RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.39239
(gemachtigde: mr. E.J.P. Cats),
en
(gemachtigde: mr. L.O. Augustinus).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser, als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 13 juni 2026 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 8 juli 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. De minister heeft aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 26 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door een tolk, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Het onderzoek ter zitting is gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser heeft de Turkse nationaliteit en heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij zowel op mannen als op vrouwen valt. Hierdoor heeft hij in Turkije problemen met zijn familie gehad. Eiser heeft ook verklaard afvallig te zijn en zich te hebben bekeerd tot het agnosticisme. Tot slot heeft eiser verklaard dat hij acht jaar in detentie heeft gezeten en dat hij zich niet heeft gehouden aan de regels van zijn meldplicht. Daarom zou eiser bij terugkeer weer naar de gevangenis moeten.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
De seksuele gerichtheid en de daaruit volgende problemen
5. De seksuele gerichtheid en de daaruit volgende problemen zijn volgens de minister niet geloofwaardig. Daartoe heeft de minister aangegeven dat eiser zijn verklaringen niet heeft onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Dit betekent dat de minister verder moet beoordelen of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval. Eiser voldoet namelijk niet aan de voorwaarden van artikel 4, lid 5, onder c, van de Kwalificatieverordening (EU) 2024/1347. Zo vormen de verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel, omdat de geschetste tijdlijn tegenstrijdig is en eiser wisselend heeft verklaard over zijn eerste ervaring met een man. Ook heeft eiser summier verklaard over dat hij zich voor het eerst uitspreekt over zijn seksuele gerichtheid tegen zijn beste vriend. Wanneer bij deze verklaringen wordt doorgevraagd, blijft eiser verklaren in algemeenheden en weet eiser dit moment niet aannemelijk te maken. Ook kan eiser niet uitleggen hoe hij andere mannen leerde kennen en weet eiser niet meer op welke manier en op welke leeftijd hij erachter kwam dat hij op mannen viel. Ten slotte heeft eiser zijn seksuele gerichtheid nooit geuit in Turkije of Nederland. Eiser is ook niet op de hoogte van LHBTI-organisaties, omdat eiser daar nooit onderzoek naar heeft gedaan. Op grond van het voorgaande vindt de minister de seksuele gerichtheid van eiser, en daarmee ook de daaruit volgende problemen, niet geloofwaardig.
Ten aanzien van de door eiser aangevoerde problemen die zien op zijn seksuele gerichtheid heeft de minister aangegeven dat niet valt in te zien waarom eiser toen hij in de gevangenis zat de banden met zijn familie wilde aanhalen terwijl zijn familie hem zou willen doden vanwege zijn seksuele gerichtheid. Ook blijkt uit verklaringen van eiser dat hij al zes jaar geen contact meer had gehad met zijn familie, zodat niet valt in te zien op welke manier de familie op dit moment nog naar hem op zoek zou zijn of dat er daadwerkelijk een doodsbedreiging werd gedaan op het moment dat eiser uit de gevangenis kwam. Ten slotte heeft de minister opgemerkt dat de problemen met de familie, die ook in de rechtbank zijn behandeld, niet inzichtelijk zijn gemaakt. Ook heeft eiser geen enkel document ingeleverd dat deze problemen kan onderbouwen.
Eiser bestrijdt het standpunt van de minister en voert aan dat hij wel degelijk met zijn verklaringen zijn biseksuele geaardheid alsmede de in verband hiermee voor hem in Turkije dreigende vervolging aannemelijk heeft gemaakt. Zo meent eiser dat, gezien zijn culturele achtergrond en zijn lage opleiding, zijn verklaringen omtrent zijn gerichtheid heel
persoonlijk, authentiek en voldoende diepgaand zijn. Twijfel is hier dan ook niet gerechtvaardigd. Eiser meent dat hij ook concreet over de bedreigingen door zijn familie heeft verklaard. Hij heeft naar beste kunnen telkens antwoord gegeven op de vragen die hem tijdens het gehoor werden gesteld. Hij heeft authentiek, persoonlijk en consistent verklaard over zijn eigen ervaringen en persoonlijke beleving met betrekking tot zijn seksuele gerichtheid en wat dit voor hem en zijn omgeving en zijn land heeft betekend. De verklaringen passen in het algemene beeld dat bekend is van personen in de situatie als die van eiser.
6. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog. Daartoe overweegt de rechtbank dat eiser met zijn betoog niet ingaat op dat wat hem door de minister wordt tegengeworpen zoals weergegeven onder 5 en 5.1. Zo gaat eiser niet in op het standpunt van de minister dat eiser wat betreft de tijdlijn tegenstrijdig heeft verklaard, dat eiser wisselend heeft verklaard over zijn eerste ervaring met een man en dat hij summier heeft verklaard over dat hij zich voor het eerst uitspreekt over zijn seksuele gerichtheid. Het enkele betoog van eiser dat zijn verklaringen gezien zijn culturele achtergrond en zijn lage opleiding heel persoonlijk, authentiek en voldoende diepgaand zijn, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de seksuele gerichtheid en de daaruit volgende problemen niet geloofwaardig zijn.
Voor zover eiser meent dat de minister ten onrechte niet het referentiekader bij de boordeling heeft betrokken, zoals besproken ter zitting, is de rechtbank van oordeel dat ook dit betoog geen doel treft. Daartoe overweegt de rechtbank dat de minister, hoewel niet expliciet in het bestreden besluit uitgeschreven, de leeftijd van eiser bij de besluitvorming heeft betrokken, maar het opvallend vindt dat eiser helemaal niets kan vertellen over de manier en op welke leeftijd hij erachter kwam dat hij op mannen viel. Ook heeft de minister in het besluit aangegeven dat vragen zijn gesteld over het verschil tussen Oost- en West Turkije. Daarmee heeft de minister in zoverre de culturele achtergrond bij de beoordeling betrokken. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het enkele betoog van eiser dat de minister ten onrechte niet het referentiekader bij de boordeling heeft betrokken, zonder daarbij concreet aan te geven wat de minister ten onrechte niet bij de beoordeling heeft betrokken, niet maakt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld de seksuele gerichtheid niet geloofwaardig is.
De door eiser in beroep overgelegde stukken
7. Eiser heeft in beroep kopieën van een detentiedocument, een identiteitskaart van de gevangenis en zijn Turkse identiteitskaart overgelegd. Ter zitting heeft hij toegelicht dat uit het detentiedocument blijkt dat drie van de veroordelingen te maken hebben met het familieprobleem. Eiser wijst op het strafartikel 86 waaruit dat blijkt.
De rechtbank volgt het standpunt van de minister ter zitting, inhoudende dat uit het detentiedocument niet volgt dat eiser vanwege zijn seksuele gerichtheid problemen met zijn familie heeft ervaren. Ook uit strafartikel 86, dat gaat over mishandeling, volgt dat niet. Omdat uit de door eiser overgelegde stukken niet blijkt dat hij problemen met zijn familie heeft vanwege zijn seksuele gerichtheid, bieden deze stukken geen aanleiding voor het oordeel dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de seksuele gerichtheid en de daaruit volgende problemen niet geloofwaardig zijn.
Turkije veilig land van herkomst
8. De minister heeft in het besluit aangegeven dat eiser uit Turkije komt en dat Turkije in het algemeen als een veilig land van herkomst kan worden aangemerkt. De Europese Unie (EU) heeft landen die kandidaat zijn om lid te worden van de EU namelijk aangewezen als veilig land van herkomst. Dat blijkt uit artikel 62, eerste lid, van de Procedureverordening en Verordening (EU) 2026/464, overweging 7. Deze landen worden kandidaat-lidstaten genoemd. Uit de verklaringen van eiser blijkt volgens de minister niet dat Turkije voor eiser persoonlijk niet veilig is. Zo heeft eiser volgens de minister op geen enkel moment concrete persoonlijke problemen gehad vanwege zijn Koerdische etniciteit dan wel vanwege zijn afvalligheid en de bekering tot een agnostische levensovertuiging. Om die reden krijgt eiser geen verblijfsvergunning asiel. Wat betreft de acht jaar dat eiser voor verschillende delicten in de gevangenis heeft gezeten heeft de minister aangegeven dat de veroordelingen commune delicten betreffen. Dat eiser een meldplicht heeft geschonden en eiser naar eigen zeggen daarom terug naar de gevangenis moet is ook geen reden voor asiel. Verder is de situatie in de Turkse gevangenis niet dusdanig slecht, dat enkel een terugkeer naar detentie zorgt voor ernstige schade, nu er geen sprake is van onmenselijke behandeling.
Eiser voert aan, hoewel hij in verband met een gevangenisstraf voor een commuun delict in Turkije dreigt te worden gearresteerd en dat hij zwaar zal worden gemarteld.
9. De rechtbank stelt in dit verband vast dat eiser zijn betoog wat betreft de problemen in verband met de Koerdische etniciteit dan wel zijn afvalligheid en de bekering tot een agnostische levensovertuiging, ter zitting van de rechtbank heeft laten vallen. Dit betoog behoeft dan ook geen bespreking meer.
Ook stelt de rechtbank vast dat eiser niet bestrijdt dat de minister Turkije als een veilig land van herkomst heeft aangemerkt. Eiser vindt dat Turkije voor hem niet veilig is. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog. Daartoe overweegt de rechtbank dat eerder is overwogen dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de seksuele gerichtheid en de daaruit volgende problemen niet geloofwaardig zijn. De rechtbank concludeert dan ook dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hem een behandeling of bestraffing in strijd met artikel 3 van het EVRM staat te wachten. In de enkele en niet onderbouwde stelling van eiser dat hij zwaar zal worden gemarteld, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel.
Conclusie en gevolgen
10. De minister heeft de aanvraag als kennelijk ongegrond mogen afwijzen. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.