RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], eiseres,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.53577
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A.A. Hardoar),
en
(gemachtigde: mr. K. Bruin).
Procesverloop
Bij besluit van 10 september 2026 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 16 september 2026 op zitting behandeld in Breda. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Er is gebruik gemaakt van een telefonische tolk, [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
2. Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
3. Eiseres voert aan dat verweerder al voorafgaand aan de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel had moeten volstaan met een lichter middel, omdat verweerder niet heeft voldaan aan de op hem rustende plicht om voldoende kennis te vergaren over de af te wegen belangen. Eiseres heeft ernstige psychische klachten die bij verweerder bekend waren voor het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel. De door verweerder verrichte individuele beoordeling over de psychische kwetsbaarheid van eiseres is ontoereikend geweest. Ook heeft verweerder de aanwezigheid van haar echtgenoot en haar psychische kwetsbaarheid onvoldoende in onderlinge samenhang beoordeeld. Voorts stelt eiseres dat effectieve rechtsbijstand ontbreekt tijdens de screeningsprocedure en het onderzoek naar grensdetentie en dat er unierechtelijke twijfel is “grensdetentie, tenzij” en het ontbreken van een reëel lichter middel. Eiseres verwijst op dit punt naar een tussenuitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 15 september 2026 waarin prejudiciële vragen zijn gesteld over de Nederlandse werkwijze waarbij de asielgrensprocedure in de praktijk automatisch wordt gekoppeld aan grensdetentie. Verweerder handelt niet voortvarend genoeg door pas zes dagen na het opleggen van de maatregel een gehoor in te plannen en nu is ter zitting ook nog eens gebleken dat het gehoor met vier dagen is uitgesteld vanwege onderhavige zitting, die al vanaf 11 september 2026 bij verweerder bekend is. Voorts is er een onduidelijke en onlogische chronologie van de screening en vrijheidsontneming. Tot slot is in de vrijheidsontnemende maatregel ten onrechte zowel vrijheidsontneming in verband met de screeningsprocedure aangekruist als in verband met de behandeling van de asielaanvraag in de asielgrensprocedure.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. In het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel staat over de toepassing van een lichter middel het volgende:
‘De door de vreemdeling aangevoerde de feiten of omstandigheden aangevoerd, te weten:
‘’Ik ben in staat, afhankelijk van de ernst, mezelf wat aan te doen en te beschadigen. Volgens de psycholoog kom ik hier met medicatie vanaf. Ook heb ik een huisdieren allergie.’’ (zie ook het proces verbaal), welke zouden moeten leiden tot het een minder dwingende maatregel, maakt diens vrijheidsontnemende maatregel niet onevenredig bezwaarlijk omdat: Vreemdeling geeft aan dat zij in staat is, afhankelijk van de ernst, zichzelf wat aan te doen en te beschadigen, waar zij volgens de psycholoog met medicatie vanaf komt. Ook geeft de vreemdeling een huisdieren allergie te hebben. Desondanks geeft de vreemdeling aan geen bezwaren te hebben tegen de vrijheidsontnemende maatregel derhalve heb ik, verbalisant, besloten geen lichter middel toe te passen. Op het aanmeldcentrum zijn voldoende medische voorzieningen.’
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich gelet op voornoemde motivering ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregel dan de vrijheidsontnemende maatregel doeltreffend kon worden toegepast. De reden hiervoor is dat uit het proces verbaal van gehoor niet blijkt dat de psychische problematiek van eiseres ter sprake is gekomen en dus ook niet verifieerbaar is voor de rechtbank wat eiseres hier zelf over heeft verklaard noch dat hierover nadere vragen aan eiseres zijn gesteld, waaronder vragen over de ernst van de psychische klachten en of zij hiervoor onder behandeling staat. Ter zitting heeft eiseres verklaard meerdere keren te hebben gepoogd om in contact te komen met de medische dienst van het Justitieel Complex (JC) omdat de detentie haar zwaar valt en zij in detentie een verergering van haar psychische problemen ervaart. Volgens eiseres is het tot op heden niet gelukt om in contact te komen met een arts of psycholoog. Dat in de maatregel is overwogen dat eiseres heeft verklaard geen bezwaren te hebben tegen de vrijheidsontnemende maatregel, laat onverlet dat op verweerder een onderzoeksplicht rust of sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken. Hierbij weegt de rechtbank mee dat niet in geschil is dat eiseres psychisch kwetsbaar is. Hetgeen verweerder ter zitting nog heeft opgemerkt dat eiseres een klacht kan indienen met behulp van haar gemachtigde, nu zij niet in contact kan komen met de medische dienst van het JC maakt het vorenstaande ook niet anders. Verweerder had (nader) onderzoek moeten doen naar de mate van psychische kwetsbaarheid van eiseres om vervolgens te kunnen beoordelen of sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die de vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken voor eiseres en of om die reden had moeten worden afgezien van de toepassing van de aan eiseres opgelegde vrijheidsontnemende maatregel en had moeten worden volstaan met een lichter middel. Nu verweerder dit niet heeft gedaan is de vrijheidsontnemende maatregel onzorgvuldig genomen en onvoldoende gemotiveerd. Deze beroepsgrond slaagt.
6. Het beroep is reeds hierdoor gegrond en de maatregel is gelet op het bovenstaande vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank acht het daarom niet opportuun om de andere rechtmatigheidsaspecten en overige beroepsgronden te bespreken omdat deze de maatregel niet alsnog rechtmatig kunnen maken. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel met ingang van heden en zal eiseres in vrijheid stellen.
7. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel beveelt aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 7 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) bewaring van 7 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 840,-.
8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van 16 september 2026;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 840,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan op 16 september 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.