande mannelijke verzoekers die niet onmiddellijk kunnen instromen in het reguliere federale opvangnetwerk van Fedasil , kunnen tijdelijk gebruikmaken van de opvangplaatsen in het kader van het samenwerkingsakkoord met het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het gaat hierbij om personen die op de zogenaamde ‘wachtlijst’ staan, die in de praktijk een ‘doorstroomlijst’ is: gemiddeld stromen zij na ongeveer 3,5 maanden na indiening van het verzoek om internationale bescherming door naar het reguliere federale opvangnetwerk. Het aantal personen op deze lijst is op 1 jaar tijd bijna gehalveerd en zakte op 2 juni 2025 voor het eerst onder de 2.000. Op 27 januari 2026 stonden nog 1.535 personen op de lijst, met een dalende trend die zich structureel verderzet.
Aangezien het aantal personen op deze ‘doorstroomlijst’ reeds geruime tijd structureel en significant lager ligt dan de beschikbare capaciteit van 2.000 plaatsen met een verder dalende trend, kan worden vastgesteld dat alle alleenstaande mannelijke verzoekers over een opvangplaats kunnen beschikken.”
Uit het bestreden besluit en de nadere toelichting in het verweerschrift maakt de rechtbank op dat de daling van het aantal personen op de wachtlijst na de brief van 5 februari 2026 heeft doorgezet. Op 1 maart 2026 stonden er 1.345 mensen op de lijst, op 1 april 2026 1.240, op 1 mei 2026 1.127 en op 1 juni 2026 1.043. Uit het AIDA rapport volgt dat de wachttijd voor reguliere opvang thans gemiddeld 59 dagen bedraagt.
Hoewel uit het bovenstaande blijkt dat sprake is van een daling van het aantal personen op de doorstroomlijst en dat dit aantal inmiddels structureel lager ligt dan de capaciteit van 2.000 humanitaire opvangplaatsen, kan hieruit, anders dan verweerder meent, niet zonder meer worden geconcludeerd dat voor de groep niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke asielzoekers in voldoende (nood)opvangplaatsen wordt voorzien. Uit de brief van Fedasil volgt immers dat van de 2.000 plaatsen in de noodopvang er 200 exclusief bestemd zijn voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen en dat de overige 1.800 plaatsen niet alleen beschikbaar worden gesteld aan mannelijke asielzoekers maar ook worden ingezet voor de opvang van andere doelgroepen. Onduidelijk blijft, wat de Afdeling eerder ook al van belang vond, hoeveel noodopvangplaatsen daadwerkelijk beschikbaar zijn voor de groep niet-kwetsbare alleenstaande mannen op de wachtlijst. Zonder informatie hierover kan, ongeacht het aantal personen op de wachtlijst, niet worden vastgesteld dat België voorziet in voldoende noodopvang voor deze groep. De rechtbank merkt daarbij op dat volgens het AIDA rapport (pagina’s 111 en 112) er nog altijd sprake is van een groot tekort aan opvangplaatsen in België. Dit rapport onderschrijft ook dat de noodopvang niet exclusief bestemd is voor asielzoekers en vermeldt dat deze groep ook geen voorrang krijgt bij de toekenning van opvang. Ook blijkt uit het rapport dat personen op de doorstroomlijst moeilijk toegang krijgen tot opvangplaatsen in de noodopvang vanwege aanzienlijke obstakels bij de registratie voor opvang. Waaruit de Belgische minister opmaakt dat veel asielzoekers die op de wachtlijst staan opvang krijgen bij mensen uit hun persoonlijk netwerk, is onduidelijk. In de door verweerder aangehaalde stukken is dit inderdaad te lezen, maar het is onduidelijk waar deze aanname op is gebaseerd en hoeveel asielzoekers het betreft. Verweerder heeft daar ter zitting ook geen opheldering over kunnen geven. Gelet op het voorgaande heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat niet langer sprake is van de door de Afdeling geconstateerde tekortkomingen in de opvangvoorzieningen voor niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke asielzoekers.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de door verweerder verstrekte informatie ook niet dat de Belgische autoriteiten inspanningen hebben verricht om het aantal opvangvoorzieningen uit te breiden, gerechtelijke uitspraken na te komen of dwangsommen te betalen sinds de uitspraak van de Afdeling. Ook op het vlak van effectieve rechtsbescherming en waar het gaat om de houding van de Belgische autoriteiten is daarom niet gebleken van nieuwe ontwikkelingen.
Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen en ondeugdelijk gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd omdat het in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen op eisers asielaanvraag. Verweerder moet daarbij rekening houden met deze uitspraak.
6. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze proceskostenvergoeding betalen. De rechtbank stelt deze vergoeding aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit op de asielaanvraag te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dommerholt, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.