RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser],
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.51531
V-nummer: [v-nummer], eiser,
(gemachtigde: mr. E.J.L. van de Glind),
en
(gemachtigde: mr. J. Kaikai).
Procesverloop
Bij besluit van 2 september 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 8 september 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen O. Kolodyazhna.
De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
2. Eiser voert aan dat de toetsing of een lichter middel kan worden toegepast niet voldoende individueel gemotiveerd is. Voorafgaand aan het opleggen van de maatregel heeft eiser gezegd medische klachten te hebben. De motivering in het besluit verwijst alleen naar de in het detentiecentrum aanwezige medische faciliteiten. Dat is volgens eiser onvoldoende. Eiser heeft zijn asielaanvraag met name gedaan vanwege zijn seksuele geaardheid, daar is onvoldoende rekening mee gehouden bij de proportionaliteitstoets. Eisers kwetsbaarheid is onvoldoende bij de besluitvorming betrokken. Ook heeft eiser een voorgeschiedenis van psychische aandoeningen.
3. De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal van gehoor van 2 september 2026 blijkt dat eiser is gevraagd naar bijzondere of persoonlijke omstandigheden die ertoe kunnen leiden dat wordt afgezien van het behandelen van de asielaanvraag in het detentiecentrum.
Voor zover hier van belang is het volgende besproken:
“V: Lijdt u aan een ernstige ziekte of lichamelijk aandoening waarvoor u direct medische hulp nodig heeft en zo ja, welke en kunt u dit aannemelijk maken?
A: "Ik heb last van mijn schildklier en gebruik daar medicatie voor. Ook gebruik ik medicatie voor mijn hormonen, omdat mijn lichaam weinig hormonen aanmaakt."
V: Heeft u last van ander ziektes, lichamelijk aandoeningen of beperkingen waar u last van heeft en zo ja, welke zijn dat en kunt u dit aannemelijk maken:
A: "Nee, alleen wat ik heb aangegeven met betrekking tot mijn schildklier en hormonen."
V: Gebruikt u op het moment medicijnen en zo ja, welke en waartegen?
A: "Ik gebruik vitamine D en Levothyroxine voor mijn schildklier. Ook gebruik ik medicatie voor mijn hormonen."
V: (indien de vreemdeling medicijnen gebruikt) Heeft u op dit moment voldoende medicijnen in uw bezit?
A: "Ik heb voor ongeveer 1 maand medicatie bij me."
(…)
V: Zijn er andere spoedeisende of omstandigheden die aanleiding geven om aan u alsnog toegang te verlenen tot Nederland en u de gelegenheid te stellen uw asielaanvraag in vrijheid te doorlopen?
A: "Ik gebruik medicatie en ik heb ook mijn eigen medicatie meegenomen. Zolang ik mijn
medicatie kan blijven innemen, heb ik geen problemen met de regels of met de gesloten
opvang."”
4. In het besluit tot oplegging van de maatregel heeft verweerder de door eiser genoemde medische omstandigheden meegewogen en daarbij verwezen naar de in het detentiecentrum aanwezige medische voorzieningen. Deze motivering volstaat. Daarbij overweegt de rechtbank dat de verklaring van eiser geen aanwijzingen bevat dat sprake was van een situatie waarbij onmiddellijke medische zorg noodzakelijk was, en dat er evenmin aanwijzingen waren dat eiser psychische problemen had. De minister kon zich daarom op het standpunt stellen dat er geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die aanleiding zijn voor de conclusie dat de maatregel voor eiser onevenredig bezwarend is. Eisers seksuele geaardheid is verder geen reden om alleen al daarom te oordelen dat hij als zodanig kwetsbaar moet worden beschouwd dat hij niet in grensdetentie kan worden gesteld, omdat dit voor hem onevenredig bezwarend zou zijn.
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van
M.R. van Kerkwijk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.