ECLI:NL:RBDHA:2026:26950

ECLI:NL:RBDHA:2026:26950

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 19-03-2026
Datum publicatie 16-09-2026
Zaaknummer NL26.12474
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.12474

(gemachtigde: mr. S. Jankie),

en

(gemachtigde: mr. J.P.M. Wuite).

Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen S. Kruszynski. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Poolse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997.

Had met een lichter middel kunnen worden volstaan?

2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.

3. De rechtbank stelt vast dat eiser de feitelijke juistheid van de gronden niet heeft betwist. Deze kunnen de maatregel in beginsel dragen. In die gevallen waarin de gehanteerde gronden de maatregel van bewaring in beginsel kunnen dragen, moet steeds, aan de hand van wat door partijen over het gedrag van de betrokkene en de overige feiten en omstandigheden naar voren is gebracht, worden beoordeeld of die gronden de maatregel ook in het geval van de betrokkene daadwerkelijk kunnen dragen of dat verweerder met een minder verstrekkende maatregel had moeten volstaan.

Wat is het betoog van eiser?

4. Eiser voert aan dat hij erop vertrouwde dat hij na de strafdetentie vrij zou komen en in staat zou zijn zelf zijn terugkeer te regelen. Hij kan zich wenden tot een bureau in [plaats 1], dat voor hem een bus naar Polen kan regelen. Hij is bereid om terug te keren en daarom kon met een lichter middel worden volstaan.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

5. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet met een lichter middel kon worden volstaan. Eisers rechtmatig verblijf als unieburger is op 15 november 2024 beëindigd. Sindsdien is hij op 16 augustus 2025 en op 12 september 2025 uitgezet naar Polen maar steeds kort nadien weer aangetroffen in Nederland. Hij heeft daarover verklaard dat hij in Polen geen werk en vaste verblijfplaats heeft en daarom is teruggekeerd naar Nederland. Ook heeft hij verklaard dat hij in Polen niets meer heeft, graag in Nederland is en hier ook veel vrienden heeft, hoopt in de toekomst werk te vinden in Nederland en dat hij wel wil terugkeren naar Polen maar dan wel weer zal terugkomen naar Nederland. Eiser heeft verder verklaard dat hij geen geld heeft om zijn terugkeer te realiseren, zijn familie niet wil lastigvallen met kosten, dat hij eerst werk zou moeten zoeken om aan geld te komen voor terugkeer en dat hij een zwervend bestaan leidt. Eisers gedrag is dan ook niet gericht op terugkeer naar Polen. Dat hij nu stelt wel terug te zullen gaan naar Polen, is gelet op het voorgaande onvoldoende.

Handelt de minister voldoende voortvarend?

6. Eiser voert aan dat er pas op de zesde dag na inbewaringstelling een vertrekgesprek met hem is gevoerd. Dit terwijl hij al acht dagen in strafdetentie zat op [plaats 2]. Op 25 februari 2026 is aan hem al de M122 uitgereikt en wist de minister dus al dat hij zou worden overgedragen aan de AVIM. De inspanningsverplichting is dan ook geschonden nu niet vanaf dat moment aan de uitzetting is gewerkt. Er moet ook een meer dan gebruikelijke voortvarendheid worden betracht, omdat zijn paspoort al in handen is van de autoriteiten en eiser bereid is mee te werken.

7. De rechtbank is van oordeel dat de inspanningsverplichting niet is geschonden en dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting. Aangezien eisers paspoort al in handen was van de autoriteiten, hoefde er geen vervangend reisdocument aangevraagd te worden gedurende de tijd dat eiser nog in strafdetentie zat. Gelet op de relatief korte duur van de strafdetentie, was de minister niet gehouden al andere uitzettingshandelingen te verrichten. Uit de stukken blijkt dat op 6 maart 2026, dus een dag na de inbewaringstelling, aan het OM is verzocht of kan worden ingestemd met uitzetting, waarin een reactietermijn is gegeven van drie werkdagen. De minister heeft ter zitting toegelicht dat op 11 maart 2026 vervolgens een akkoord voor het boeken van een vlucht aan de reisagent is gestuurd en dat de minister nu in afwachting is van een vluchtdatum. Verder blijkt uit de stukken dat op 11 maart 2026 een vertrekgesprek is gevoerd met eiser. De rechtbank is van oordeel dat deze stappen niet onredelijk lang hebben geduurd.

Leidt een ambtshalve toets tot een ander oordeel?

8. Ook ambtshalve ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot aan het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.

Wat is de conclusie?

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.W.H. Oude Aarninkhof, rechter, in aanwezigheid van A. Kanis, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. H.W.H. Oude Aarninkhof

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand