ECLI:NL:RBDHA:2026:26976

ECLI:NL:RBDHA:2026:26976

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 16-09-2026
Datum publicatie 16-09-2026
Zaaknummer NL25.60915
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Asiel, LHBTI+ uit Turkije. Gegrond. Hoewel op dit moment geen sprake is van een situatie die aanleiding geeft iedere LHBTIQ+ persoon uit Turkije aan te merken als vluchteling en dat geen sprake is van systematische en doelgerichte vervolging, heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat eiser vanwege zijn feminiene uiterlijk, zijn stem en zijn gedrag geen gegronde vrees voor vervolging heeft. Hoewel eiser niet heeft verklaard een transpersoon te zijn, is zijn situatie naar het oordeel van de rechtbank vergelijkbaar.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.60915

(gemachtigde: mr. R. Balkenende),

en

(gemachtigde: mr. D.A.M. Frieser).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 5 december 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft op 16 december 2025 de gronden van beroep ingediend. Deze heeft hij bij brieven van 10 maart 2026, 16 maart 2026, 17 maart 2026 en 24 maart 2026 verder aangevuld.

De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eiser, bijgestaan door een tolk, zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij uit Turkije komt en homoseksueel is. Hij heeft daarom problemen ervaren in zijn thuissituatie en in de maatschappij. In maart 2023 is eiser uitgegaan en droeg hij make-up. Eiser is die avond mensen tegengekomen uit de woonplaats van zijn ouders. De volgende dag werd eiser gebeld door zijn vader. Hij was woedend en heeft eiser telefonisch met de dood bedreigd. Daarom is eiser in januari 2024 definitief het land uit gevlucht. In Nederland is eiser nogmaals door zijn vader bedreigd via whatsapp. Bij terugkeer vreest eiser voor zijn vader, de maatschappij in zijn geheel en de autoriteiten, omdat zij eiser geen bescherming kunnen bieden.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister twee asielmotieven: (1) De identiteit, nationaliteit, herkomst en (2) de seksuele gerichtheid en daaruit volgende problemen. Beide motieven vindt de minister geloofwaardig.

De minister stelt zich verder in het voornemen, wat deel uitmaakt van het bestreden besluit, op het standpunt dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft. Dat eiser uit Turkije komt is op zichzelf niet genoeg om vluchteling te zijn. Wat betreft de vrees voor discriminatie vanuit de maatschappij heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eiser deze vrees niet aannemelijk heeft gemaakt. Hoewel niet ontkend wordt dat de retoriek in Turkije niet gunstig is voor de LHBTIQ+ gemeenschap en dat ook de positie van de gemeenschap onder druk staat, is op dit moment geen sprake van een situatie die aanleiding geeft iedere LHBTIQ+ persoon uit Turkije aan te merken als vluchteling. Homoseksualiteit is niet strafbaar in Turkije. LHBTIQ+ vormen geen risicogroep in het landgebonden beleid voor Turkije. Wel is in het beleid opgenomen dat aangenomen wordt dat het voor leden van de LHBTIQ+ gemeenschap niet mogelijk is om in geval van problemen bescherming te krijgen in Turkije.

De minister erkent dat eiser te maken heeft gehad met discriminatie en mobbing op werk, maar de discriminatie is niet dermate beperkend gebleken dat eiser onmogelijk maatschappelijk en sociaal kon functioneren: Eiser heeft onderwijs genoten, gestudeerd en toegang gehad tot de gezondheidszorg. Ook heeft eiser in zijn levensonderhoud kunnen voorzien. De minister erkent dat eiser wegens de vrijstelling op basis van zijn seksuele gerichtheid te maken kan krijgen met discriminatie en uitsluiting op o.a. de arbeidsmarkt bij terugkeer. Maar dat eiser niet elke baan kan krijgen die hij zou willen, betekent niet dat eiser vervolging ondergaat in de zin van het Vluchtelingenverdrag.

Ten aanzien van de vrees bij terugkeer heeft de minister aangegeven dat eiser geen concrete aanwijzingen heeft dat zijn vader hem daadwerkelijk wil doden. Ook heeft eiser niet onderbouwd dat zijn vader zo invloedrijk is dat eiser op elke plek in Turkije gevaar loopt. Verder vindt de minister van belang dat eiser na de bedreiging van zijn vader niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd.

Ten aanzien van het uiten van de homoseksuele geaardheid in Turkije heeft de minister aangegeven dat in zijn algemeenheid het uiten van een homoseksuele geaardheid niet vanzelfsprekend tot ernstige problemen zal leiden. Hoewel discriminatie en negatieve maatschappelijke retoriek jegens LHBTIQ+ wordt erkend, blijkt dat er geen sprake is van systematische en doelgerichte vervolging door de overheid. Uit de verklaringen van eiser is verder niet gebleken dat eiser zijn seksuele gerichtheid niet boven de in dit verband van belang zijnde ondergrens zou kunnen uiten. Enkel het niet elkaars hand vasthouden in het openbaar maakt niet dat de ondergrens in het gedrang komt. Verder blijkt dat eiser zich in Turkije tijdens het uitgaan ook als zichzelf durfde te kleden. Zo droeg hij make-up en nepwimpers tijdens het uitgaan. Daarnaast heeft eiser aangegeven dat hij niet direct stelt te vrezen voor de Turkse autoriteiten, maar voor zijn vader. Ook al wordt door de minister onderschreven dat de situatie voor de LHBTIQ+-gemeenschap in Turkije verre van ideaal is, is er geen reden om aan te nemen dat eiser bescherming nodig heeft tegen de Turkse autoriteiten of andere actoren.

In het bestreden besluit gaat de minister in op dat wat eiser in de zienswijze naar voren heeft gebracht. Zo gaat de minister in op de militaire vrijstelling. De minister heeft erkend dat eiser wegens de militaire vrijstelling te maken kan krijgen met discriminatie en uitsluiting op de arbeidsmarkt, maar dit betekent nog niet dat eiser vervolging ondergaat in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Nergens uit blijkt dat eiser als homoseksueel met een militaire vrijstelling volledig zal worden uitgesloten op de arbeidsmarkt en eiser niet meer in zijn onderhoud kan voorzien.

Wat betreft de ondergrens heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat er in het geval van eiser geen sprake is (geweest) van een systematische zeer ingrijpende bejegening van discriminatoire aard die een ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden oplevert.

Verder heeft de minister in het bestreden besluit aangegeven dat is erkend dat de vader van eiser vanwege de aantasting van zijn eer eiser iets wil aandoen en dat de vader naar eiser op zoek is, maar is volgens de minister niet aannemelijk dat de vader eiser overal in Turkije zou kunnen traceren.

Wat voert eiser aan

5. Eiser betoogt dat de verwijzing naar de algemene positie van LHBTIQ+ in Turkije geen recht doet aan zijn persoonlijke situatie. In het bestreden besluit is onvoldoende rekening gehouden met zijn persoonlijke kenmerken. Hij wijst daarbij op de conclusie van de AG van het Hof van Justitie EU van 4 december 2025 over de uitleg van het begrip “gegronde vrees voor vervolging”.

Volgens eiser heeft hij in de zienswijze duidelijk aangegeven dat hij persoonlijke kenmerken heeft die onderdeel uitmaken van zijn identiteit en die zijn situatie prangender maakt dan die van LHBTIQ+ als algemene groep. Dat is miskend in het bestreden besluit.

Zo wijst eiser erop dat hij is afgekeurd voor de militaire dienst met de code F64.8. Hij is daardoor voor het leven gelabeld en gestigmatiseerd als “bedorven” of “defect”, hetgeen in zijn optiek al een onmenselijke behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM is en strijdig is met de menselijke waardigheid op grond van artikel 1 van het Handvest van de EU. Eiser zal geen werk meer kunnen krijgen in Turkije. Ook heeft eiser zijn hele leven al te maken met discriminatie en met bedreigingen op school, op de universiteit en van zijn vader. Ook wijst eiser op zijn feminiene uiterlijk, zijn stem en zijn gedrag.

Eiser doet voorts een beroep op het gelijkheidsbeginsel.

Verder is er volgens eiser onvoldoende rekening gehouden met het serieuze karakter van de bedreigingen van zijn vader en diens mogelijkheden om eiser te vinden. In het bestreden besluit worden de doodsbedreigingen die de vader van eiser vanwege eerwraak heeft geuit, geloofwaardig beoordeeld. Het wordt volgens eiser ten onrechte niet aannemelijk geacht dat de vader van eiser hem overal in Turkije zal kunnen vinden. In WBV 2025/10 wordt aangenomen dat bij geloofwaardig geachte bedreigingen het voor LHBTIQ+ niet mogelijk is bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties en staat niets over de mogelijkheid van het onttrekken aan bedreigingen. De minister heeft gelet daarop zijn standpunt dat eiser wordt tegengeworpen dat hij zich aan zijn vader kan onttrekken, niet deugdelijk gemotiveerd.

Wat oordeelt de rechtbank

6. In de arresten van 4 juni 2026 in de zaken Ebilum en Quotal heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie overwogen dat de terughoudende toets, zoals de Nederlandse rechter die nu in asielzaken verricht, niet verenigbaar is met het Europees recht. In lijn met deze rechtspraak toetst de rechtbank het besluit daarom vol.

7. De rechtbank overweegt eerst dat de minister de asielmotieven geloofwaardig heeft geacht. Daarmee staat vast dat eiser homoseksueel is en om die reden problemen heeft ervaren in zijn thuissituatie en in de maatschappij. Zo acht de minister (onder meer) geloofwaardig dat eiser vanwege zijn homoseksualiteit is bedreigd door zijn vader en dat eiser om diezelfde reden is afgekeurd voor de militaire dienst. In zoverre gelooft de minister dat eiser vanwege zijn geaardheid is gediscrimineerd en problemen heeft ervaren. De minister vindt echter dat die discriminatie en problemen niet zo ernstig zijn dat sprake is van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Daarvoor moet sprake zijn van een onhoudbare situatie en daar is volgens de minister geen sprake van.

8. Hoewel de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat op dit moment geen sprake van een situatie die aanleiding geeft iedere LHBTIQ+ persoon uit Turkije aan te merken als vluchteling en dat geen sprake is van systematische en doelgerichte vervolging, heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat eiser vanwege zijn feminiene uiterlijk, zijn stem en zijn gedrag geen gegronde vrees voor vervolging heeft. Daartoe overweegt de rechtbank dat de minister met het standpunt dat het enkel niet elkaars hand vast kunnen houden in het openbaar niet maakt dat de ondergrens niet wordt gehaald, onvoldoende het feminiene uiterlijk, de stem en het gedrag van eiser bij de beoordeling heeft betrokken. Het niet hand in hand lopen is niet het grootste probleem voor eiser; het zijn juist vooral zijn uiterlijk, zijn stem en gedrag dat discriminatie en problemen oplevert. Ook met het standpunt van de minister dat eiser zich in Turkije tijdens het uitgaan als zichzelf durfde te kleden, heeft de minister onvoldoende oog voor de individuele situatie van eiser. Immers, ook als eiser niet uitgaat, kan hij vanwege zijn feminiene uiterlijk, zijn stem en zijn gedrag te maken krijgen met discriminatie en problemen. Het betoog van eiser dat hij persoonlijke kenmerken heeft die onderdeel uitmaken van zijn identiteit en die zijn situatie prangender maakt dan die van LHBTI+ als algemene groep, slaagt dus.

9. Het voorgaande betekent dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de ondergrens niet wordt gehaald voor zover de minister daarmee heeft bedoeld dat de discriminatie en de ervaren problemen niet zo ernstig zijn dat eiser wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden en hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. De rechtbank betrekt bij haar oordeel dat eiser, door de minister onbetwist, heeft verklaard dat hij zijn hele leven al is gediscrimineerd en problemen heeft ervaren vanwege zijn feminiene uiterlijk, zijn stem en zijn gedrag. Daar komt bij dat eiser problemen heeft met zijn vader, dat hij is vrijgesteld van de militaire dienst vanwege zijn seksuele geaardheid en mede daarom te maken kan krijgen met uitsluiting op de arbeidsmarkt. Het standpunt van de minister dat de omstandigheid dat eiser niet elke baan kan krijgen die hij zou willen niet betekent dat hij vervolging ondergaat in de zin van het Vluchtelingenverdrag, doet naar het oordeel van de rechtbank geen recht aan de situatie van eiser. Immers, als eiser al werk krijgt, dan zal hij, zoals in het verleden, te maken krijgen met mobbing, discriminatie en problemen vanwege zijn uiterlijk, zijn stem en zijn gedrag en uiteindelijk zijn werk weer kunnen verliezen.

10. De rechtbank wijst in dit verband verder op de beslisnota van 3 februari 2025 over het landenbeleid Turkije waar is aangegeven dat binnen de groep LHTBIQ+ de situatie voor transpersonen er uitspringt. Zij waren volgens het ambtsbericht het doelwit van discriminatie, uitsluiting, geweld en agressie. Dit kon zich op verschillende manieren uiten. Zo hadden zij bijvoorbeeld minder toegang tot de arbeidsmarkt, gezondheidszorg en de woningmarkt. Ook vonden er gedurende de verslagperiode haatmisdrijven plaats jegens transpersonen. Hoewel eiser niet heeft verklaard een transpersoon te zijn, is zijn situatie naar het oordeel van de rechtbank vergelijkbaar vanwege zijn feminiene uiterlijk, zijn stem en gedrag. De minister heeft deze vergelijkbare situatie ten onrechte niet, althans niet kenbaar, bij de beoordeling betrokken en de asielaanvraag van eiser ten onrechte afgewezen met de motivering dat geen sprake van een situatie die aanleiding geeft iedere LHBTIQ+ persoon uit Turkije aan te merken als vluchteling. In dit verband acht de rechtbank van belang dat als eiser, gelet op zijn persoonlijke situatie die vergelijkbaar is met transpersonen, doelwit is van discriminatie, uitsluiting, geweld en agressie, uit de beslisnota ook volgt dat eiser geen bescherming kan krijgen van de autoriteiten.

11. Het betoog van eiser dat hij persoonlijke kenmerken heeft die onderdeel uitmaken van zijn identiteit en die zijn situatie prangender maakt dan die van LHBTI+ als algemene groep, slaagt. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond en komt het besluit voor vernietiging in aanmerking. Een bespreking van de overige gronden ten aanzien van de vrees van de kant van de vader, acht de rechtbank gelet op het voorgaande in deze uitspraak niet nodig.

Conclusie en gevolgen

12. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd. De minister dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor een termijn van acht weken.

13. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet aan eiser een proceskostenvergoeding betalen van € 1.814,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 5 december 2026;

- draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier

en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. N.M. van Waterschoot

Griffier

  • mr. M.A. Buikema

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand