ECLI:NL:RBDHA:2026:27050

ECLI:NL:RBDHA:2026:27050

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 17-09-2026
Datum publicatie 17-09-2026
Zaaknummer 09/114047-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Moord op moeder, poging tot moord op zuster en brandstichting in de woning waar zij woonden. Verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar. OVAR en TBS met dwangverpleging. Maatregel ex 38z Sr. Overwegingen over het gesloten stelsel van schadevergoeding aan secundaire slachtoffers.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/114047-25

Datum uitspraak: 17 september 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de BRP op het adres:

[adres] te [woonplaats] ,

op dit moment gedetineerd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) van de penitentiaire inrichting [regio] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 3 september 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. van Dongen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouwen mr. J. Grabowsky en mr. N.M.H.M. den Dekker naar voren is gebracht.

[benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] (allen bijgestaan door mr. A.J. Korff, advocaat), [benadeelde 4] , [benadeelde 5] (beiden bijgestaan door mr. P.R. Hogerbrugge, advocaat) en [benadeelde 6] hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd en schadevergoeding gevorderd. De rechtbank heeft van die vorderingen en de nadere toelichting ter terechtzitting kennisgenomen.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1hij op of omstreeks 12 april 2025 te 's-Gravenhage [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade, in elk geval opzettelijk, van het leven heeft beroofd, door zijn, verdachtes, arm middels een nekklem/wurggreep om de hals van die [slachtoffer] te brengen en gedurende enige tijd samendrukkend geweld uit te oefenen op de hals van die [slachtoffer] ;

2hij op of omstreeks 12 april 2025 te 's-Gravenhage opzettelijk brand heeft gesticht in een woning gelegen aan de [adres] door open vuur, te weten een kaars, in aanraking te brengen met één of meerdere brandbare stoffen te weten een doos en/of papieren ten gevolge waarvan een ladekast en/of de inboedel en/of andere in de slaapkamer aanwezige goederen geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand/gesmolten, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan- gemeen gevaar voor goederen, te weten voor voornoemde woning en/of de in die woning aanwezig zijnde goederen en/of de aangrenzende/omliggende woningen en/of de in die aangrenzende/omliggende woningen aanwezig zijnde goederen, en/of- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de medebewoner(s), [benadeelde 1] en/of [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5] en/of aanwezigen in de aangrenzende/omliggende woningen te duchten was;

3hij op of omstreeks 12 april 2025 te ’s-Gravenhage, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander, te weten [benadeelde 1] van het leven te beroven, in de woning waar die [benadeelde 1] lag te slapen brand heeft gesticht door open vuur, te weten een kaars, in aanraking te brengen met één of meerdere brandbare stoffen te weten een doos en/of papieren; ten gevolge waarvan brand is ontstaan in de woning; en (vervolgens) die [benadeelde 1] heeft belemmerd de woning te verlaten door de (voor)deur van de woning (met kracht) dicht te trekken en/of dicht te houden; terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3. De bewijsbeslissing

Inleiding

Op 12 april 2025 werd in de vroege ochtend meerdere malen bij de hulpdiensten melding gemaakt van een brand in een woning aan de [adres] te Den Haag. In deze woning stonden [benadeelde 1] , [benadeelde 4] , [benadeelde 5] en de verdachte ingeschreven. Ook [slachtoffer] , hun moeder, stond op dit adres ingeschreven. Zij woonden daar samen.

[slachtoffer] (hierna ook: moeder) en haar oudste dochter [benadeelde 1] zijn door de hulpdiensten uit de brandende woning gedragen. [slachtoffer] was zwaargewond en is door de hulpdiensten gereanimeerd. Na enige tijd is de reanimatie gestaakt; zij is diezelfde ochtend om 08:40 uur overleden. Zij is door verwurging om het leven gekomen.

De verdachte is aangehouden in de kelderbox van de woning. Hij heeft bekend dat hij zijn moeder tweemaal heeft gewurgd, haar heeft geslagen met een koekenpan en meermaals in de hals heeft gestoken. Ook heeft de verdachte bekend dat hij vervolgens brand heeft gesticht in de woning en dat hij de voordeur heeft dichtgetrokken en dicht geprobeerd te houden, terwijl zijn zuster [benadeelde 1] nog in de woning aanwezig was.

Opgave van bewijsmiddelen

De rechtbank zal voor de feiten 1 (impliciet subsidiair) en 2 met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De bewijsmiddelen zijn in bijlage I opgenomen. De verdachte heeft deze bewezen te verklaren feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast hebben de raadsvrouwen geen vrijspraak bepleit ten aanzien van deze feiten.

De verdediging heeft ten aanzien van de feiten 1 en 3 vrijspraak van de voorbedachte raad bepleit. Ook heeft zij ten aanzien van feit 3 vrijspraak van het opzet op de dood bepleit. De rechtbank heeft eveneens in bijlage I opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden ten aanzien van deze bestanddelen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1 op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het bestanddeel voorbedachte raad. Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging verzocht om een partiële vrijspraak van de tenlastegelegde gevaarzetting. Met betrekking tot feit 3 heeft de verdediging zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken, wegens onvoldoende bewijs dat sprake is geweest van opzet op de dood van [benadeelde 1] . Subsidiair heeft de verdediging vrijspraak van de voorbedachte raad bepleit.

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van feit 1 (moord):

Opzet

De rechtbank is op basis van de bewijsmiddelen van oordeel dat sprake is geweest van vol opzet van de verdachte op de dood van zijn moeder. Zij overweegt daartoe als volgt.

De verdachte heeft verklaard dat hij zijn moeder twee keer heeft gewurgd. Daarnaast heeft hij verklaard dat hij haar na het wurgen met een koekenpan heeft geslagen en haar vervolgens meermalen met een mes in de hals heeft gestoken. Verder heeft de verdachte verklaard dat hij zijn moeder wilde doden en ook tegen zijn zuster [benadeelde 1] geroepen dat zij (moeder en zuster) beiden dood moesten gaan.

Uit het forensisch pathologisch onderzoek volgt dat de moeder van de verdachte is overleden als gevolg van samendrukkende krachtinwerking ter hoogte van de hals. Ter hoogte van de hals en beide zijden van de nek waren verspreid oppervlakkige huidbeschadigingen en rode verkleuringen. In de weke delen van de hals en de nek waren verscheidene bloeduitstortingen, onder meer in de diepe halsspieren voor en achter het strottenhoofd.

De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat de verdachte gericht geweld heeft toegepast op zijn moeder, waarbij sprake is geweest van samendrukkende krachtinwerkingen op de hals.

Dit handelen – in samenhang bezien – dient naar zijn uiterlijke verschijningsvorm te worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel, dat de rechtbank op grond daarvan vaststelt dat het opzet van de verdachte daarop ten volle was gericht. Van contra-indicaties is niet gebleken. Integendeel, de verdachte heeft zijn moeder zwaargewond in de woning achtergelaten en deze vervolgens in brand gestoken, zonder zelf hulp te verlenen of hulp in te schakelen.

Voorbedachte raad

Beoordelingskader

Bij bewezenverklaring van voorbedachte raad moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

Het oordeel van de rechtbank

Voor de bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' acht de rechtbank in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden redengevend.

Allereerst weegt de rechtbank mee dat de verdachte ongeveer een maand voor 12 april 2025 meerdere vragen aan ChatGPT heeft gesteld over stoffelijke resten na een woningbrand, de vraag of de doodsoorzaak na een woningbrand nog kan worden achterhaald en over de mogelijkheid om weg te komen met een woningbrand die bedoeld is om iemand te doden. Ook weegt de rechtbank mee dat de verdachte voorafgaand aan het incident meermalen heeft gezegd dat hij zijn moeder (en zuster) wilde doodmaken.

Verder heeft de verdachte over het moment van het incident zelf verklaard dat hij de avond daarvoor – dus op 11 april 2025 – ruzie heeft gehad met zijn moeder. Zijn moeder zou toen hebben gedreigd dat hij de woning moest verlaten als hij niet naar school zou gaan. De volgende ochtend vroeg is de verdachte naar de slaapkamer van zijn moeder gegaan om nog een keer met haar hierover te praten. Er ontstond opnieuw ruzie. De verdachte heeft verklaard dat hij zijn moeder heeft aangevallen en haar met zijn handen is begonnen te wurgen toen zij – wederom – aangaf dat hij de woning moest verlaten. De verwurging heeft volgens de verdachte enige tijd geduurd, waarna hij en zijn moeder samen van het bed zijn gevallen. Vervolgens is de verdachte haar opnieuw gaan wurgen, ditmaal naar eigen zeggen met zijn arm dan wel elleboog. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat zijn moeder zich tijdens de verwurging heeft verweerd en ook heeft geprobeerd los te komen. De verdachte heeft verklaard dat hij zag dat er bloed uit haar mond en/of neus kwam, dat zij iets wilde zeggen, maar dat haar dit niet meer lukte. Ook heeft hij verklaard dat hij voelde dat zij minder sterk werd en zich op een gegeven moment niet meer verweerde. De verdachte heeft tijdens de verwurging waargenomen dat de toestand van zijn moeder steeds ernstiger werd. Hij had daarmee naar het oordeel van de rechtbank niet alleen de tijd om de gevolgen van zijn handelen waar te nemen, maar ook was er voor hem daadwerkelijk aanleiding om zich rekenschap te geven van die gevolgen. Desondanks heeft hij – ook nadat zij samen van het bed waren gevallen – de verwurging voortgezet.

Ook zijn handelen na de verwurging ondersteunt dit oordeel. De verdachte heeft zijn moeder na de verwurging met een koekenpan op het hoofd geslagen. Vervolgens heeft hij haar slaapkamer verlaten en is hij naar de slaapkamer van zijn zuster [benadeelde 1] gegaan. Toen hij zijn moeder iets later nog hoorde kreunen, is hij naar de keuken gegaan om een mes te pakken. Met dit mes heeft hij zijn moeder vervolgens meerdere keren in de hals gestoken met het doel haar te doden.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen leidt de rechtbank af dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het besluit om zijn moeder van het leven te beroven. Dat heeft bij hem niet tot een andere afweging geleid. Anders dan de verdediging heeft betoogd is niet gebleken dat hij heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Daarom heeft hij de gelegenheid gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Evenmin is gebleken van andere contra-indicaties die aan het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan.

Conclusie

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en acht de moord op zijn moeder, [slachtoffer] , wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2 (brandstichting):

Gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

De verdachte heeft verklaard dat hij de brand in de woning heeft aangestoken. Dat de verdachte deze brand met opzet heeft gesticht staat niet ter discussie.

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of van de brand gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was. De rechtbank dient daarvoor te beoordelen of dat gevaar ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest. Daartoe overweegt zij als volgt.

Uit het forensisch onderzoek blijkt dat de brand is ontstaan in de slaapkamer van de moeder van de verdachte, gelegen op de bovenste verdieping van een portiekwoning. Voorts blijkt uit het onderzoek dat de rookgassen en de gevolgschade zich over de gehele woning hebben verspreid. Daarmee was niet alleen sprake van gevaar ter plaatse van de brandhaard, maar van een brand die de gehele woning aantastte.

Dat voor personen in de omliggende en aangrenzende woningen daadwerkelijk levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk bestond, blijkt uit het feit dat omwonenden door de brandweer uit hun woningen zijn gehaald en buiten op straat moesten blijven. Daarnaast volgt dat uit de verklaring van de buurvrouw dat zij, toen zij de zwarte rook uit de woning van de verdachte zag komen, bij alle buren heeft aangeklopt, zodat zij zo snel mogelijk hun woningen konden verlaten. Dit gevaar blijkt verder uit de ligging van de woning, de omvang van de rookontwikkeling en de omstandigheid dat het een portiekwoning betrof. Naar algemene ervaringsregels is het gemeen gevaar voor aangrenzende en omliggende woningen, de zich daarin bevindende goederen en het levensgevaar en zwaar lichamelijk letsel voor personen onder deze omstandigheden te duchten.

Ook ten aanzien van zijn zuster [benadeelde 1] , zijn broertje [benadeelde 5] en zijn zusje [benadeelde 4] was – anders dan de verdediging heeft betoogd – sprake van een concreet te duchten levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. De verdachte heeft de brand gesticht in de vroege ochtend, terwijl zij nog lagen te slapen. De verdachte heeft eerst gewacht tot er zwarte rook uit de slaapkamer van zijn moeder kwam. Pas daarna heeft de verdachte [benadeelde 5] wakker gemaakt en vervolgens [benadeelde 4] . De verdachte heeft [benadeelde 1] niet wakker gemaakt. Zij is door het schreeuwen van [benadeelde 5] en [benadeelde 4] wakker geworden.

Voorts volgt uit de bewijsmiddelen dat [benadeelde 1] , [benadeelde 5] en [benadeelde 4] allemaal enige tijd in de brandende woning zijn gebleven en dat zich op dat moment al veel zwarte rook had gevormd. Zij zijn daardoor blootgesteld geweest aan gevaarlijke rookgassen. Uit getuigenverklaringen en de bevindingen van de brandweer blijkt dat er nauwelijks zicht in de woning was wegens de hoeveelheid zwarte rook. Dat de verdachte [benadeelde 5] en [benadeelde 4] uiteindelijk naar buiten heeft gebracht, doet aan het reeds ontstane gevaar niet af. Het gevaar is namelijk al ontstaan op het moment dat de verdachte de brand stichtte in de woning. Ten aanzien van [benadeelde 1] geldt dat zij de woning niet heeft kunnen verlaten. Ook zij is daarom rechtstreeks geconfronteerd met het gevaar van de brand.

De rechtbank betrekt bij de beoordeling ook dat de verdachte bekend was met het gevaar van een woningbrand, zoals hij ook ter terechtzitting heeft verklaard. Uit de door hem eerder gestelde vragen aan ChatGPT blijkt dat hij zich ongeveer een maand voor de brandstichting heeft verdiept in onder andere de gevaren van een brand in een appartement, de snelheid waarmee een brand zich kan uitbreiden en de moeilijkheid om zo een brand onder controle te krijgen.

Dat de schade aan de omliggende en aangrenzende woningen uiteindelijk beperkt is gebleven, maakt – anders dan de verdediging heeft betoogd – het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Voor bewezenverklaring van het delict brandstichting met gemeen gevaar voor goederen is immers niet nodig dat het gevaar zich ook daadwerkelijk verwezenlijkt heeft.

Gelet op het voorgaande was het naar het oordeel van de rechtbank ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar dat levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners en de bewoners van de omliggende en aangrenzende woningen zou ontstaan en dat de brandstichting ook gemeen gevaar voor goederen in het leven heeft geroepen.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 2 ten laste gelegde brandstichting heeft gepleegd.

Ten aanzien van feit 3 (poging moord):

Opzet

De rechtbank is op basis van de bewijsmiddelen van oordeel dat sprake is geweest van vol opzet van de verdachte op de dood van zijn zuster [benadeelde 1] . Daartoe overweegt zij als volgt.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte brand heeft gesticht in de woning, terwijl [benadeelde 1] op dat moment nog lag te slapen. Hij heeft haar niet wakker gemaakt. Toen zij de brandende, inmiddels vol rook staande woning probeerde te ontvluchten, heeft hij met kracht de voordeur dichtgehouden en daarmee haar vluchtroute geblokkeerd, met als gevolg dat zij de woning langs die weg niet kon verlaten. Daarbij had de verdachte de sleutel van de balkondeur uit het slot gehaald, waardoor zowel de route via de voordeur als die via de andere uitgang voor haar afgesloten was.

De verdachte heeft verklaard dat het hem moeite kostte de deur dicht te houden, terwijl uit zijn verklaring eveneens blijkt dat hij wist dat zijn zuster zich aan de andere kant van de deur bevond en de brandende woning probeerde te ontvluchten. Ook [benadeelde 5] en [benadeelde 4] hebben verklaard dat de verdachte de deur probeerde dicht te houden en deze pas losliet toen [benadeelde 1] niet meer aan de andere kant stond. Ondanks de pogingen van [benadeelde 4] om de verdachte bij de deur weg te krijgen bleef hij de deur met kracht dichttrekken. Verder heeft de verdachte geroepen dat zij, [benadeelde 1] , dood moest gaan. Dit handelen – in samenhang bezien – dient naar zijn uiterlijke verschijningsvorm te worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel, dat de rechtbank op grond daarvan vaststelt dat het opzet van de verdachte daarop ten volle was gericht. Van contra-indicaties is niet gebleken. Integendeel, de verdachte heeft zijn zuster achtergelaten in de brandende en (door hem) afgesloten woning, zonder zelf hulp te verlenen of hulp in te schakelen. Het betoog van de verdediging vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen.

Voorbedachte raad

Voor de bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' acht de rechtbank in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden redengevend.

Uit de bewijsmiddelen volgt – anders dan door de verdediging is betoogd – dat de verdachte niet heeft gehandeld vanuit een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. De verdachte heeft enige tijd de voordeur van de woning met kracht dichtgehouden, waarmee hij verhinderde dat [benadeelde 1] de brandende en met rook gevulde woning kon verlaten. Ook nadat [benadeelde 1] hem had geprobeerd daarvan te weerhouden, heeft de verdachte zijn handelen voortgezet. Bovendien blijkt uit een verklaring van een buurvrouw dat de verdachte de deur nog steeds dichthield op het moment dat zij vroeg wat er aan de hand was en wie zich nog in de woning bevonden.

De verdachte heeft daarmee gedurende enige tijd vastgehouden aan zijn besluit en heeft de mogelijkheid gehad om zich op verschillende momenten te beraden op zijn handelen en om daarvan af te zien. Hij heeft die gelegenheden evenwel niet benut. Naar het oordeel van de rechtbank kan onder deze omstandigheden niet worden gesproken van handelen vanuit een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Dit oordeel wordt ondersteund door de omstandigheid dat de verdachte zich meerdere malen had uitgelaten over het doden van zijn zuster. Voorts heeft hij verklaard dat hij, nadat hij zijn moeder had gewurgd, twijfelde of hij ook zijn zuster van het leven zou beroven. Van omstandigheden die als contra-indicatie voor dit oordeel kunnen worden aangemerkt is volgens de rechtbank niet gebleken.

Conclusie

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en acht de poging tot moord op zijn zuster, [benadeelde 1] , wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1hij op 12 april 2025 te 's-Gravenhage [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door zijn, verdachtes, arm middels een nekklem/wurggreep om de hals van die [slachtoffer] te brengen en gedurende enige tijd samendrukkend geweld uit te oefenen op de hals van die [slachtoffer] ;

2hij op 12 april 2025 te 's-Gravenhage opzettelijk brand heeft gesticht in een woning gelegen aan de [adres] door open vuur, te weten een kaars, in aanraking te brengen met brandbare stoffen, te weten een doos en papieren ten gevolge waarvan een ladekast en de inboedel en andere in de slaapkamer aanwezige goederen geheel of gedeeltelijk zijn verbrand/gesmolten, terwijl daarvan- gemeen gevaar voor goederen, te weten voor voornoemde woning en de in die woning aanwezig zijnde goederen en de aangrenzende/omliggende woningen en de in die aangrenzende/omliggende woningen aanwezig zijnde goederen, en- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de medebewoners, [benadeelde 1] en [benadeelde 4] en [benadeelde 5] en aanwezigen in de aangrenzende/omliggende woningen te duchten was;

3hij op 12 april 2025 te ’s-Gravenhage, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een ander, te weten [benadeelde 1] , van het leven te beroven, in de woning waar die [benadeelde 1] lag te slapen brand heeft gesticht door open vuur, te weten een kaars, in aanraking te brengen met brandbare stoffen te weten een doos en papieren; ten gevolge waarvan brand is ontstaan in de woning; en (vervolgens) die [benadeelde 1] heeft belemmerd de woning te verlaten door de voordeur van de woning met kracht dicht te trekken en dicht te houden; terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard en daarom moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft acht geslagen op de bevindingen en conclusies van [psychiater] , psychiater, en [psycholoog] , GZ-psycholoog, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum, zoals neergelegd in hun gezamenlijke Pro Justitia-rapport van 15 juni 2026. De deskundigen concluderen dat bij de verdachte sprake is van ernstige psychiatrische problematiek. De problematiek past volgens de deskundigen bij een psychotische stoornis, waarbij de diagnose schizofrenie wordt gesteld en differentiaaldiganotisch een schizoaffectieve stoornis wordt overwogen.

In het jaar voorafgaand aan de feiten kwam het functioneren van de verdachte als gevolg van het psychiatrisch toestandsbeeld en de psychotische symptomen toenemend onder druk te staan: hij trok zich terug en ging helemaal niet meer naar school. Zijn moeder zou verscheidene malen hebben opgemerkt dat hij niet in huis zou kunnen blijven wonen als hij niet naar school zou gaan en ook niet zou werken.

Gezien de psychopathologie van de verdachte is volgens de deskundigen duidelijk dat hij, gelet op zijn vermijdende inslag, zijn gevoelens van onmacht en onvermogen en de in het jaar voorafgaand aan de feiten geleidelijk toenemende psychotische ontregeling, door naderende buitensluiting onder extreme psychische druk is komen te staan. Zijn denken raakte daarbij steeds meer gestuurd door angst. Hij ervoer dat hij niet kon voldoen aan de verwachtingen van zijn moeder om volwassen te worden en de daarbij behorende verantwoordelijkheden te nemen.

Volgens de deskundigen lijkt, met de toenemende druk hieromtrent – de angst dat hij niet thuis zou kunnen blijven – de verdachte verstrikt geraakt te zijn in zijn psychotisch denken, waarbij oordeels- en kritiekstoornissen steeds meer op de voorgrond traden. De deskundigen zijn van mening dat de verdachte volledig gederailleerd is geraakt door de psychotische stoornis. Hij raakte als het ware in de ban van zijn onvermogen. Daarnaast kan worden gezegd dat de psychotische stoornis van de verdachte bij de hoogoplopende – bijna existentieel angstige druk met angst voor afwijzing en verlating tot diep in zijn kern – moet hebben geleid tot massale oordeels- en kritiekstoornissen, het verlies van overzicht en het niet kunnen overzien van zijn gedragsgevolgen, een volledig falen van de realiteitstoetsing en de regulerende functies.

De deskundigen concluderen dat de psychotische stoornis heeft geleid tot een volledige ondermijning van de wilsvrijheid van de verdachte in denken en handelen, waardoor de verdachte niet meer in staat is geweest om tot meer adequate gedragskeuzes te kunnen komen. Zij adviseren dan ook om de verdachte het ten laste gelegde in het geheel niet toe te rekenen.

De rechtbank is van oordeel dat de conclusies van de deskundigen op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de bevindingen worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijke onderbouwing. Zij legt deze conclusies dan ook aan haar oordeel over de strafbaarheid van de verdachte ten grondslag en komt op basis daarvan tot het oordeel dat het bewezenverklaarde niet aan de verdachte kan worden toegerekend. De verdachte is daarom niet strafbaar en zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

6. De oplegging van een maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met bevel dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd (hierna ook: tbs met dwangverpleging) wordt opgelegd.

Daarnaast heeft zij gevorderd dat aan de verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38z Sr (38z-maatregel) wordt opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht rekening te houden met de jonge leeftijd van verdachte, het lage onttrekkingsrisico, zijn coöperatieve houding en de noodzaak van een behandelomgeving die niet zwaarder beveiligd is dan behandeling en veiligheid vereisen. Voorts heeft de verdediging verzocht om de 38z-maatregel niet op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden maatregelen zijn in overeenstemming met de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zijn moeder van het leven beroofd door haar te wurgen. Toen hij haar al dodelijk letsel had toegebracht, heeft hij ook nog met een koekenpan op haar hoofd geslagen en haar meerdere keren met een mes in de hals gestoken. Dit alles speelde zich af in het huis waar zij samen met de drie andere kinderen woonden. Nadat hij zijn moeder om het leven heeft gebracht, heeft de verdachte de woning – hun thuis – in brand gestoken terwijl zijn zuster, broertje en zusje zich nog daarbinnen bevonden. Vervolgens heeft hij zijn broertje en zusje mee naar buiten genomen, maar ervoor gezorgd dat zijn oudere zuster [benadeelde 1] de brandende woning niet kon verlaten.

Aldus handelend heeft de verdachte zijn moeder haar kostbaarste bezit, namelijk haar leven, afgenomen. Familieleden en vrienden van het overleden slachtoffer moeten nu verder zonder hun geliefde moeder, zus en vriendin, in de wetenschap dat zij op een verschrikkelijke en gewelddadige wijze om het leven is gebracht door haar eigen zoon. Aan hen is een onherstelbaar verlies, een groot verdriet en veel leed toegebracht, dat zij de rest van hun leven met zich zullen dragen, zoals onder meer blijkt uit de slachtoffer- en nabestaandenverklaringen die door en namens de oudste dochter, [benadeelde 1] , en de moeder van het slachtoffer ter zitting zijn voorgedragen.

De gevolgen voor de achtergebleven kinderen zijn groot. Hun moeder droeg als enige de zorg voor hen. Door haar overlijden is het gezin uiteengevallen en zijn de kinderen verspreid over verschillende plekken geraakt. Ook de gevolgen van het feit dat de verdachte eveneens heeft geprobeerd zijn zuster [benadeelde 1] van het leven te beroven, zullen blijvend voelbaar zijn. Dit geldt zowel voor [benadeelde 1] zelf als voor haar broertje en zusje. Zij waren immers getuige van de woningbrand en van de poging om hun zuster van het leven te beroven en zullen zonder hun moeder moeten opgroeien. Het handelen van de verdachte heeft niet alleen hun moeder het leven gekost, maar heeft ook diep ingegrepen in het leven van haar kinderen (zijn broertje en zussen) en hun gezinssituatie blijvend veranderd.

Moord (en poging daartoe) is een levensdelict en daarmee een van de meest ernstige misdrijven die het Wetboek van Strafrecht (Sr) kent. Hiervoor worden doorgaans heel hoge straffen opgelegd. Omdat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is, kan er volgens de wet geen straf opgelegd worden. De gedachte hierachter is dat als iemand iets in het geheel niet is toe te rekenen vanwege een psychische stoornis, het opleggen van een straf niet te rechtvaardigen is.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege en de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking moeten worden opgelegd, zoals de officier van justitie heeft gevorderd.

Het advies van de deskundigen

Pro Justitia rapport

De rechtbank heeft acht geslagen op het in 5.3 genoemde Pro Justitia rapport van 15 juni 2026. In dit rapport is uiteengezet dat vanwege de ernst van de beschreven psychopathologie, met in het algemeen een chronisch progressief beloop, een langer durend behandeltraject geïndiceerd is. De deskundigen stellen dat de verdachte gezien zijn pathologie langdurig (mogelijk zijn leven lang) bescherming en begeleiding op alle levenslevensgebieden behoeft. Wegens de ernst van de stoornis en het recidivegevaar adviseren de deskundigen om klinisch psychiatrische behandeling. De deskundigen achten een hoog beveiligd kader niet noodzakelijk: er is geen risico op onttrekking, de verdachte stelt zich coöperatief op. Gelet op het hoge recidiverisico in combinatie met de psychiatrische problematiek van de verdachte adviseren de deskundigen om de verdachte, in het kader van de maatregel tbs met verpleging van overheidswege, te plaatsen in een kliniek zoals een Forensisch Psychiatrische Kliniek of een Forensisch Psychiatrisch Centrum.

Het reclasseringsadvies

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 28 juli 2026, waaruit volgt dat sprake is van een psychiatrische stoornis en van een hoog recidiverisico. De reclassering adviseert eveneens een tbs-maatregel met dwangverpleging. Zij adviseert negatief ten aan zien van tbs met voorwaarden omdat zij geen mogelijkheden ziet om met voorwaarden de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen. Zij weegt mee dat de verdachte niet intrinsiek gemotiveerd is voor behandeling. Het is wat betreft de reclassering aannemelijk dat de onderliggende problematiek hem ook nu belemmert om zelf tot juiste conclusies te komen.

Voorts adviseert de reclassering om naast een tbs-maatregel ook een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM, artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht) op te leggen, zodat gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden toegepast kunnen worden na de tbs of gevangenisstraf. Hiertoe overweegt de reclassering dat de gestelde onderliggende ernstige psychiatrische stoornis, en de vastgestelde discrepantie in het intelligentieprofiel van betrokkene, risico’s met zich meebrengen die naar verwachting nog steeds aanwezig zullen zijn na de tbs. Een GVM zou dan alsnog langdurig toezicht mogelijk maken.

Tbs met bevel tot verpleging van overheidswege

De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de formele vereisten die de wet aan het opleggen van de tbs-maatregel stelt in artikel 37a Sr. De rechtbank beschikt over een advies van twee deskundigen van verschillende disciplines, onder wie een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht. De door de verdachte begane feiten zijn misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Met inachtneming van de conclusies en de adviezen van de deskundigen is de rechtbank van oordeel dat bij de verdachte tijdens het begaan van de bewezen verklaarde feiten een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond.

De rechtbank is verder van oordeel dat is voldaan aan het wettelijke vereiste dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist en dat dit tevens geldt voor dwangverpleging. Daartoe overweegt de rechtbank dat het, gelet op de psychiatrische problematiek van de verdachte, het hoge recidiverisico en het ontbreken van beschermende factoren, noodzakelijk is dat de verdachte een langdurige klinische behandeling zal ondergaan binnen een Forensisch Psychiatrische Kliniek of een Forensisch Psychiatrisch Centrum. Gelet op het advies van de deskundigen acht de rechtbank een zorgmachtiging onvoldoende doelmatig. Ook tbs met voorwaarden, of een ander voorwaardelijk alternatief, acht de rechtbank niet haalbaar. Voorts is redengevend dat de begane feiten zeer ernstig zijn en de problematiek van de verdachte die daaraan ten grondslag ligt zodanig is dat het niet verantwoord is om hem onbehandeld terug te laten keren in de maatschappij. De bescherming van de veiligheid van de samenleving noodzaakt daarom tot het opleggen van de tbs-maatregel met dwangverpleging en de rechtbank zal deze maatregel dan ook aan de verdachte opleggen.

De rechtbank overweegt ten slotte dat de maatregel van tbs met dwangverpleging wordt opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten moord en opzettelijke brandstichting. De totale duur van de op te leggen maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel 38z Sr

Omdat de rechtbank een tbs-maatregel met een bevel tot verpleging van overheidswege zal gelasten, zal de rechtbank aan de verdachte ook een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel opleggen. Aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van een maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z, eerste lid, Sr is voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank is de oplegging van de maatregel in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen.

7. De vordering van de benadeelde partij

[benadeelde 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 111.637,-, en te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 1.637,- aan materiële schade en € 110.000,- aan immateriële schade.

[benadeelde 4] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 110.000,-, en te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële en immateriële schade.

[benadeelde 5] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 110.000,-, en te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële en immateriële schade.

[benadeelde 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 17.500,-, en te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

[benadeelde 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 27.703,69, en te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 10.203,69 aan materiële schade en € 17.500,- aan immateriële schade.

[benadeelde 6] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 17.500,-, en te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft met betrekking tot [benadeelde 1] , [benadeelde 4] , [benadeelde 5] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft ten aanzien van de vordering van [benadeelde 6] geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 10.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 1] heeft de verdediging, met betrekking tot de volgende punten, zich op de volgende standpunten gesteld:

Affectieschade: zij refereert zich aan het oordeel van de rechtbank;

Direct smartengeld: bij vrijspraak van feit 3 moet het bedrag worden afgewezen. Indien aansluiting wordt gezocht bij feit 2, dient dit bedrag aanzienlijk lager te worden begroot. Bij een bewezenverklaring van feit 3 verzoekt de verdediging het bedrag aanzienlijk te matigen wegens de voorliggende medische onderbouwing en prognose;

Shockschade: primair moet slechts het verantwoord te begroten deel worden toegewezen en het overige niet-ontvankelijk verklaard. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat het bedrag aanzienlijk moet worden gematigd, met uitdrukkelijke verrekening in de billijkheidsafweging van de affectieschade en de overige immateriële vergoeding.

Alternatief gevorderde aantasting in de persoon: indien de rechtbank deze alternatieve grondslag gebruikt, dient zij in de plaats te komen van – en niet bovenop – de shockschade en behoort het totale immateriële nadeel integraal te worden begroot;

Materiële schade: het eigen risico en de gebruiksgoederen uitsluitend voor zover betaling/eigendom/brandverlies en ontbreken van vergoeding voldoende blijken; MacBook primair afwijzen wegens eigendom en causaliteit, subsidiair niet-ontvankelijk; Cartier key ring afwijzen indien slechts een kostenschatting en geen uitgevoerde/betaalde reparatie is bewezen.

Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 4] en [benadeelde 5] heeft de verdediging, met betrekking tot de volgende punten, zich op de volgende standpunten gesteld:

Affectieschade: zij refereert zich aan het oordeel van de rechtbank;

Onderhoudsbijdrage: deze post dient niet-ontvankelijk te worden verklaard wegens onvoldoende onderbouwing. Dit geldt ook voor de post ‘nader te onderbouwen’.

Smartengeld: het bedrag dient te worden gematigd tot € 20.000,- en het meerdere dient niet-ontvankelijk te worden verklaard;

Shockschade: het bedrag dient te worden gematigd en de samenloop met de affectieschade en het eventuele smartengeld te worden verrekenen. Het overige deel dat niet zonder nadere deskundige behandeling kan worden onderbouwd dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 2] heeft de verdediging, met betrekking tot het volgende punt, zich op het volgende standpunt gesteld:

- Affectieschade: zij refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 3] heeft de verdediging, met betrekking tot de volgende punten, zich op de volgende standpunten gesteld:

Affectieschade: zij refereert zich aan het oordeel van de rechtbank;

Moskee kosten: zij refereert zich aan het oordeel van de rechtbank:

Vliegtickets: slechts het bedrag dat ziet op direct naaste familieleden dient te worden toegewezen en bij het ontbreken van een zorgvuldige onderbouwing dient de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard;

Kosten catering uitvaart: alleen het voldoende onderbouwde bedrag dient te worden toegewezen en voor het overige dient de vordering te worden afgewezen of gedeeltelijk niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 6] heeft de verdediging, met betrekking tot de volgende punten, zich op de volgende standpunten gesteld:

Zelf gespecificeerde schade: dit bedrag dient te worden afgewezen wegens het ontbreken van voldoende grondslag en het ontbreken van objectiveerbaar geestelijk letsel;

Subsidiair affectieschade: de vordering dient te worden afgewezen op grond van de hardheidsclause dan wel niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Het oordeel van de rechtbank

Het juridisch kader

De rechtbank stelt voorop dat buiten twijfel staat dat de nabestaanden diep zijn getroffen door het overlijden van hun moeder, dochter en zus. Er is sprake van groot verdriet en leed. De vorderingen moeten desondanks worden beoordeeld binnen de wettelijke kaders en jurisprudentie. De rechtbank zal daarom eerst het toepasselijke juridische kader schetsen, waarna de vorderingen worden beoordeeld.

Schade nabestaanden

Ingevolge artikel 6:108 Burgerlijk Wetboek (BW) hebben nabestaanden recht op vergoeding van schade. Dat betreft derving van levensonderhoud (lid 1), kosten van lijkbezorging (lid 2) en affectieschade (lid 3). Voorts kan sprake zijn van een onrechtmatige daad jegens de nabestaande, hetgeen ook recht geeft op schadevergoeding. In de wet en de jurisprudentie van de Hoge Raad gaat het dan om de volgende gevallen. Het geval waarin het slachtoffer wordt gedood met het oogmerk de nabestaande te treffen (artikel 6:106, onder a). Voorts kunnen nabestaanden schade claimen in de vorm van shockschade (6:106, onder b, aantasting op andere wijze). Dit betreft het geval wanneer iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt, afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of gevolgen daarvan plaatsvinden, ook onrechtmatig handelt jegens degene bij wie de confrontatie een hevige emotionele shock teweegbrengt. Het betreft een gesloten stelsel.

Kosten van lijkbezorging

Op grond van het bepaalde in artikel 6:108, lid 2, BW kan degene die de kosten van lijkbezorging van het slachtoffer heeft gedragen deze kosten vorderen. Dat betreft kosten die in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene. Om voor vergoeding in aanmerking te komen moeten de kosten in rechtstreeks verband staan met het begraven van de overledene.

Affectieschade

Op grond van artikel 6:108, lid 3, BW kan een nabestaande recht hebben op vergoeding van affectieschade. Vergoeding van affectieschade is in beginsel slechts toewijsbaar aan personen die behoren tot de kring van gerechtigden die in artikel 6:108, lid 4, onder a tot en met f, BW worden opgesomd. Broers en zussen van het overleden slachtoffer vallen niet onder deze opsomming. Op grond van de zogenoemde hardheidsclausule die in artikel 6:108, lid 4, onder g, BW is opgenomen, kan in uitzonderlijke gevallen affectieschade worden toegekend aan een persoon die niet tot de in wet genoemde kring van gerechtigden behoort. Het is aan de nabestaande om een nauwe persoonlijke relatie aannemelijk te maken, waarvoor een affectieve relatie moet worden aangetoond. In het Besluit vergoeding affectieschade is geregeld op welk bedrag personen die tot de kring van gerechtigden behoren aanspraak kunnen maken.

Shockschade

Zoals hierboven reeds is overwogen kan een nabestaande in aanmerking komen voor toekenning van shockschade. Dat kan indien sprake is van een onrechtmatige daad jegens de benadeelde partij, doordat de confrontatie met de gebeurtenis een emotionele schok bij de benadeelde teweegbrengt. De beoordeling van de vraag of daarvan sprake is, gebeurt aan de hand van drie gezichtspunten, waarbij wordt opgemerkt dat geen van de gezichtspunten van doorslaggevende betekenis is. Het gaat daarbij om (1) aard, toedracht en de gevolgen van de onrechtmatige daad, (2) de wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de onrechtmatige daad en gevolgen daarvan en (3) de aard en hechtheid van de relatie tussen primaire en secundaire slachtoffer. Indien de onrechtmatige daad wordt vastgesteld dient daarna de vraag te worden beantwoord of het secundaire slachtoffer ook recht heeft op vergoeding. Er is alleen recht op vergoeding van zowel immateriële als materiële schade indien sprake is van geestelijk letsel als gevolg van de onrechtmatige daad. Het geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Een verklaring van een bevoegde en bekwame deskundige kan – afhankelijk van de inhoud en betwisting – voldoende zijn. De rechtbank moet uit de verklaring kunnen afleiden dat een emotionele shock bestaat die heeft geleid tot geestelijk letsel. (vgl. ECLI:NL:HR:2022:958)

Immateriële schade

Voor toewijzing van immateriële schadevergoeding moet op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW – voor zover hier relevant – sprake zijn van een aantasting in de persoon van benadeelden op andere wijze, veroorzaakt door het bewezen verklaarde gedrag van de verdachte.

Van de bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen (vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793).

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] (feiten 1, 2 en 3)

Materiële schade

Het gevorderde schadebedrag is opgebouwd uit verschillende bedragen, te weten:

€ 385,- voor ‘eigen risico’;

€ 149,50,- voor ‘Keyboard iPad’ (50% van de nieuwprijs);

€ 99,50 voor ‘Apple Airpods’ (50% van de nieuwprijs);

€ 74,50 voor ‘Apple Pencil’ (50% van de nieuwprijs);

€ 868,50 voor ‘Macbook’ (50% van de nieuwprijs);

€ 60,- voor ‘reparatie Cartier Key Ring’.

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de gestelde materiële schade, is door de benadeelde partij voldoende onderbouwd met onder meer facturen en aankoopbonnetjes van de spullen. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 2 bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.

De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering ter hoogte van € 1.637,- in haar geheel toewijzen.

Immateriële schade

De gestelde immateriële schade van de benadeelde partij, bestaat uit de volgende schadeposten:

€ 20.000,- voor ‘Affectieschade’;

€ 45.000,- voor ‘Smartengeld/Aantasting in de persoon’;

€ 45.000,- voor ‘Shockschade’.

De rechtbank acht de vordering met betrekking tot de post ‘Affectieschade’, bestaande uit een bedrag van in totaal € 20.000,- voor toewijzing vatbaar. De benadeelde partij is de dochter van het overleden slachtoffer en moet op grond van artikel 6:108, lid 4 onder c, BW als naaste worden aangemerkt die aanspraak kan maken op vergoeding van affectieschade. Het gevorderde bedrag komt overeen met het schadebedrag dat de wetgever in het Besluit vergoeding affectieschade voor deze naaste heeft vastgesteld.

De rechtbank acht de vordering met betrekking tot de post ‘Smartengeld/Aantasting in de persoon, bestaande uit een bedrag van in totaal € 45.000,- gedeeltelijk voor toewijzing vatbaar op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW. Zij overweegt daartoe als volgt.

De benadeelde partij heeft zich op het standpunt gesteld dat van de bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is, omdat bij haar ernstig en blijvend letsel is ontstaan. Als gevolg van de gebeurtenissen heeft zij last van angstklachten, herbelevingen en hyper-alertheid. Daarvoor is zij in behandeling. Die behandeling zal – gezien de aard en de impact van het incident – nog lang duren. Daarbij zal zij de gevolgen van het incident sowieso voor de rest van haar leven met zich dragen.

De rechtbank is – gelet op voornoemd juridisch kader – van oordeel dat kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit. De aard en de ernst van de normschending zijn naar het oordeel van de rechtbank zodanig dat de nadelige gevolgen daarvan voor het slachtoffer zozeer voor de hand liggen dat aantasting in de persoon kan worden aangenomen, ook zonder vaststelling van geestelijk letsel door een psycholoog of psychiater of van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de verdachte heeft geprobeerd [benadeelde 1] , zijn eigen zuster, opzettelijk en met voorbedachte raad van het leven te beroven. De verdachte heeft brandgesticht in de woning en de deur dichtgehouden zodat zij niet kon vluchten. Daarbij was ook de enige andere vluchtroute belemmerd door de verdachte.

Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend en de Rotterdamse Schaal is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 20.000,- billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe. De rechtbank bepaalt dat het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van het overige deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, omdat dit vraagt om aanhouding van de zaak voor een verdere uitwisseling van standpunten van partijen over eventuele aanvullende schade. De vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het deel van de vordering dat ziet op de post ‘Shockschade’ niet kan worden toegewezen. Weliswaar is sprake van een onrechtmatige daad jegens de benadeelde partij als dochter, gezien de aard en er ernst van de onrechtmatige daad (moord op haar moeder), het gegeven dat zij in huis was toen het feit begaan werd en de innige ouder-kind relatie, maar aan het tweede vereiste voor vergoeding van shockschade is niet voldaan. Zoals overwogen moet sprake zijn van geobjectiveerd geestelijk letsel. Uit de stukken die ter onderbouwing zijn overlegd, blijkt dat zij kenmerken van trauma dan wel PTSS vertoont. Deze gegevens zijn echter te mager om vast te kunnen stellen dat sprake is van daadwerkelijk geestelijk letsel. De benadeelde partij nog in de gelegenheid stellen dit nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van het strafproces op. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde shockschade niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

De benadeelde partij heeft subsidiair een beroep gedaan op immateriële schadevergoeding op grond van aantasting in de persoon op andere wijze, vanwege het wegvallen van haar moeder. De raadsvrouw heeft betoogd dat de benadeelde partij moet opgroeien zonder moeder, met de wetenschap dat zij door een geweldsmisdrijf om het leven is gekomen. Dat vormt een reële dreiging op de ontwikkeling en het zelfvertrouwen. Zij wordt dagelijks geconfronteerd met de ernstige gevolgen en leegte die het overlijden van haar moeder met zich brengt. De rechtbank overweegt als volgt. Zoals hierboven is overwogen, geldt voor nabestaanden (secundaire slachtoffers) een gesloten stelsel van vergoeding van schade. Van een onrechtmatige daad in de zin van 6:106, onder a, BW is naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak geen sprake. De door de raadsvrouw van de benadeelde partij gestelde inbreuk op het recht op eerbieding van de persoonlijke levenssfeer leidt in deze zaak naar het oordeel van de rechtbank niet tot een afzonderlijke aanspraak op vergoeding van immateriële schade. Het gemis van een ouder en de gevolgen daarvan voor de ontwikkeling van de kinderen, zijn naar het oordeel van de rechtbank verdisconteerd in het bedrag dat voor affectieschade is opgenomen. Immers, het bedrag dat wordt toegekend betreft het bedrag voor een thuiswonend kind waarvan de ouder wordt gedood. Ten aanzien van deze post zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toewijzen tot een bedrag van € 41.637,- en daarbij ook de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 12 april 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskosten

Omdat de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte tevens worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De vordering van de benadeelde partijen [benadeelde 4] en [benadeelde 5] (feiten 1 en 2)

Materiële schade

De gestelde materiële schade van deze benadeelde partijen, zijnde de twee minderjarige kinderen van het overleden slachtoffer, bestaat uit de volgende schadeposten:

€ 30.000,- voor ‘Onderhoudsbijdrage’;

€ 5.000,- voor ‘Nader te onderbouwen’.

De rechtbank zal de benadeelde partijen met betrekking tot deze schadeposten niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is door de verdediging betwist. Ter onderbouwing van de onderhoudsbijdrage is enkel aangevoerd dat het evident is dat de benadeelden zelf niet in staat zijn in het eigen levensonderhoud te voorzien. Zoals overwogen komen de benadeelden in beginsel in aanmerking voor gederfd levensonderhoud. Voor de vaststelling van het bedrag dat voor vergoeding in aanmerking komt, is evenwel een onderbouwde berekening nodig. Het moet immers duidelijk zijn wat het inkomen was voorafgaand aan het overlijden en wat de lasten zijn die na het overlijden wegvallen. Ook moeten overige mogelijke extra kosten of uitkeringen in aanmerking worden genomen. Hierover is in de vordering geen enkele informatie opgenomen. Alhoewel de rechtbank een zekere schattingsbevoegdheid heeft, zijn er op dit moment volstrekt onvoldoende gegevens om een verantwoorde schatting te kunnen maken. De vordering is ten aanzien van deze post daarom onvoldoende onderbouwd. Dit geldt eveneens voor de post ‘nader te onderbouwen’ nu daarvoor hoegenaamd geen onderbouwing is gegeven. De benadeelde partijen de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Zij kunnen dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Immateriële schade

De gestelde immateriële schade van de benadeelde partijen, bestaat uit de volgende schadeposten:

€ 20.000,- voor ‘Affectieschade’;

€ 30.000,- voor ‘Smartengeld/Aantasting in de persoon’;

€ 25.000,- voor ‘Shockschade’.

De rechtbank acht de vorderingen met betrekking tot de post ‘Affectieschade’, bestaande uit een bedrag van in totaal € 20.000,- voor toewijzing vatbaar. De minderjarige kinderen van het overleden slachtoffer worden op grond van artikel 6:108, vierde lid, onder d, BW als naasten aangemerkt die aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade. Het gevorderde bedrag van € 20.000,- per persoon komt overeen met het schadebedrag dat de wetgever in het Besluit vergoeding affectieschade voor deze naasten heeft vastgesteld.

Ten aanzien van de post ‘Smartengeld/ ‘Aantasting in de persoon’ heeft de advocaat van de benadeelde partijen betoogd dat de kinderen – als gevolg van bewezenverklaarde feit 1 – zonder moeder zullen moeten opgroeien; dat vormt een reële bedreiging op hun ontwikkeling en het zelfvertrouwen van de kinderen. Zij zullen als gevolg hiervan immers op verschillende terreinen worden beperkt in hun leven. Dit geldt des te meer gezien hun leeftijd. De rechtbank overweegt dat, zoals hierboven is overwogen, voor nabestaanden (secundaire slachtoffers) een gesloten stelsel van vergoeding van schade geldt. Van een onrechtmatige daad in de zin van 6:106, onder a, BW is naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak geen sprake. De door de advocaat van de benadeelde partijen gestelde inbreuk op het recht op eerbieding van de persoonlijke levenssfeer leidt in deze zaak naar het oordeel van de rechtbank niet tot een afzonderlijke aanspraak op vergoeding van immateriële schade. Het gemis van een ouder en de gevolgen daarvan voor de ontwikkeling van de kinderen, zijn naar het oordeel van de rechtbank verdisconteerd in het bedrag dat voor affectieschade is opgenomen. Immers, het bedrag dat wordt toegekend betreft het bedrag voor een thuiswonend kind van wie de ouder is gedood. De rechtbank ziet concluderend in de omstandigheden van de onderhavige zaak onvoldoende grond om naast de affectieschade tevens een vergoeding wegens aantasting in de persoon – zoals gevorderd – toe te kennen. Ten aanzien van deze post zullen de benadeelde partijen dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank is voorts van oordeel dat ook het deel van de vordering dat ziet op de shockschade niet kan worden toegewezen. Weliswaar is sprake van een onrechtmatige daad jegens de kinderen, gezien de aard en de ernst van de onrechtmatige daad (moord op hun moeder), het gegeven dat de kinderen in huis waren toen het gebeurde en de innige ouder-kind relatie, maar aan het tweede vereiste voor vergoeding van shockschade is niet voldaan. Zoals overwogen moet sprake zijn van geobjectiveerd geestelijk letsel. Uit de stukken die ter onderbouwing zijn overlegd, blijkt dat de kinderen kenmerken van trauma dan wel PTSS vertonen. Deze gegevens zijn te mager om vast te kunnen stellen dat sprake is van daadwerkelijk geestelijk letsel. De benadeelden nog in de gelegenheid te stellen dit nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van het strafproces op. De rechtbank zal daarom de benadeelde partijen ten aanzien van de gevorderde shockschade niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de vordering dan ook gedeeltelijk toewijzen tot een bedrag van € 20.000,- per persoon, bestaande uit affectieschade. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 12 april 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskosten

Omdat de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte tevens worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

BEM-clausule

De rechtbank zal bepalen dat de als gevolg van deze uitspraak door de verdachte te betalen schadevergoeding en rente daarover zullen worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partijen [benadeelde 4] en [benadeelde 5] te openen spaarrekening met een zogenoemde BEM-clausule. Een dergelijke BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de benadeelde partijen nu zij nog minderjarig zijn. De benadeelde partijen en hun wettelijke vertegenwoordigers kunnen slechts met toestemming van de kantonrechter over het vermogen beschikken tot het moment waarop de benadeelde partijen de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] (feit 1)

Affectieschade

De benadeelde partij heeft een bedrag van € 17.500,- aan affectieschade gevorderd.

De benadeelde partij is de moeder van het overleden slachtoffer en moet op grond van artikel 6:108, lid 4, onder c, BW als naaste worden aangemerkt die aanspraak kan maken op vergoeding van affectieschade. Het gevorderde bedrag komt overeen met het schadebedrag dat de wetgever in het Besluit vergoeding affectieschade voor deze naaste heeft vastgesteld.

Wettelijke rente

Dit betekent dat de rechtbank de vordering van de benadeelde partij geheel zal toewijzen en daarbij ook de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 12 april 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskosten

Omdat de vordering in zijn geheel wordt toegewezen, zal de verdachte tevens worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] (feit 1)

Kosten van lijkbezorging (materiële schade)

De gestelde materiële schade van de benadeelde partij bestaat uit de posten:

€ 3.000,- voor ‘kosten herdenking moskee’;

€ 4.886,89 voor ‘vliegtickets begrafenis in land van herkomst’;

€ 2.316,80 voor ‘kosten catering uitvaart’.

De rechtbank acht het deel van de vordering dat ziet op de posten ‘kosten herdenking moskee’ en ‘kosten catering uitvaart’ toewijsbaar. De gevorderde materiële schade is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist. De schadeposten zijn met stukken onderbouwd en houden rechtstreeks verband met de lijkbezorging. De rechtbank is daarbij van oordeel dat de kosten in redelijkheid zijn gemaakt.

De rechtbank zal de benadeelde partij met betrekking tot de post ‘vliegtickets’ niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. Uit de stukken blijkt onvoldoende voor wie de tickets waren bedoeld en welke kosten er precies zijn gemaakt. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Hij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Affectieschade

De benadeelde partij heeft daarnaast een bedrag van € 17.500,- aan affectieschade gevorderd. De benadeelde partij is de vader van het overleden slachtoffer en moet op grond van artikel 6:108, lid 4 onder c, BW als naaste worden aangemerkt die aanspraak kan maken op vergoeding van affectieschade. Het gevorderde bedrag komt overeen met het schadebedrag dat de wetgever in het Besluit vergoeding affectieschade voor deze naaste heeft vastgesteld.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toewijzen tot een bedrag van € 22.816,80 en daarbij ook de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 12 april 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskosten

Omdat de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte tevens worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6] (feit 1)

Affectieschade

De benadeelde partij heeft een bedrag van € 17.500,- als vergoeding van (wat de rechtbank begrijpt als) affectieschade gevorderd. De vordering die is ingediend in de hoedanigheid van broer van het overleden slachtoffer, valt niet onder (een van) de genoemde categorieën uit de wet, zoals die momenteel geldt. Het uitgangspunt in de huidige wet is namelijk dat broers en zussen geen aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade. Alleen in heel bijzondere gevallen, waarin sprake is van een hechte affectieve relatie, die (ver) uitgaat boven de ‘gewone’ hechte relatie die broers en zussen kunnen hebben, is ook ruimte voor vergoeding van affectieschade aan een broer of zus (de zogenaamde hardheidsclausule). Het is aan de nabestaande om een nauwe persoonlijke relatie aannemelijk te maken, waarvoor een affectieve relatie moet worden aangetoond.

Zonder af te doen aan de sterke band die de nabestaande met zijn zuster had en hoe invoelbaar zijn leed ook is, zijn de omstandigheden die hij daarvoor heeft aangevoerd, naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om in aanmerking te komen voor vergoeding van affectieschade via de hardheidsclausule. De rechtbank zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Het staat de benadeelde partij uiteraard vrij om de vordering tot schadevergoeding bij de civiele rechter aanhangig te maken.

Proceskosten

Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.

8. De schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het bewezen verklaarde feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partijen, van wie de vordering (gedeeltelijk) is toegewezen, aansprakelijk voor schade die door de feiten aan hen is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van in totaal € 121.953,80, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 12 april 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 1] , [benadeelde 4] , [benadeelde 5] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] .

Gijzeling

Als de verdachte niet betaalt, kan als dwangmiddel gijzeling worden toegepast. Op grond van artikel 36f, vijfde lid, Sr bepaalt de rechtbank bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel de duur volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 Sv gijzeling kan worden toegepast. De duur daarvan beloopt ten hoogste één jaar. Gelet op de hoogte van de toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen zal de totale duur van de gijzeling het maximum van 365 dagen overstijgen. Om dit te voorkomen zal de rechtbank de gijzeling naar evenredigheid toepassen.

9. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

- 36f, 37a, 37b, 38z, 55, 57, 157 en 289 van het Wetboek van Strafrecht;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10. De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

- moord;

ten aanzien van feit 2:

- opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

ten aanzien van feiten 2 en 3 met betrekking tot [benadeelde 1] :

de eendaadse samenloop van:

- opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is;

en

- poging tot moord.

verklaart verdachte niet strafbaar;

ontslaat verdachte ter zake van alle rechtsvervolging;

gelast de terbeschikkingstelling van de verdachte en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd;

legt op aan de verdachte de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking;

Vorderingen benadeelde partijen

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen (deels) toe en veroordeelt de verdachte om;

- een bedrag van € 41.637,- te betalen aan: [benadeelde 1] , vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 12 april 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald. Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- een bedrag van € 20.000,- te betalen aan: [benadeelde 4] , vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 12 april 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald. Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

- een bedrag van € 20.000,- te betalen aan: [benadeelde 5] , vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 12 april 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald. Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

- een bedrag van € 17.500,- te betalen aan: [benadeelde 2] , vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 12 april 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald.

- een bedrag van € 22.816,80,- te betalen aan: [benadeelde 3] , vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 12 april 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald. Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 4] , [benadeelde 5] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde 6] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding. Bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde 6] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

Schadevergoedingsmaatregel en gijzeling

legt op aan de verdachte de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 41.637,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 12 april 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald ten behoeve van [benadeelde 1] ;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 103 dagen, waarbij de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;

legt op aan de verdachte de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 20.000,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 12 april 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald ten behoeve van [benadeelde 4] ;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 65 dagen, waarbij de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;

legt op aan de verdachte de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 20.000,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 12 april 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald ten behoeve van [benadeelde 5] ;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 65 dagen, waarbij de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;

legt op aan de verdachte de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 17.500,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 12 april 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald ten behoeve van [benadeelde 2] ;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 59 dagen, waarbij de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;

legt op aan de verdachte de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 22.816,80 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 12 april 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald ten behoeve van [benadeelde 3] ;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 70 dagen, waarbij de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;

bepaalt dat de uit hoofde van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde 4] en [benadeelde 5] te openen spaarrekening met een BEM-clausule;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E. Rabbie, voorzitter,

mr. C.A.W. Zijlstra, rechter,

mr. L. Anemaet, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. A.V. Sagarajah, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. E. Rabbie
  • mr. C.A.W. Zijlstra
  • mr. L. Anemaet

Griffier

  • mr. A.V. Sagarajah

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand