[naam], eiseres,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. A.J. de Boer),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 9 juni 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. Op het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toepasselijk recht
4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold voor 12 juni 2026.
Totstandkoming van het besluit
5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Kroatië op 16 maart 2026 een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek op 26 maart 2026 aanvaard.
Gronden van beroep
6. Eiseres voert aan dat zij vanwege haar persoonlijke ervaringen en de algemene situatie niet kan worden overgedragen aan Kroatië. Ze stelt zich op het standpunt dat de minister de bezwaren die zij heeft aangevoerd in de zienswijze onvoldoende heeft betrokken bij de besluitvorming. De minister heeft de door eiseres aangevoerde individuele omstandigheden wel genoemd, maar niet kenbaar, dragend en in onderlinge samenhang beoordeeld. Zo is de minister niet inhoudelijk ingegaan op het betoog van eiseres dat zij is mishandeld door de Kroatische autoriteiten en dat zij hier een trauma door heeft opgelopen. Ook is de beoordeling van de veiligheid van eiseres als alleenstaande vrouw ondeugdelijk gemotiveerd. Daarnaast is het besluit ten aanzien van de psychische en medische situatie van eiseres onzorgvuldig en ondeugdelijk gemotiveerd. Tot slot stelt eiseres dat de motivering ten aanzien van family life met haar gestelde echtgenoot tekortschiet. In de beoordeling van artikel 17 van de Dublinverordening is ten onrechte geen kenbare integrale afweging gemaakt van alle individuele omstandigheden.
Oordeel van de rechtbank
7. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat ten aanzien van Kroatië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 9 oktober 2024 geoordeeld dat voor Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan, omdat niet is gebleken dat sprake is van structurele tekortkomingen in het Kroatische asiel- en opvangsysteem. De Afdeling heeft dit hierna meermaals bevestigd, en voor het laatst in de uitspraak van 8 december 2025. In laatstgenoemde uitspraak heeft de Afdeling overwogen – door het oordeel van de onderliggende rechtbankuitspraak over te nemen – dat het AIDA-rapport van augustus 2025 (update 2024) geen wezenlijk ander beeld geeft dan het eerdere AIDA-rapport. De Afdeling heeft in deze uitspraken toegelicht dat niet is gebleken van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Kroatië, waarvan de minister niet onkundig kon zijn en op grond waarvan de vreemdeling niet had mogen worden overdragen aan Kroatië.
De rechtbank volgt de stelling van eiseres dat de minister het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd niet. De minister heeft terecht gesteld dat hij mocht volstaan met een standaardvoornemen. De rechtbank stelt vast dat de minister vervolgens in het bestreden besluit voldoende is ingegaan op de bezwaren van eiseres. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres zich bij problemen in Kroatië kan wenden tot (hogere) overheidsorganisaties aldaar. Dat geldt dus ook voor de gestelde mishandeling door de politie in Kroatië. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de autoriteiten van Kroatië haar niet kunnen of willen helpen.
De rechtbank overweegt verder dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden. De minister hoefde dan ook geen aanleiding te zien om de aanvraag van eiseres op grond van artikel 17, eerste lid van de Dublinverordening in behandeling te nemen. Ten aanzien van de medische en psychische omstandigheden van eiseres heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres hiervoor in Kroatië behandeling kan krijgen. Niet is gebleken dat de medische zorg in Kroatië ontoereikend is. Ook in de gezinsband met de gestelde echtgenoot van eiseres heeft de minister geen aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening.
Voor zover eiseres met de stelling dat zij recht heeft op family life een beroep heeft willen doen op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden overweegt de rechtbank dat in het bestreden besluit niet een daartoe strekkende aanvraag is beoordeeld. De onderhavige procedure heeft slechts betrekking op de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. van der Meulen-Postma, griffier.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.