uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.57337
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld),
en
Procesverloop
1. Bij besluit van 17 november 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Toen dit het geval bleek heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doet de rechtbank zodoende uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
2. Eiser heeft op 21 september 2024 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Hij heeft bij zijn asielaanvraag verklaard dat hij is geboren op [datum 1] 2007 en de Eritrese nationaliteit heeft. Hij stelt te zijn gevlucht om te ontkomen aan militaire dienstplicht.
3. Met het bestreden besluit heeft de minister de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond. De minister acht de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst ongeloofwaardig. De minister heeft zich hierbij gebaseerd op het feit dat eiser bij aankomst in Italië een andere naam, een andere geboortedatum en een andere nationaliteit heeft opgegeven. De onduidelijkheden over deze verschillen, en over de wisselende verklaringen over school, werk en de relatie met zijn ouders, heeft eiser niet kunnen wegnemen. Daarnaast heeft eiser geen identificerende documenten overgelegd, terwijl dat wel van hem verwacht had kunnen worden. Eisers verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel en hij heeft daarvoor geen verschoonbare reden gegeven. De minister overweegt in dit verband dat het vreemd is dat eiser vrijwel niets lijkt te weten over de militaire dienst in Eritrea, terwijl hij juist stelt asielbescherming te zoeken vanwege die dienstplicht. De omstandigheid dat eiser Tigrinya spreekt toont volgens de minister niet aan dat eiser daadwerkelijk uit Eritrea komt omdat deze taal ook in Ethiopië, Soedan en Djibouti wordt gesproken. Ten slotte werpt de minister eiser tegen dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend; na zijn aankomst in Italië op 4 september 2024 is hij doorgereisd naar Frankrijk, en via België naar Nederland gekomen, waar hij pas op 19 september 2024 een asielverzoek heeft gedaan.
4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. De minister heeft zijn identiteit, nationaliteit en herkomst ten onrechte ongeloofwaardig geacht en zijn asielmotieven daardoor ten onrechte niet inhoudelijk beoordeeld. Eiser heeft een redelijke uitleg gegeven waarom hij bij aankomst in Italië heeft verklaard meerderjarig te zijn: hij wilde zo voorkomen dat hij in een opvanglocatie voor minderjarige asielzoekers terecht zou komen, en van zijn vrienden gescheiden zou worden. Hij heeft geen gelegenheid gehad om zijn gegevens in Italië aan te passen en zag daar toen ook de noodzaak niet van in. In Nederland heeft eiser zijn echte identiteit opgegeven. Er is daarom geen sprake van misleiding en eisers aanvraag had niet als kennelijk ongegrond mogen worden afgewezen. Als de minister toch twijfelt aan de opgegeven identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser, had hij nader onderzoek kunnen doen, zoals een taalanalyse of een nadere bevraging over zijn woon- en leefomgeving. Uit het bestreden besluit blijkt bovendien niet op welke manier de minister rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser, zoals met het feit dat hij heel jong was toen hij Eritrea heeft verlaten.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser zijn identiteit en nationaliteit niet met documenten heeft onderbouwd. Zij stelt ook vast dat eiser bij aankomst in Italië op 4 september 2024 is geregistreerd met de volgende gegevens: [naam], geboren op [datum 2]-2003, met de Ethiopische nationaliteit. In de gehoren heeft eiser wisselend verklaard over belangrijke gegevens die aan zijn vertrek uit Eritrea of Ethiopië vooraf zijn gegaan, zoals de vraag hoe lang hij naar school is geweest, of hij gewerkt heeft, of hij vanwege ruzie met zijn ouders is vertrokken en of en wanneer hij contact heeft onderhouden met zijn ouders. De minister heeft zich in het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen verschoonbare reden heeft gegeven voor deze tegenstrijdigheden. De minister heeft zich hierbij voldoende rekenschap gegeven van het referentiekader van eiser, zoals zijn jonge leeftijd. Zo heeft de minister hem niet tegengeworpen dat hij geen identiteitskaart had, maar wel dat hij zijn ouders niet (eerder) naar zijn geboortedatum of identificerende documenten heeft gevraagd.
6. De rechtbank acht de verklaring van eiser aannemelijk waar hij stelt dat hij in Italië heeft verklaard meerderjarig te zijn uit angst om van zijn vrienden gescheiden te worden en in een opvangcentrum voor minderjarigen terecht te komen. De minister mag in zo’n situatie van eiser echter wel verwachten dat hij zijn verklaring onderbouwt, al dan niet met identificerende of indicatieve documenten. Eiser heeft immers zelf de onduidelijkheid over zijn geboortedatum veroorzaakt door in de lidstaten hierover verschillend te verklaren. Nu eiser inmiddels in elk geval meerderjarig is, is vooral zijn gestelde nationaliteit van belang en kan van hem verwacht worden dat hij hierover nader en consistent verklaart. Eiser heeft geen logische verklaring gegeven voor het feit dat hij bij zijn eerste aanmelding heeft aangegeven dat hij de Ethiopische nationaliteit had, en in Nederland de Eritrese. Anders dan eiser stelt, is het bestreden besluit op dit punt niet uitsluitend gebaseerd op de verklaringen van eiser in Italië, maar houdt het ook rekening met het gegeven dat niet is gebleken dat eiser enige moeite heeft gedaan om alsnog documenten te bemachtigen, en met het feit dat hij tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd waarvoor geen sluitende verklaring is gekomen.
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door eiser afgelegde verklaringen tijdens het herkomstonderzoek niet doorslaggevend zijn. De minister mocht de omstandigheid dat eiser enkele vragen over zijn herkomstgebied juist heeft beantwoord, onvoldoende vinden om alsnog uit te gaan van zijn gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst. De minister mocht daarbij van belang vinden dat eiser heel beperkt heeft verklaard over de militaire dienstplicht in Eritrea, terwijl dit wel de reden is van zijn asielaanvraag. De minister mocht daarbij aan eiser tegenwerpen dat van iemand die stelt dat hij uit Eritrea komt en dat zijn vader daar in militaire dienst heeft gezeten en gewond is geraakt, mag worden verwacht dat hij hierover uitgebreider kan verklaren. Ook heeft de minister terecht opgemerkt dat het correct beantwoorden van herkomstvragen nog niet betekent dat moet worden uitgegaan van een langdurig verblijf in Eritrea of van het bezitten van de Eritrese nationaliteit. Dat geldt ook voor het spreken van de taal Tigrinya. De minister heeft daarbij terecht van belang geacht dat het Tigrinya ook buiten Eritrea wordt gesproken. Het aanbieden van een taalonderzoek heeft in deze omstandigheid geen toegevoegde waarde.
Conclusie en gevolgen
8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
Omdat het beroep ongegrond is krijgt eiser geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 14 september 2026 door mr. S.S. van der Velde, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.