RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.18648
[eiser], (hierna: eiser), [eiseres], (hierna: eiseres), [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
(hierna: de kinderen), hierna allen tezamen: eisers
V-nummers: [V-nummer 1], [V-nummer 2], [V-nummer 3] en [V-nummer 4]
(gemachtigde: mr. E. Wolthuis),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. R. van Dooren),
alsmede
de Staat der Nederlanden (namens deze: de minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Staat).
Procesverloop
Bij besluit van 18 mei 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eisers verleende
verblijfsvergunningen regulier onder respectievelijk de beperking ‘arbeid als kennismigrant’
en ‘verblijf als familie- of gezinslid bij eiser’ per 30 september 2021 ingetrokken en aan hen
terugkeerbesluiten opgelegd.
Bij besluit van 10 maart 2023 heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld.
Deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, heeft met de uitspraak van 2 februari 2024 (met zaaknummer NL23.10530) het beroep gegrond verklaard, het besluit van 10 maart 2023 vernietigd en verweerder opgedragen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen.
Bij besluit van 31 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar (opnieuw) ongegrond verklaard. Verweerder heeft het bezwaar van de kinderen van eisers gedeeltelijk gegrond verklaard. Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser en eiseres zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser is geboren op [geboortedatum 1]. Eiseres is zijn echtgenote. Zij is geboren op [geboortedatum 2]. Hun twee minderjarige kinderen zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum 3] 2018 en [geboortedatum 4] 2020. Zij bezitten alle vier de Zuid-Afrikaanse nationaliteit.
Aan eiser is met ingang van 22 juli 2018 tot en met 23 juli 2023 een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘arbeid als kennismigrant’ verleend. Aan eiseres en de kinderen zijn met ingang van respectievelijk 22 juli 2018 en 29 augustus 2020 tot en met 23 juli 2023 verblijfsvergunningen regulier onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij eiser’ verleend.
Bij meldingsformulier van 26 mei 2021 heeft de erkend referent Tandheelkunde
Haaksbergen te kennen gegeven dat eiser per 1 juli 2021 zijn ontslag heeft ingediend. Per 31 augustus 2021 is eiser in dienst getreden bij [bedrijf 1] die op dat moment geen erkend referent was. De aanvraag voor erkend referentschap is pas op 18 mei 2022 ingediend. Verweerder heeft bij besluit van 18 mei 2022 de aan eisers verleende verblijfsvergunningen met terugwerkende kracht vanaf 30 september 2021 ingetrokken (rekening houdend met drie maanden zoekperiode).
Op 14 juni 2022 hebben eisers nieuwe verblijfsvergunningen regulier
respectievelijk onder de beperking ‘arbeid als kennismigrant’ en ‘verblijf als familie- of
gezinslid bij eiser’ aangevraagd. Eiser is met ingang van 1 juli 2022 in dienst getreden bij
erkend referent [bedrijf 2] Bij besluit van 20 juli 2023 heeft verweerder deze
aanvragen ingewilligd.
Uitspraak van de rechtbank van 2 februari 2024
2. In haar uitspraak van 2 februari 2024 heeft de rechtbank als volgt geoordeeld. Verweerder heeft zijn bevoegdheid tot intrekking ingevuld met beleid dat is opgenomen in paragraaf B1/6.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). De rechtbank toetst op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) of toepassing van dit beleid in het concrete geval van eisers onevenredig was en of verweerder van het beleid had moeten afwijken. Daarbij wordt getoetst of de maatregel geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is. Volgens de rechtbank heeft verweerder de betrokken belangen niet juist beoordeeld en afgewogen, en is het besluit niet evenwichtig. Zo wijst verweerder op het belang van het economisch welzijn, de bescherming van de openbare orde en de bescherming van de gezondheidszorg. Eiser heeft echter als tandarts gewerkt en daarmee volgens de rechtbank deze belangen juist gediend. Ook heeft verweerder gewezen op het belang van strikte toepassing van het erkend referentschap ter voorkoming van omzeiling van de referentenprocedure. Volgens de rechtbank ontbreken echter aanwijzingen dat eiser of de niet-erkende referent een dienstverband zijn aangegaan om de normale referentenprocedure te omzeilen. Weliswaar heeft de niet-erkende referent de erkenning niet tijdig in orde gebracht, maar van oneigenlijke frauduleuze redenen was volgens de rechtbank geen sprake. Dat maakt dat het bestreden besluit niet juist is gemotiveerd. De rechtbank oordeelt verder dat de reactie van verweerder op het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet juist is gemotiveerd. Ten slotte heeft verweerder volgens de rechtbank ten onrechte nagelaten om ambtshalve te toetsen aan artikel 3.6b, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Verweerder is door de rechtbank opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank.
Bestreden besluit
3. Met het besluit van 31 maart 2024 heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen de intrekking van hun verblijfsvergunning (opnieuw) ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij een evenredigheidsbeoordeling verricht. Verweerder is eerst ingegaan op de door eisers aangevoerde belangen bij het afzien van intrekking van hun verblijfsvergunningen. Vervolgens heeft verweerder de redenen en belangen genoemd voor het strikt handhaven van het erkend referentschap. Verweerder heeft gewezen op het belang van een sluitend referentenstelsel teneinde te voorkomen dat de kennismigrantenregeling een sluiproute wordt om de normale referentenprocedure te omzeilen. Ook heeft verweerder gewezen op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 30 november 2017, ECLI:NL:RVS:2018:173, waarin juiste toepassing van de voorwaarden van de kennismigrantenregeling als een legitiem belang wordt aangemerkt. Verweerder stelt verder dat de verantwoordelijkheid voor de naleving van de regels wel degelijk bij eiser lag; hij had er zorg voor moeten dragen dat hij na zijn ontslag in dienst zou treden bij een werkgever die op dat moment reeds als erkend referent was aangewezen. [bedrijf 1] heeft de aanvraag tot erkend referentschap pas op 18 mei 2022 ingediend. Verweerder concludeert dat de intrekking van de verblijfsvergunningen niet onevenredig is in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Volgens verweerder is verder geen sprake van onnodig nadelige gevolgen. Verweerder heeft de intrekking van de verblijfsvergunning van de kinderen van eiser en eiseres wel deels gegrond verklaard.
Juridisch kader
4. Op grond van artikel 19 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) in samenhang gelezen met artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f van de Vw, kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden ingetrokken indien niet (langer) wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden.
In paragraaf B1/6.3 van de Vc heeft verweerder invulling gegeven aan deze discretionaire bevoegdheid door te bepalen dat de verblijfsvergunning regulier wordt ingetrokken met ingang van de datum waarom niet (meer) wordt voldaan aan de voorwaarden.
Beoordeling door de rechtbank
Evenredigheidsbeginsel
5. Eisers betogen dat de intrekking van hun verblijfsvergunningen onevenredig is in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. Ter onderbouwing van die stelling voeren eisers aan dat verweerder (wederom) niet concreet heeft gemaakt hoe het gestelde belang van een sluitend referentenstelsel ter voorkoming van omzeiling van de referentenprocedure concreet wordt gediend met de intrekking van hun verblijfsvergunningen. Daarnaast voeren eisers aan dat verweerder geen rekening heeft gehouden met het feit dat er geen aanwijzingen zijn dat eiser en zijn werkgever de normale referentenprocedure hebben beoogd te omzeilen of dat sprake is van oneigenlijke frauduleuze redenen. Evenmin heeft verweerder meegewogen dat het economisch belang en de volksgezondheid door eiser niet in gevaar zijn gebracht maar dat eiser die belangen juist heeft gediend omdat hij als tandarts werkzaam is geweest. Verder betogen eisers dat het ontstaan van een verblijfsgat en het opnieuw moeten opbouwen van verblijfsrechten voor hem en zijn gezinsleden wel degelijk nadelige gevolgen heeft, aangezien zij opnieuw vijf jaar in Nederland moeten verblijven voordat zij in aanmerking komen voor een sterker verblijfsrecht. Verweerder is niet ingegaan op deze en andere nadelige gevolgen van de intrekking, zoals een mogelijke terugvordering van toeslagen en zorgkosten. Tot slot heeft de intrekking grote negatieve gevolgen gehad op het mentale welzijn van eisers.
De rechtbank oordeelt als volgt. Het evenredigheidsbeginsel is neergelegd in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb en houdt heel kort samengevat in dat de bestuursrechter toetst (1) of het besluit geschikt is om het doel te bereiken, (2) of het een noodzakelijke maatregel is of dat met een minder vergaande maatregel kon worden volstaan en (3) of de maatregel in het concrete geval evenwichtig is. Dit beoordelingskader is ook van toepassing in zaken waarin het bestreden besluit berust op een discretionaire bevoegdheid die is ingevuld met beleidsregels, zoals in onderhavige zaak het geval is. Op grond van artikel 4:84 van de Awb dient het bestuursorgaan van een beleidsregel af te wijken als toepassing ervan in een concreet geval onevenredige gevolgen heeft.
De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Uit rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraken van 30 november 2017, RVS:2017:3294, en van 6 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2285, volgt dat intrekking met terugwerkende kracht van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘arbeid als kennismigrant’ bij een niet erkend referent in beginsel evenredig is, omdat een juiste toepassing van de kennismigrantenregeling een legitiem belang is. In de uitspraak van de Afdeling van 30 november 2017 is geoordeeld dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet modern migratiebeleid volgt dat de koppeling tussen de referentstelling en de verblijfsvergunning van een vreemdeling die verblijf beoogt als kennismigrant, bewust is aangebracht om te voorkomen dat een werkgever, zonder zich referent te stellen, toch het gewenste verblijf van de desbetreffende vreemdeling kan bewerkstelligen. De rechtbank leidt uit deze rechtspraak af dat er in beginsel een legitiem belang bestaat om in alle gevallen waarin het erkend referentschap ontbreekt over te gaan tot intrekking en dat dit niet slechts geldt als in het concrete individuele geval aanwijzingen bestaan dat de referentenprocedure bewust is omzeild. Dat niet is gebleken van kwade trouw of frauduleuze intenties, maakt dus nog niet dat verweerder in dit geval niet mocht vasthouden aan het vereiste van referentstelling. Verweerder hoeft in beginsel dus niet concreet te maken dat zijn belangen zijn gediend met de intrekking in het individuele geval van eisers en dat er aanwijzingen zijn dat het dienstverband is aangegaan om de normale referentenprocedure te omzeilen, dat er sprake is van oneigenlijke frauduleuze redenen of dat het economisch belang en de volksgezondheid door eiser in gevaar zijn gebracht of juist zijn gediend door zijn werk als tandarts. Dat is hooguit anders als er zwaarwegende belangen van eisers tegenover staan.
Tegenover het hiervoor besproken legitieme belang van verweerder staan de belangen van eisers. Bij het beoordelen van de evenwichtigheid van het besluit kijkt de rechtbank naar de gevolgen van het besluit.
De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit nadelige gevolgen heeft voor eisers. Door de intrekking van de verblijfsvergunningen is immers een verblijfsgat ontstaan waardoor de door eisers opgebouwde jaren aan rechtmatig verblijf zijn weggevallen en eisers langer moeten wachten om in aanmerking te komen voor verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd of naturalisatie (hiervoor is vereist dat iemand langer dan vijf jaar rechtmatig- en aaneensluitend verblijf heeft opgebouwd). Dit nadelige gevolg is echter niet onevenredig in verhouding tot de met de intrekking beoogde doelen. Eisers betoog dat het economisch belang en de volksgezondheid niet in gevaar worden gebracht maar juist zijn gediend met zijn werkzaamheden als tandarts, is onvoldoende om tot een andere conclusie te komen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit mocht meewegen dat eiser zelf bekend had moeten zijn met de voorwaarde en dat hij er niet op had mogen vertrouwen dat het erkend referentschap van de werkgever tijdig in orde zou worden gebracht. Uit de Afdelingsuitspraak van 30 november 2017 volgt dat de niet-erkenning van de referent niet alleen de werkgever maar ook de vreemdeling kan worden verweten. Uit artikel 4.26 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 volgt dat een vreemdeling die in Nederland verblijft als kennismigrant inlichtingen aan verweerder verstrekt indien hij van werkgever wijzigt. Daar komt bij dat eiser zelf, voordat hij bij de vorige werkgever ontslag nam, contact heeft opgenomen met verweerder om navraag te doen naar de eisen die gelden in geval van indiensttreding bij een nieuwe werkgever en dat verweerder eiser toen heeft medegedeeld dat de nieuwe werkgever erkend referent dient te zijn op het moment van indiensttreding. Ook om die reden kan eiser redelijkerwijs niet volhouden dat hij niet op de hoogte was of had moeten zijn van de verplichting of dat hij ervan mocht uitgaan dat het in orde was. De rechtbank neemt bij de belangenafweging verder in aanmerking dat eisers opnieuw in het bezit zijn gesteld van een verblijfsvergunning, waardoor eisers hun verblijf en gezinsleven in Nederland hebben kunnen voortzetten. Het is de rechtbank ook niet gebleken dat eisers in de toekomst niet alsnog in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en voor een naturalisatieprocedure.
Gezien hetgeen in 5.2. en 5.3. is overwogen, is de intrekking van de verblijfsvergunningen met ingang van 30 september 2021 niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Er was dus ook geen grond om op grond van artikel 4:84 van de Awb wegens bijzondere omstandigheden van het beleid af te wijken.
Gelijkheidsbeginsel
6. Eisers betogen dat het bestreden besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Daartoe wijzen eisers op een lijst van zaken waarin verweerder ervoor heeft gekozen om een fout van de werkgever niet voor rekening van de kennismigrant te laten komen en de verblijfsvergunning niet met terugwerkende kracht in te trekken.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eisers onvoldoende hebben onderbouwd op welke punten de aangehaalde zaken gelijkenissen vertonen met onderhavige zaak. De overgelegde lijst met (korte samenvattingen van) zaken waarin verweerder van intrekking heeft afgezien, is daartoe onvoldoende. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat verweerder terecht heeft gesteld dat in de aangehaalde zaken, anders dan in onderhavige zaak, sprake was van fouten die zijn gemaakt door een door verweerder erkende referent. In die zaken lag de verantwoordelijkheid voor de niet-naleving volledig bij de (erkende) referent, zodat de kennismigrant de gevolgen daarvan niet hoefde te dragen. In onderhavige zaak was de referent niet erkend en rustte er (ook) een verantwoordelijkheid op eiser. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. In dit verband bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Redelijke termijn
8. Eisers hebben verzocht om toekenning van een schadevergoeding wegens
overschrijding van de redelijke termijn.
Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, zoals de uitspraak van 14 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2668, is de redelijke termijn voor de afdoening van bestuursrechtelijke geschillen waarin sprake is van bezwaar en beroep in totaal twee jaar (voor bezwaar een half jaar en voor beroep anderhalf jaar). Wordt deze termijn overschreden, dan moet de overheid € 500,- aan immateriële schadevergoeding betalen voor ieder half jaar overschrijding, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Als zich de situatie voordoet dat een besluit door de rechtbank wordt vernietigd en dat leidt tot herhaalde besluitvorming op bezwaar, dient de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan verweerder te worden toegerekend en is dat slechts anders als de rechtbank de redelijke behandelingsduur voor een beroep heeft overschreden (zie naar analogie de uitspraak van 30 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW1467, onder 2.2.4).
In dit geval is de redelijke termijn aangevangen op 14 juni 2022, de datum waarop verweerder het bezwaarschrift tegen het primaire besluit heeft ontvangen. De tweejaarstermijn is ten tijde van deze uitspraak met, afgerond naar boven, twee jaar en drie maanden – zijnde 27 maanden – overschreden. Er zijn geen omstandigheden die deze overschrijding rechtvaardigen. Eisers hebben daarom recht op een schadevergoeding van € 2.500,-.
De behandeling van het bezwaar heeft, afgerond naar boven, 22 maanden geduurd. Daarbij is mede betrokken het deel van de beroepsfase waarin de beslissing op bezwaar is vernietigd. Daarmee heeft verweerder de redelijke termijn voor de bezwaarfase met 16 maanden overschreden. Het overige deel van de overschrijding, zijnde 11 maanden, komt voor rekening van de rechtbank. De overschrijding van de redelijke termijn wordt daarom voor 16/27 deel aan verweerder toegerekend en voor 11/27 deel aan de rechtbank. Dit betekent dat verweerder wordt veroordeeld tot betaling van (16/27 van € 2.500,- =) € 1.481,50 aan schadevergoeding aan eiser en de Staat tot betaling van (11/27 van € 2.500,- =) € 1.018,50.
De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten die eisers hebben gemaakt in verband met het verzoek tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 467,- (0,5 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Aangezien de overschrijding van de redelijke termijn is toe te rekenen aan zowel verweerder als de rechtbank, moeten verweerder en de Staat ieder de helft van de proceskosten betalen. De verdeling van deze kosten tussen verweerder en de Staat is weergegeven in het dictum.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot betaling aan eiser van een schadevergoeding van € 1.481,50;
- veroordeelt de Staat tot betaling aan eiser van een schadevergoeding van € 1.018,50;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 233,50;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 233,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.