RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.52269
(gemachtigde: mr. K. Mohasselzadeh),
en
(gemachtigde: [naam]).
Procesverloop
Bij besluit van 6 september 2026 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel (de grensdetentie) opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Het beroep stond aanvankelijk voor behandeling gepland op de zitting van 10 september 2026. Eiseres bleek toen echter niet in staat te zijn om te worden gehoord, reden waarom de behandeling van het beroep is uitgesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 15 september 2026 alsnog op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde (via een telefonische verbinding). Als tolk is verschenen F. Sergent. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
1. Verweerder kan op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw de vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen en die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, zolang er nog geen definitieve beslissing is genomen, verplichten zich op te houden in een ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang of in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure. Deze maatregel wordt opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang en wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken. Dit volgt uit artikel 5.5, tweede lid, van het Vb.
2. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel.
Zicht op uitzetting
3. Eiseres voert aan dat er geen zicht op uitzetting is. Zij kan namelijk niet op grond van de removal order worden verwijderd naar Brazilië omdat zij geen toegang heeft tot dat land. Ook kan zijn niet worden uitgezet naar Congo, omdat er daar ebola heerst.
De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), waaronder de uitspraak van 7 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2001), dat zicht op uitzetting geen voorwaarde is voor het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. Voor het opleggen van een dergelijke maatregel is slechts vereist dat eiseres aan de grens een asielaanvraag heeft ingediend en verweerder heeft besloten deze asielaanvraag in de grensprocedure te behandelen. Gelet hierop treft de beroepsgrond geen doel.
Lichter middel
4. Eiseres voert verder aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Eiseres ervaart zowel fysiek als psychisch problemen. Zij is daarom niet geschikt om in grensdetentie te verblijven, en in ieder geval is de grensdetentie onevenredig bezwarend voor haar.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, waaronder de uitspraak van 2 september 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:5077), volgt dat door verweerder in het grensbewakingsbelang voldoende noodzaak mag worden gezien om een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen en dat de beoordeling of verweerder in grensdetentiezaken met een lichter middel had moeten volstaan niet verder strekt dan de beoordeling of de grensdetentie onevenredig bezwarend is.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding is om een lichter middel toe te passen. Hoewel de rechtbank zich kan voorstellen dat de grensdetentie eiseres zwaar valt, maakt dat niet zonder meer dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen of dat de grensdetentie om deze reden niet langer kan worden voortgezet. Verweerder heeft er in de maatregel terecht op gewezen dat in het Justitieel Complex Schiphol (JCS) een medische dienst aanwezig is die gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Verweerder heeft er verder op gewezen dat eiseres reeds onder de aandacht staat van de medische dienst en dat zij eiseres niet detentieongeschikt hebben geacht. Eiseres heeft op haar beurt geen detentieongeschiktheidsverklaring ingebracht. Ook heeft zij geen medische stukken ingebracht waaruit de aard en de omvang van haar gestelde fysieke en psychische klachten blijken. Daardoor is niet gebleken dat haar gesteldheid in de grensdetentie snel achteruitgaat of dat de in het JCS beschikbare medische zorg voor haar niet toereikend is. Gelet hierop bestaat er, zoals verweerder terecht heeft gesteld, geen grond voor het oordeel dat de grensdetentie thans onevenredig bezwarend voor eiseres is. De beroepsgrond dat een lichter middel moet worden toegepast, slaagt gezien het voorgaande niet.
Slotsom beroepsgronden
5. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgronden van eiseres niet leiden tot het oordeel dat de grensdetentie tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Ambtshalve toetsing
6. Ook los van de door eiseres aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de grensdetentie tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was (vgl. de het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858).
Conclusie
7. Het beroep is gezien het voorgaande ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.