RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)
Samenvatting
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.52589
(gemachtigde: mr. S. Akkas),
en
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Er is geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 7 september 2026 heeft de minister aan eiser, die stelt van Poolse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1984, de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 11 september 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft een afstandsverklaring ondertekend waarin hij te kennen geeft dat hij niet ter zitting wenst te verschijnen. Hij heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die door de minister in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, inhoudelijk niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen en zijn voldoende om een onderduikrisico aan te nemen.
4. Eiser voert aan dat de minister bij het opleggen van de maatregel onvoldoende heeft onderzocht of met een lichter middel kon worden volstaan. Nu eiser tijdens het vertrekgesprek op 10 september 2026 heeft aangegeven mee te werken aan zijn terugkeer naar Polen, had de minister deze omstandigheid moeten betrekken bij de beoordeling of alsnog met een lichter middel kon worden volstaan. Eiser had in de gelegenheid moeten worden gesteld om zelfstandig terug te keren.
De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van vreemdelingenbewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de bewaringsgronden de maatregel kunnen dragen en dat hiermee het onderduikrisico is gegeven. Daarvoor is onder meer relevant dat eiser niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. Tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft eiser verklaard dat hij op dat moment over 21 euro beschikte en dat hij in zijn levensonderhoud voorziet door lege flesjes en blikjes op te halen. Gelet hierop is het niet aannemelijk dat eiser uit eigen beweging naar Polen kan terugkeren. Bovendien heeft eiser tijdens het gehoor verklaard dat hij zijn identiteitsbewijs is kwijtgeraakt en niet over een paspoort beschikt. Ook dit maakt zelfstandige terugkeer niet aannemelijk. Verder heeft de minister gewicht mogen toekennen aan de omstandigheid dat eiser al twee keer eerder is uitgezet naar Polen en vervolgens weer naar Nederland is teruggekeerd. Daarbij is van belang dat eiser tijdens het gehoor heeft aangegeven dat hij niet zal meewerken aan zijn vertrek naar Polen. Dat eiser tijdens het vertrekgesprek op 10 september 2026 heeft aangegeven nu wel mee te werken aan terugkeer naar Polen, maakt dit niet anders. De minister heeft ook hierin geen aanleiding hoeven zien om alsnog een lichter middel op te leggen. De beroepsgrond slaagt niet.
5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank ook ambtshalve geen reden om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.