ECLI:NL:RBDHA:2026:27044

ECLI:NL:RBDHA:2026:27044

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 15-09-2026
Datum publicatie 17-09-2026
Zaaknummer NL25.5798 en NL25.5800
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de beëindiging van het verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan van eiseres. De rechtbank oordeelt dat de minister heeft mogen vaststellen dat eiseres geen rechtmatig verblijf heeft als gemeenschapsonderdaan. Geen voldoende middelen van bestaan aangetoond. De belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM privéleven heeft de minister onvoldoende gemotiveerd. Beroep gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiseres], eiseres en verzoekster,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummers: NL25.5798 (beroep)

NL25.5800 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

geboren op [geboortedag] 1963, van Bulgaarse nationaliteit, hierna: eiseres

(gemachtigde: mr. S.N. Arikan),

en

(gemachtigde: mr. J.M. Sánchez Rhemrev).

1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van het verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan van eiseres. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de beëindiging van het verblijfsrecht van eiseres.

De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister heeft mogen vaststellen dat eiseres geen rechtmatig verblijf heeft als gemeenschapsonderdaan, maar de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM onvoldoende heeft gemotiveerd. Eiseres krijgt gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 12 maart 2024 heeft de minister een voornemen uitgebracht om onderzoek in te stellen naar het verblijfsrecht van eiseres in Nederland. Eiseres heeft hierop gereageerd met een zienswijze.

Met het primaire besluit van 18 juni 2024 heeft de minister vastgesteld dat het verblijfsrecht van eiseres als gemeenschapsonderdaan is geëindigd. Eiseres heeft hiertegen bezwaar ingesteld.

Met het bestreden besluit van 17 januari 2025 op het bezwaar van eiseres heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard en is de minister bij de beëindiging van het verblijfsrecht gebleven.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.

De rechtbank heeft het beroep en het verzoek op 20 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, M. Sivridag als tolk in de Bulgaarse taal en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond

3. Eiseres staat sinds 22 juni 2011 ingeschreven in de basisregistratie personen. Zelf stelt zij al in 2002 naar Nederland te zijn gekomen om hier te werken. Eiseres woont bij haar zoon, schoondochter en kleinkinderen in huis. Ze heeft last van medische klachten, met name pijnklachten aan haar benen en voeten. Eiseres heeft van 15 augustus 2023 tot en met 15 januari 2025 een uitkering op grond van de Participatiewet ontvangen, naar aanleiding waarvan de minister een onderzoek is gestart naar de rechtmatigheid van haar verblijf.

Het bestreden besluit

4. De minister heeft vastgesteld dat het verblijfsrecht van eiseres als gemeenschapsonderdaan is geëindigd. Eiseres kan niet als economisch actieve gemeenschapsonderdaan worden aangemerkt . Eiseres wordt ook niet aangemerkt als economisch niet-actieve gemeenschapsonderdaan . Omdat niet is gebleken dat eiseres langer dan vijf jaar onafgebroken als niet-economische gemeenschapsonderdaan in Nederland heeft verbleven, kan zij geen duurzaam verblijfsrecht ontlenen aan het Vb . De belangenafwegingen in het kader van de verwijdering en in het kader van artikel 8 van het EVRM vallen beide uit in het nadeel van eiseres.

De beroepsgronden

Verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan

5. Eiseres voert aan dat zij rechtmatig verblijf heeft als economisch actieve dan wel economisch niet-actieve gemeenschapsonderdaan. Ze heeft met haar inkomsten over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat ze ten laste kwam van het sociale bijstandsstelsel. Ze heeft pas in 2023 een bijstandsuitkering aangevraagd en ontvangt inmiddels geen uitkering meer. De minister heeft ten onrechte geen rekening gehouden met het inkomen van de zoon en schoondochter van eiseres, die haar financieel ondersteunen.

De rechtbank overweegt dat Unieburgers langer dan drie maanden zonder verblijfsvergunning in Nederland mogen verblijven, als zij voldoen aan de vereisten in artikel 8.12, eerste lid van het Vb. In dit artikel staat onder andere de situatie dat een Unieburger werknemer of zelfstandige, kan bewijzen dat hij werk zoekt (economisch actief) en de situatie dat de Unieburger over voldoende middelen van bestaan beschikt om van te leven en een ziektekostenverzekering heeft (economisch niet-actief). Duurzaam verblijfsrecht in Nederland heeft de Unieburger die gedurende vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad.

De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit voor zover het ziet op de beëindiging van het verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan van eiseres, in stand kan blijven. De minister heeft terecht geconcludeerd dat eiseres geen verblijfsrecht heeft als economisch actieve gemeenschapsonderdaan. Eiseres staat sinds 2011 ingeschreven in de Basisregistratie. Dat zij al sinds 2002 in Nederland woont heeft zij niet met stukken onderbouwd. Eiseres heeft van 1 augustus 2018 tot 1 september 2018, van 15 april 2019 tot 15 juli 2019 en van 29 augustus 2022 tot 15 mei 2023 reële en daadwerkelijke arbeid verricht. De inkomsten van eiseres die zij uit zwart werk heeft verkregen, gelden niet als rechtmatige middelen van bestaan. Op het moment van het bestreden besluit, het toetsingsmoment voor de rechtbank gelet op de ex tunc toetsing, werkte eiseres niet meer. Ook heeft zij tijdens het gehoor verklaard dat zij niet op zoek is naar werk. Daarmee mocht de minister tot de conclusie komen dat eiseres geen rechtmatig verblijf heeft als werknemer of werkzoekende zoals bedoeld in het Vb. Dat eiseres ter zitting heeft verklaard nu wel weer te werken, maakt dit oordeel niet anders. Tot slot is van een situatie als bedoeld in artikel 8.12 tweede lid Vb evenmin sprake. De minister heeft daarom kunnen concluderen dat het verblijfsrecht van eiseres als economisch actieve gemeenschapsonderdaan is geëindigd.

Verder volgt de rechtbank de minister in het standpunt dat eiseres geen rechtmatig verblijf heeft of heeft gehad als economisch niet-actieve gemeenschapsonderdaan. Eiseres ontving van 15 augustus 2023 tot en met 15 januari 2025 een uitkering op grond van de Participatiewet en heeft verklaard dat ze hier afhankelijk van was. Verder heeft eiseres niet voldoende met stukken onderbouwd dat haar zoon en schoondochter haar in de periode daarvoor financieel hebben onderhouden. Er zijn geen definitieve belastingaanslagen van de zoon van eiseres overgelegd waaruit zijn inkomen als zelfstandige blijkt. Ook volgt uit de stukken dat de schoondochter van eiseres in 2021 niet over inkomsten beschikte en lijkt hun gezamenlijk inkomen alleen in 2022 en 2023 boven het normbedrag uit te komen. Omdat niet wordt voldaan aan de norm, moet eiseres aannemelijk maken dat het inkomen van haar zoon en schoondochter toch genoeg is om met het hele gezin van te leven. Eiseres heeft dit verder niet onderbouwd. Zo blijkt bijvoorbeeld niet hoeveel het gezin verschuldigd is aan huur of hypotheek, andere woonkosten en zorgkosten. Eiseres heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat ze beschikt of heeft beschikt over voldoende middelen van bestaan zoals bedoeld in het Vb.

Omdat uit bovenstaande volgt dat de minister terecht heeft geconcludeerd dat eiseres niet gedurende vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf heeft gehad in Nederland, ontleent eiseres geen duurzaam verblijfsrecht aan het Vb.

De rechtbank overweegt dat het beroep van een Unieburger op het sociale bijstandsstelsel van een lidstaat niet automatisch leidt tot een verwijderingsmaatregel. Alvorens een besluit tot verwijdering te nemen, dient de minister te beoordelen of een vreemdeling een onredelijke belasting vormt voor het sociale bijstandsstelsel. In dat kader weegt de minister het belang van de vreemdeling bij het voortzetten van zijn verblijf af tegen het algemeen belang van de Nederlandse staat bij verwijdering van die vreemdeling. Hierbij worden in ieder geval de duur van het verblijf op het grondgebied van de lidstaat, de leeftijd, gezondheidstoestand en gezinssituatie van de Unieburger, diens sociale en culturele integratie in het gastland en banden met het land van herkomst, de duur, frequentie en omvang van het beroep op de algemene middelen, de reden voor het beroep op de algemene middelen en de verwachting of de Unieburger op korte termijn nog bijstand nodig zal hebben, betrokken.

De rechtbank oordeelt dat uit het bestreden besluit blijkt dat de minister alle relevante feiten en omstandigheden heeft meegewogen en de belangenafweging niet ten onrechte in het nadeel van eiseres heeft laten uitvallen. Met de stelling van eiseres dat zij altijd haar best heeft gedaan om het sociale bijstandsstelsel niet te belasten en inmiddels geen bijstandsuitkering meer ontvangt, dat ze bij haar familie in Nederland verblijft die haar financieel ondersteunt en dat ze geen redenen heeft om terug te gaan naar Bulgarije, heeft zij onvoldoende onderbouwd dat ze geen onredelijke belasting vormt voor het sociale bijstandsstelsel en dat de belangenafweging daarom in haar voordeel had moeten uitvallen.

Vertrouwensbeginsel

6. Eiseres doet subsidiair een beroep op het vertrouwensbeginsel. Eiseres voert aan dat de minister haar verblijfsrecht na haar eerste aanvraag voor een uitkering niet heeft beëindigd, en zij er daarom bij de tweede uitkeringsaanvraag op heeft mogen vertrouwen dat dit niet van invloed zou zijn op haar verblijfsrecht.

Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat diegene die zich daarop beroept aannemelijk maakt dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht, waaruit diegene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen.

De rechtbank is van oordeel dat de minister geen gedraging heeft verricht waaruit eiseres redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat zij haar verblijfsrecht zou behouden als zij een beroep zou doen op het sociale bijstandsstelsel. De rechtbank stelt vast dat eiseres slechts één keer een beroep heeft gedaan op de algemene middelen, namelijk toen zij een bijstandsuitkering aanvroeg in augustus 2023. Voor zover eiseres bedoelt dat de minister geen onderzoek heeft ingesteld naar haar verblijfsrecht toen zij van mei 2023 tot en met augustus 2023 een werkloosheidsuitkering ontving, kan het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel in dit kader niet slagen. Een werkloosheidsuitkering is namelijk geen beroep op de algemene middelen, maar wordt betaald uit afgedragen premies.

Belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM

7. De rechtbank overweegt dat in het kader van artikel 8 van het EVRM de individuele omstandigheden van eiseres grotendeels opnieuw worden meegewogen. De toets van artikel 8 EVRM is een grondrechtelijke toets, waarbij de vraag is of verwijdering een gerechtvaardigde en proportionele inmenging vormt van het privéleven dan wel het familie- en gezinsleven. Het is daarom een andere toets dan die in het kader van de Verblijfsrichtlijn, die een Unierechtelijke bescherming vormt tegen verwijdering, terwijl al is vastgesteld dat de vreemdeling aan de Verblijfsrichtlijn geen verblijfsrecht ontleent. Dat is naar zijn aard een beperktere toets dan de toets van artikel 8 van het EVRM.

Eiseres voert aan dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM ten onrechte in haar nadeel is uitgevallen. De minister heeft onvoldoende betrokken dat eiseres al lange tijd in Nederland woont, haar familie hier woont en dat ze geen banden meer heeft met Bulgarije. Eiseres heeft daar geen sociaal netwerk en geen verblijfsplaats. Daarbij maakt de medische situatie van eiseres dat het erg moeilijk voor haar zou zijn om zelfstandig een nieuw leven op te bouwen in Bulgarije.

De minister stelt zich op het standpunt dat de belangenafweging deugdelijk gemotiveerd in het nadeel van eiseres is uitgevallen. Eiseres heeft geen bijzondere omstandigheden inzake haar privéleven aangevoerd, waarmee het weigeren van haar verblijf strijd met artikel 8 van het EVRM kan opleveren. Eiseres woonde ten tijde van het bestreden besluit dertien jaar en zeven maanden in Nederland, waarvan slechts korte tijd rechtmatig. Banden die zijn opgebouwd tijdens onrechtmatig verblijf, wegen niet zwaar mee. De sociale contacten met vrienden in Nederland kan eiseres ook vanuit het buitenland onderhouden. Verder spreekt eiseres de Nederlandse taal niet of nauwelijks. De banden van eiseres met Bulgarije zijn sterker. Ze heeft daar ruim 47 jaar gewoond en is bekend met de taal en cultuur. Daarbij weegt het in het kader van het economisch belang van de Nederlandse staat in het nadeel van eiseres mee dat zij vanwege haar medische klachten een beroep doet op het Nederlandse zorgstelsel.

Niet in geschil is dat er sprake is van privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Tussen partijen is de belangenafweging die de minister in het nadeel van eiseres heeft laten uitvallen in geschil. De rechtbank toetst vol of de minister alle relevante feiten en omstandigheden kenbaar in de belangenafweging heeft betrokken. Als er sprake is van inmenging in het privéleven, dan heeft de vreemdeling een sterkere uitgangspositie in de belangenafweging. Als alle relevante feiten en omstandigheden zijn meegewogen, moet de rechtbank beoordelen of de uitkomst van de belangenafweging getuigt van een ‘fair balance’ tussen enerzijds het belang van eiseres bij de uitoefening van haar privéleven in Nederland en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse staat. Dit laatste toetst de rechtbank enigszins terughoudend.

De rechtbank is van oordeel dat de minister niet alle relevante feiten en omstandigheden bij de belangenafweging heeft betrokken. De rechtbank overweegt dat als er sprake is van inmenging in het privéleven, dat in het voordeel van eiser moet meewegen. Eiseres staat sinds 22 juni 2011 ingeschreven in Nederland en heeft twee jaar en acht maanden rechtmatig verblijf gehad. De rechtbank constateert dat er daarom sprake is van inmenging in het privéleven van eiseres. De minister heeft deze periodes van rechtmatig verblijf niet kenbaar in het voordeel van eiseres meegewogen in de belangenafweging. Verder heeft eiseres verklaard dat zij na het overlijden van haar man van Bulgarije naar Nederland is verhuisd. Zij heeft hier eerst een tijd bij de familie van haar man verbleven. Uiteindelijk zijn al haar kinderen haar naar Nederland gevolgd. Het leven van eiseres speelt zich al lange tijd uitsluitend af in Nederland. Eiseres woont bij haar zoon en zijn gezin. Ook haar andere kinderen en kleinkinderen wonen in Nederland. Ook deze omstandigheden zijn niet kenbaar betrokken in de belangenafweging. Verder heeft de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres haar banden met Bulgarije sterker zijn dan haar banden met Nederland. De stelling van de minister dat eiseres zich in Bulgarije kan vestigen in het vakantiehuisje van haar kinderen met behulp van haar vriendinnen, kan de rechtbank niet zonder meer volgen. Er is niet gebleken dat het vakantiehuis kan gelden als verblijfsplaats of dat de vriendinnen van eiseres in staat zijn haar helpen. De beroepsgrond slaagt dan ook.

Omdat het beroep reeds hierom slaagt, behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De minister dient een nieuwe belangenafweging te maken, waarin alle relevante feiten en omstandigheden kenbaar worden meegewogen. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.

Nu op het beroep is beslist, is er geen aanleiding om de gevraagde voorziening te treffen. De rechtbank wijst dat verzoek dan ook af.

Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend, een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1).

Beslissing

De rechtbank in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.5798:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

De voorzieningenrechter in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.5800:

- wijst het verzoek af.

De rechtbank/voorzieningenrechter in beide zaken:

- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Vrije, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op de voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand