RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
Samenvatting
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.2513
(gemachtigde: mr. A. Simicevic),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. N. Schoonbrood).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag en hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen of een reguliere verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 12 september 2023 (het primaire besluit) afgewezen. Met datzelfde besluit heeft verweerder de geldigheidsduur van eisers verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ verlengd van 15 juni 2023 tot 15 juni 2028.
Met het besluit van 28 december 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en is de afwijzing van de eerdere aanvraag in stand gelaten.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
(Totstandkoming van) het bestreden besluit
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Soedanese nationaliteit. Hij is met ingang van 15 juni 2008 in het bezit gesteld van een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’. Deze vergunning is steeds periodiek verlengd. Op 4 mei 2023 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen of een reguliere verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.
Aan het bestreden besluit legt verweerder ten grondslag dat eiser niet voldoet aan het inburgeringsvereiste en met de overgelegde bewijsstukken ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in aanmerking komt voor een vrijstelling of ontheffing van dit vereiste. Ook is niet gebleken van dermate bijzondere en individuele omstandigheden om het inburgeringsvereiste niet aan eiser tegen te werpen op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Omdat eiser wel aan de voorwaarden voor verlenging van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ voldoet, is deze vergunning ambtshalve verlengd van 15 juni 2023 tot 15 juni 2028.
Beoordeling door de rechtbank
Is de aanvraag terecht afgewezen wegens niet voldoen aan het inburgeringsvereiste?
4. Op grond van artikel 5, tweede lid, van de Richtlijn 2003/109/EG van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, is verweerder bevoegd om van onderdanen van derde landen te eisen dat zij voldoen aan integratievoorwaarden overeenkomstig het nationaal recht. In artikel 45b, tweede lid, onder g, van de Vreemdelingenwet 2000 en artikel 3.96a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) is bepaald dat de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (door artikel 3.126 van het Vb 2000 ook van toepassing voor de aanvraag van een verblijfsvergunning EU-langdurig ingezetenen) wordt afgewezen, als de vreemdeling niet voldoet aan het inburgeringsvereiste.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiser in 2015 door de gemeente Rotterdam van de inburgeringsplicht is ontheven omdat de gemeente destijds vond dat eiser voldoende was ingeburgerd. Het is niet onbegrijpelijk dat eiser, toen hij de nu voorliggende aanvraag indiende, dacht dat hij ook in het kader van die aanvraag geen inburgeringsexamen meer hoefde af te leggen. Toch is de rechtbank van oordeel dat hij aan de voormelde brief van de gemeente Rotterdam niet het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat hij bij de nu voorliggende aanvraag niet meer aan de inburgeringseis hoefde te voldoen. Daarbij is in de eerste plaats van belang dat de brief uit 2015 afkomstig was van het gemeentebestuur, terwijl de bevoegdheid om te beslissen op een aanvraag om een verblijfsvergunning niet bij het gemeentebestuur maar bij verweerder ligt. De gemeente en verweerder zijn twee afzonderlijke bestuursorganen die elk een afzonderlijk toetsingskader hanteren. Beiden hebben te maken met andere belangen en nemen andere beslissingen met verschillende toepassingsvoorwaarden. Verweerder mag zich dan ook een eigen oordeel vormen over de vraag of eiser heeft voldaan aan het inburgeringsvereiste dan wel of vrijstelling/ontheffing van deze eis moet worden gegeven. Het beroep van de gemachtigde van eiser op de Wet inburgering 2007 (dat gemeenten de bevoegdheid heeft iemand van de inburgeringsplicht te ontheffen) slaagt om die reden ook niet. Voor zover eiser heeft gesteld dat verweerder hem op grond van voormelde brief van de gemeente vrijstelling of ontheffing had moeten verlenen van het inburgeringsvereiste volgt de rechtbank deze stelling dan ook niet.
Ook in de overige stukken heeft verweerder geen reden hoeven zien om vrijstelling of ontheffing te verlenen van het inburgeringsvereiste. Ten eerste zien deze stukken enkel op eisers taalvaardigheden en niet op zijn kennis van de Nederlandse samenleving, terwijl dit laatste ook onderdeel uitmaakt van het inburgeringsexamen. Verder acht de rechtbank het relevant dat eiser nooit ontheffing of vrijstelling van het inburgeringsvereiste heeft aangevraagd, terwijl verweerder hem in deze procedure wel de ‘Bijlage inburgeringsvereiste’ heeft toegestuurd waarop eiser kon aangeven voor welke vrijstelling of ontheffingsgrond hij in aanmerking wenste te komen. Ten slotte is van belang dat eiser nooit een poging heeft gedaan om het inburgeringsexamen te halen. De stelling van eiser dat hij door zijn langdurige verblijf in Nederland, zijn werkzaamheden als tolk en het behalen van diverse taaltoetsen al voldoende is geïntegreerd, is daarom onvoldoende reden om te oordelen dat verweerder ten onrechte aan eiser heeft tegengeworpen dat hij niet voldoet aan het inburgeringsvereiste.
Moest verweerder afwijken van zijn beleid?
5. Ten aanzien van het beroep van eiser op artikel 4:84 van de Awb heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank kunnen overwegen dat er geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan van de beleidsregels moet worden afgeweken. Hoewel ook in de beleidsregel verdisconteerde omstandigheden onder ‘bijzondere omstandigheden’ in de zin van artikel 4:84 van de Awb kunnen vallen, is het de rechtbank niet gebleken dat sprake is van onevenredige gevolgen op grond waarvan verweerder had moeten afwijken van zijn beleid. Daarbij speelt mee dat eiser, zoals hiervoor is overwogen, nooit daadwerkelijk heeft geprobeerd het inburgeringsexamen te halen. De enkele omstandigheden dat eiser al lang in Nederland verblijft, hier werkzaam is als tolk en diverse taaltoetsen met succes heeft afgerond zijn daarom onvoldoende.
Had verweerder moeten motiveren waarom hij geen gebruik maakt van zijn bevoegdheid om ambtshalve een verblijfsvergunning te verlenen op grond van artikel 8 EVRM?
6. Uit de besluitvorming volgt weliswaar dat de aanvraag voor een EU-vergunning voor langdurig ingezetenen/de aanvraag voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd is afgewezen, maar ook dat de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ ambtshalve is verlengd van 15 juni 2023 tot 15 juni 2028.’ Eiser kan dus nog gewoon familie, gezins- en privéleven blijven uitoefenen in Nederland. Verweerder hoefde onder die omstandigheden ook niet nader te motiveren waarom niet ambtshalve een verblijfsvergunning is verleend op grond van artikel 8 van het EVRM.
Heeft verweerder af kunnen zien van het horen in de bezwaarfase?
7. Eiser voert verder aan dat verweerder hem had moeten horen in bezwaar, nu hij hier uitdrukkelijk om heeft gevraagd.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. Verweerder mag slechts van het horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat redelijkerwijs geen twijfel bestond dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen had. Verweerder heeft de aanvraag in het primaire besluit afgewezen omdat eiser niet aan het inburgeringsvereiste voldoet. Eiser heeft in bezwaar niet aangetoond dat hij alsnog voldoet aan het inburgeringsvereiste, dat hij daarvoor een vrijstelling of ontheffing heeft (aangevraagd) of dat hij pogingen heeft ondernomen om het examen af te leggen. Ook zijn in bezwaar geen nieuwe stukken overgelegd en zijn slechts summiere gronden tegen het primaire besluit ingediend. Bovendien heeft eiser weliswaar gevraagd om een hoorzitting in bezwaar maar heeft hij dit niet nader toegelicht. Onder die omstandigheden heeft verweerder van horen in bezwaar kunnen afzien. Het betoog van eiser wordt verworpen.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, rechter, in aanwezigheid van
mr. C.L. Rademakers - Heins, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.