RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.52219
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A.B.G.T. von Bóné)
en
(gemachtigde: mr. L. Hartog).
Procesverloop
Met het bestreden besluit van 4 september 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep aanvankelijk op 10 september 2026 ter zitting willen behandelen. Bij bericht van 8 september 2026 heeft eiser aangegeven dat hij afziet van zijn recht op aanwezigheid bij de zitting en dat de zaak schriftelijk kan worden afgedaan. Op dezelfde dag heeft eiser de gronden van het beroep ingediend. Op 9 september 2026 heeft verweerder hierop gereageerd. Op 11 september 2026 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2003 en de Egyptische nationaliteit te hebben.
Toetsingskader
2. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
3. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat deze wordt gevorderd door het belang van de openbare orde, omdat er een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
4. De rechtbank stelt vast dat verweerder ook grond i heeft aangekruist, maar niet nader heeft gemotiveerd, zodat deze grond voor de verdere beoordeling buiten beschouwing blijft. De overige gronden die door verweerder in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, zijn niet door eiser betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel. De gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onderduiken bestaat.
Lichter middel
5. Eiser voert aan dat verweerder had kunnen volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht. Hij stelt dat hij Nederland vrijwillig wil verlaten, zij het niet naar Egypte, maar naar Italië. Niet is gebleken dat een meldplicht serieus is overwogen.
6. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Gelet op de gronden die aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag liggen, bestaat er een risico dat hij zal onderduiken. Verweerder heeft ook voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast om dit risico te ondervangen. De rechtbank acht daarbij van belang dat eiser eerder met onbekende bestemming is vertrokken. Voorts is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien voor een lichter middel.
Non-refoulement
7. Eiser voert aan dat uitzetting naar Egypte in strijd is met het non-refoulementbeginsel. Hij stelt dat hij in Egypte niet aan zijn militaire dienstplicht heeft voldaan en dat hij bij terugkeer naar Egypte een reëel risico loopt op vervolging en bestraffing daarvoor. Beoordeeld dient te worden of het, gelet op deze omstandigheden, verstandig en ongevaarlijk is om hem uit te zetten naar Egypte.
8. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 18 augustus 2026 volgt dat verweerder onderzoek heeft gedaan naar eisers refoulementsaanspraken, zoals die door hem tijdens de gehoren op 17 en 18 augustus 2026 naar voren zijn gebracht. Uit dit onderzoek is naar voren genomen dat er geen zwaarwegende, op feiten berustende redenen zijn die aan verwijdering van eiser naar Egypte in de weg staan. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder een deugdelijke refoulementsbeoordeling heeft verricht. Niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden die nopen tot een andere conclusie.
Ambtshalve toets
9. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van vreemdelingenbewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
10. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 16 september 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.