RECHTBANK DEN HAAG
[verzoeker],
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.34294
V-nummer: [v-nummer]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
geboren op [geboortedag] 1998, van Marokkaanse nationaliteit, verzoeker
(gemachtigde: mr. C.M.E. Schreinemacher),
en
(gemachtigde: mr. D. van Hout).
Procesverloop
Bij besluit van 18 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, tezamen met het beroep, op 9 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en M. Majdoubi als tolk in de Arabische taal deelgenomen. Met behulp van een beeldverbinding heeft de gemachtigde van verweerder aan de zitting deelgenomen.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Spanje totdat is beslist op het beroep met zaaknummer NL26.34293.
Overwegingen
De voorzieningen geeft hiervoor de volgende motivering.
1. De voorzieningenrechter stelt vast dat op de zitting duidelijk is geworden dat de mentale toestand van verzoeker niet stabiel is. De gemachtigde van verzoeker heeft op de zitting verklaard dat verzoeker tweemaal een suïcidepoging heeft gedaan. Daarnaast heeft verzoeker aangegeven in het bezit te zijn van documenten die onderbouwen dat hij psychische hulp krijgt van een arts.
2. Hoewel de rechtbank het betreurt dat de gemachtigde van verzoeker dit niet eerder in de procedure kenbaar heeft gemaakt, heeft de rechtbank aanleiding gezien om de behandeling van het beroep te schorsen om verzoeker in de gelegenheid te stellen zijn medische omstandigheden te onderbouwen en nader toe te lichten. Verzoeker heeft hiervoor een termijn van twee weken gekregen. Verweerder krijgt daarna een termijn om te reageren.
3. Omdat het onduidelijk is of de rechtbank binnen de uiterste overdrachtstermijn uitspraak kan doen op het beroep, zoals neergelegd in de AMBV, is de vereiste onverwijlde spoed daarmee gegeven. De uiterste overdrachtstermijn eindigt namelijk op 4 november 2026.
4. Als geen voorlopige voorziening wordt getroffen bestaat de mogelijkheid dat de uiterste overdrachtstermijn verstrijkt voordat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep, terwijl verweerder er belang bij heeft verzoeker voor het verstrijken van de termijn aan Spanje over te dragen. De voorzieningenrechter wijst om die reden het verzoek om een voorlopige voorziening toe, schorst het bestreden besluit en bepaalt dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Spanje totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist.
5. Omdat de gemachtigde van verzoeker pas op de zitting met de aanvullende gronden is gekomen terwijl de psychische toestand van verzoeker ruim voor de zitting al bekend was, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026 door mr. J.C.E. Krikke, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B. Kingma, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.