RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.15807
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. F.A. van den Berg),
en
(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).
Procesverloop
1. Met het besluit van 19 april 2024 heeft de minister de aanvraag van eiseres om verlening van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ afgewezen. Ook heeft hij de verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij partner met terugwerkende kracht ingetrokken per 25 juli 2022.
2. Met het besluit van 12 maart 2025 op het bezwaar van eiseres (het bestreden besluit), is de minister bij de afwijzing van de aanvraag voor voortgezet verblijf en de intrekking van de verblijfsvergunning voor verblijf bij partner gebleven. De minister heeft eiseres met dit besluit met ingang van 13 mei 2024 ambtshalve een vergunning verleend op grond van artikel 8 EVRM.
3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
4. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
5. De rechtbank heeft het beroep op 30 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. De zitting heeft zonder tolk plaatsgevonden, omdat eiseres heeft verklaard de Nederlandse taal voldoende te beheersen.
Overwegingen
6. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1973 en heeft de Oekraïense nationaliteit. Zij is in september 2013 met haar dochter naar Nederland gekomen. Zij is op 28 oktober 2021 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referent 1] ’, met geldigheid tot 5 oktober 2026. Uit de basisregistratie personen is gebleken dat de heer [referent 1] per 25 juli 2022 is verhuisd naar een ander adres. Op 25 juli 2023 heeft de minister een ‘meldingsformulier referent’ ontvangen waarin is aangegeven dat de relatie tussen eiseres en de heer [referent 1] is verbroken. Eiseres heeft op 21 december 2023 een verblijfsvergunning regulier voor voortgezet verblijf aangevraagd.
Het bestreden besluit
7. De minister heeft in het bestreden besluit de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een vergunning voor voortgezet verblijf gehandhaafd, omdat zij niet heeft aangetoond dat zij sinds haar komst naar Nederland vijf jaar onafgebroken verblijf heeft gehad als partner of echtgenoot van de heer [referent 1] . Ook heeft hij de eerder verleende verblijfsvergunning ingetrokken per 25 juli 2022, de datum waarop de heer [referent 1] naar een ander adres is verhuisd.
De minister heeft in bezwaar, na een ambtshalve toets, geoordeeld dat eiseres in aanmerking komt voor verblijf in Nederland op grond van artikel 8 EVRM. Hij heeft haar in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referent 2] ’, de dochter van eiseres, met ingangsdatum 13 mei 2024. Voor deze datum is aangesloten bij de datum van het indienen van het bezwaarschrift, omdat eiseres volgens de minister op die datum heeft aangetoond dat zij aan alle voorwaarden voldeed.
De gronden van beroep
8. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte niet heeft getoetst aan ‘privéleven’ in de zin van artikel 8 EVRM. Daar heeft zij in bezwaar wel beroep op gedaan; zij verblijft immers al twaalf jaar in Nederland, waarvan het grootste deel rechtmatig. Zij meent daarom dat zij in aanmerking komt voor een zelfstandig verblijfsrecht op grond van haar opgebouwde privéleven. Daarnaast verzet eiseres zich tegen de ingangsdatum van de verleende verblijfsvergunning. De eerder verleende verblijfsvergunning, als partner van de heer [referent 1] , is met terugwerkende kracht ingetrokken per 25 juli 2022. Eiseres voldeed per die datum aan de voorwaarden voor verblijf op grond van zowel privéleven als gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM. De minister is daarom ten onrechte uitgegaan van de datum van het indienen van het bezwaarschrift.
De rechtbank oordeelt als volgt.
8 EVRM privéleven
9. De rechtbank beoordeelt ambtshalve of er, ondanks de aan eiseres verleende vergunning op grond van artikel 8 EVRM voor verblijf bij haar dochter, nog sprake is van procesbelang. Eiseres heeft in bezwaar aangevoerd dat de minister niet alleen aan gezinsleven, maar ook aan privéleven in de zin van artikel 8 EVRM had moeten toetsen. Een vergunning op basis van artikel 8 EVRM privéleven biedt een zelfstandig verblijfsrecht, waarbij de houder niet afhankelijk is van verblijf bij een gezins-of familielid. Het betreft daarom een sterker verblijfsrecht. Om deze reden neemt de rechtbank procesbelang aan.
De minister stelt zich in beroep primair op het standpunt dat hij niet gehouden was een belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM privéleven te maken, omdat hij eiseres al ambtshalve op andere gronden een verblijfsvergunning heeft verleend. Subsidiair stelt de minister zich op het standpunt dat de belangenafweging in het kader van 8 EVRM privéleven, die hij in het verweerschrift heeft opgenomen, in het nadeel van eiseres uitvalt.
De rechtbank overweegt dat het bestreden besluit niet alleen een inwilliging inhoudt op het punt van de toetsing aan artikel 8 EVRM gezinsleven, maar dat het ook een afwijzing inhoudt op het punt van de toetsing aan artikel 8 EVRM privéleven. De minister was daarom gehouden daar een gemotiveerd standpunt over in te nemen. Het ontbreken hiervan vormt een gebrek in het bestreden besluit. Dit gebrek is naar het oordeel van de rechtbank niet met het verweerschrift hersteld. De minister heeft immers geen onderzoek gedaan naar het door eiseres gestelde privéleven en haar niet in de gelegenheid gesteld dit verzoek nader toe te lichten. Het beroep is alleen al om deze reden gegrond.
Ingangsdatum van de verleende vergunning
10. In het bestreden besluit is voor de ingangsdatum van de verleende vergunning aangesloten bij de datum van het bezwaarschrift van eiseres tegen het primaire besluit, omdat eiseres eerst op die datum zou hebben aangetoond dat zij aan alle voorwaarden voor de vergunning voldoet. In beroep heeft de minister dit standpunt toegelicht door erop te wijzen dat eiseres pas in bezwaar het belang van het minderjarige kind specifiek heeft benoemd en een beroep heeft gedaan op artikel 8 EVRM. De minister stelt zich subsidiair op het standpunt dat de ingangsdatum van de verleende vergunning in elk geval niet eerder kan liggen dan de datum van de aanvraag van de vergunning voor voortgezet verblijf, in dit geval 21 december 2023. Dit leidt hij af uit artikel 26, eerste lid, van de Vw.
De rechtbank overweegt dat voor de bepaling van de ingangsdatum van een vergunning op grond van artikel 8 EVRM bij intrekking van een verblijfsvergunning, de minister vaste beleidslijnen heeft vastgelegd. In paragraaf 11.3 van de relevante werkinstructie is bepaald dat indien een verleende verblijfsvergunning, al dan niet met terugwerkende kracht, wordt ingetrokken, de verblijfsvergunning regulier voor het uitoefenen van het gezins- of privéleven op grond van artikel 8 EVRM, wordt verleend vanaf de datum waarop van een beschermenswaardig gezins- of privéleven sprake was.
De rechtbank volgt niet dat eiseres pas in bezwaar heeft aangetoond dat zij aan de voorwaarden voor verlening van een vergunning op grond van artikel 8 EVRM gezinsleven voldoet. Al in het primaire besluit van 19 april 2024 heeft de minister immers ambtshalve overwogen dat er sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM tussen eiseres en haar minderjarige dochter. Het standpunt van verweerder dat dit eerst met ingang van het indienen van het bezwaarschrift kan leiden tot vergunningverlening, omdat eisers zich pas op dat moment heeft beroepen op het belang van het kind, kan niet worden gevolgd. Het belang van het kind hoorde al bij de ambtshalve beoordeling door verweerder de eerste overweging te vormen. Verweerder heeft echter nagelaten om de hem ambtshalve bekende feiten en omstandigheden met betrekking tot het gezinsleven tussen eiseres en haar dochter in die overweging te betrekken.
De rechtbank volgt evenmin dat voor de ingangsdatum van de verleende vergunning moet worden aangesloten bij de datum van de aanvraag voor voortgezet verblijf. De vergunning is immers ambtshalve verleend. Deze ambtshalve beoordeling diende de minister uit te voeren bij de intrekking van de eerder verleende vergunning. De datum van de aanvraag is daarom niet redengevend voor de bepaling van de ingangsdatum van de verleende vergunning.
Op basis van de voorgaande overwegingen oordeelt de rechtbank dat de minister niet zonder nadere toelichting, in afwijking van het ter zake geformuleerde beleid, heeft kunnen weigeren om de verleende vergunning aansluitend aan de ingetrokken vergunning te laten ingaan. Deze beroepsgrond slaagt ook.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is gegrond.
Het bestreden besluit moet worden vernietigd voor zover hierin geen onderbouwd standpunt is opgenomen ten aanzien van de beoordeling van het privéleven in de zin van artikel 8 EVRM en voor zover de ingangsdatum van de verleende verblijfsvergunning is bepaald op 13 mei 2024.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Zij ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:51a van de Awb (bestuurlijke lus), omdat het niet op voorhand duidelijk is hoeveel tijd nodig is voor het door verweerder te verrichten nadere onderzoek. Bovendien is er geen bijzonder spoedeisend belang mee gemoeid nu eiseres in het bezit is van een verblijfsvergunning die geldig is tot 27 december 2028.
In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat de minister de door eiseres gemaakte proceskosten moet vergoeden. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt deze vergoeding vastgesteld op € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Ook moet de minister het door eiseres betaalde griffierecht van € 194,- vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan op 15 september 2026 door mr. S.S. van der Velde, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.