Gezagsuitoefening
Beschikking op het op 13 juni 2026 ingekomen verzoek van:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend geheim adres,
advocaat: mr. S.K. Gopal te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
Als informant wordt aangemerkt:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
(hierna te noemen: de GI).
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift.
Op 14 augustus 2026 is de zaak op een zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
De vader is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet verschenen.
De minderjarige [de minderjarige] (hierna ook: [de minderjarige] ) is in de gelegenheid gebracht om zich uit te laten over het verzoek. Op 10 augustus 2026 heeft [de minderjarige] met de rechter gesproken en heeft hij zijn mening kenbaar gemaakt.
Verzoek en verweer
De moeder verzoekt de rechtbank:
Een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader heeft geen verweer gevoerd.
Feiten
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] .
- [de minderjarige] verblijft bij zijn moeder van maandag tot en met zondag;
- de vader en [de minderjarige] kunnen na schooltijd en/of in het weekend afspreken. Doordeweeks is [de minderjarige] vóór 22:00 uur thuis bij de moeder. In het weekend is [de minderjarige] vóór 23:30 uur thuis bij de moeder;
- de vader kan [de minderjarige] opzoeken op de voetbaltrainingen- en wedstrijden en bij familieleden zoals opa vaderszijde en tante vaderszijde. Aan het aantal bezoeken op de voetbaltrainingen- en wedstrijden is geen limiet verbonden;
- het contact tussen [de minderjarige] en de vader kan door beiden geïnitieerd worden. De vader brengt de moeder op de hoogte van het voorgenomen contact met [de minderjarige] ;
- de contactmomenten tussen de vader en [de minderjarige] kennen een minimum van eens in de twee weken, met dien verstande dat als het de vader, ondanks aantoonbare pogingen zijnerzijds, niet lukt zich aan dit minimum te houden, hij niet aan dit minimum gehouden zal worden;
- de opbouw in het contact tussen [de minderjarige] en de vader, in die zin dat [de minderjarige] ook bij zijn vader kan gaan slapen, vindt, indien en voor zover hier ruimte voor ontstaat, plaats onder regie van de gecertificeerde instelling;
- met betrekking tot de vakanties zullen eventuele plannen onder de regie en in overleg met de jeugdbeschermer worden afgesproken.
Beoordeling
Juridisch kader
Op grond van artikel 1:253a lid 2 aanhef en onder b van het BW, kan de rechter, in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag, op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag, waaronder de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Inhoudelijke beoordeling
De moeder verzoekt de rechtbank te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de moeder wordt vastgesteld en dat hij wordt ingeschreven bij de moeder, wat neerkomt op de wijziging van de beschikking van 14 oktober 2015. De moeder voert aan dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden, die bestaan uit het feit dat [de minderjarige] sinds juli 2024 bij de moeder woont. De moeder wil de juridische situatie in lijn brengen met de feitelijke situatie, ook omdat de moeder dan aanspraak maakt op bepaalde toeslagen zoals het kindgebonden budget of de kinderbijslag.
De vader is niet verschenen op de zitting. De moeder heeft onweersproken gesteld dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. De rechtbank is het met de moeder eens dat het goed is om de juridische situatie in lijn te brengen met de feitelijke situatie. Het is in het belang van [de minderjarige] dat de kindgebonden toeslagen die daarbij komen kijken, bij de moeder terechtkomen. De rechtbank zal daarom de verzoeken van de moeder toewijzen.
Beslissing
De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking d.d. 14 oktober 2015 van het gerechtshof te Den Haag – :
bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] voortaan bij de moeder zal zijn;
verleent vervangende toestemming – welke de toestemming van de vader vervangt – om [de minderjarige] in te schrijven in de BRP (Basisregistratie Personen) van de gemeente van de moeder;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.