ECLI:NL:RBDHA:2026:26969

ECLI:NL:RBDHA:2026:26969

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 16-09-2026
Datum publicatie 16-09-2026
Zaaknummer NL26.29916
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Dublin, Duitsland

Uitspraak

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,

van Algerijnse nationaliteit,

V-nummer: [nummer] ,

(gemachtigde: mr. A.J. de Boer),

en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 28 mei 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Awb uitspraak zonder zitting.

Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen staat geregistreerd onder het zaaknummer NL26.29917. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.

3. De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het besluit tot het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het besluit

4. De EU heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard op 12 mei 2026 op grond van artikel 18, eerste lid, sub d, van de Dublinverordening.

Interstatelijk vertrouwensbeginsel

5. Eiser voert aan dat de minister zich in hoofdzaak op het interstatelijk vertrouwensbeginsel baseert, dat onvoldoende onderzoek is verricht en geen actuele en concrete landeninformatie bij zijn beoordeling heeft betrokken. Ook heeft de minister onvoldoende rekening gehouden met zijn individuele omstandigheden. Eiser heeft in Duitsland een slechte medische behandeling ondervonden. Hij stelt dat hij daar regelmatig zonder aanleiding door de bewaking is geslagen en dat hij daar onvoldoende medische zorg heeft gekregen. Volgens eiser heeft de minister uitsluitend getoetst of sprake is van structurele tekortkomingen en niet of hij individueel een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.

De rechtbank volgt eiser hierin niet. Het uitgangspunt is nog steeds dat volgens rechtspraak van de Afdeling ten aanzien van Duitsland nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is daarom aan eiser om aannemelijk te maken dat hij, vanwege de algemene situatie of zijn individuele omstandigheden, een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest. Daarin is eiser niet geslaagd. Eiser heeft in beroep geen concrete informatie overgelegd waaruit blijkt dat de situatie in Duitsland zodanig is dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De enkele stelling dat de minister geen actuele landeninformatie heeft betrokken, is daarvoor onvoldoende. Eiser heeft geen objectieve informatie naar voren gebracht die concrete aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat hij na overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. De enkele stelling dat hij problemen heeft ervaren in de bejegening vanuit de kant van de bewaking in Duitsland heeft de minister onvoldoende mogen vinden.

Anders dan eiser stelt, heeft de minister eisers individuele verklaringen over Duitsland en de ervaringen bij de bejegening door de bewaking bovendien afdoende kenbaar betrokken en heeft hij zich op het standpunt mogen stellen dat indien eiser in Duitsland problemen ervaart van hem verwacht mag worden dat hij zich daarover tot de Duitse autoriteiten wendt om daarover te klagen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dat voor hem onmogelijk of bij voorbaat zinloos is. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Medische omstandigheden

6. Eiser stelt dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn medische situatie. Hij heeft een niertransplantatie ondergaan in Zwitserland, heeft diabetes en gebruikt, naar eigen zeggen, 10 tot 15 verschillende voorgeschreven medicijnen. Eiser stelt in Duitsland slechte medische zorg te hebben ontvangen. De minister is hierop niet nader ingegaan.

Ook deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft de medische omstandigheden van eiser afdoende kenbaar bij zijn beoordeling betrokken en heeft op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervanuit mogen gaan dat de medische voorzieningen in Duitsland vergelijkbaar zijn met die in Nederland en dat eiser toegang kan krijgen tot de voor hem noodzakelijke medische zorg. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de voor hem noodzakelijke behandeling of medicatie in Duitsland niet beschikbaar of voor hem niet toegankelijk is. Daarbij heeft de minister mogen betrekken dat Duitsland het terugnameverzoek heeft aanvaard. Verder heeft de minister erop gewezen dat relevante informatie over de gezondheidstoestand van eiser, met zijn toestemming op grond van artikel 32 van de Dublinverordening, vóór de overdracht aan Duitsland kan worden verstrekt, zodat Duitsland rekening kan houden met eventuele bijzondere medische behoeften van eiser. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze waarborgen in zijn geval onvoldoende zijn. Evenmin is gebleken dat eiser, vanwege zijn medische toestand, niet aan Duitsland kan worden overgedragen.

Artikel 17 Dublinverordening

7. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening moet worden bekeken of er bijzondere, individuele omstandigheden zijn aangevoerd die aanleiding geven om de asielaanvraag van eiser toch in Nederland te behandelen.

Artikel 17, eerste lid, Dublinverordening bevat een discretionaire bevoegdheid. De rechtbank is van oordeel dat de minister de door eiser aangevoerde omstandigheden kenbaar in zijn beoordeling heeft betrokken en zich, anders dan eiser stelt en mede gelet op wat hiervoor is overwogen over de situatie in Duitsland en de medische omstandigheden van eiser, deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft mogen stellen dat geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die aanleiding geven de asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken.

Indirect refoulement

8. Eiser stelt verder dat de minister onvoldoende heeft onderzocht of hij na overdracht aan Duitsland een risico loopt op indirect refoulement. Het enkele claimakkoord biedt onvoldoende waarborg tegen dit risico.

Ook deze beroepsgrond kan niet slagen. De rechtbank wijst naar de uitspraak van het Hof van 30 november 2023 en de Afdeling van 12 juni 2024. Uit die uitspraken volgt dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Dit is alleen anders als niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden ten aanzien van het betreffende land, omdat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat er in dat land sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeken. Zoals hiervoor onder 5.1. is overwogen kan ten aanzien van Duitsland nog altijd worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank onderzoekt daarom niet of er bij overdracht aan Duitsland een risico is op indirect refoulement.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Aissa, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.G.D. Overmars

Griffier

  • mr. F. Aissa

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand