RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[verzoeker], verzoeker,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.31127
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R. Dhalganjansing)
en
Procesverloop
Bij besluit van 20 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder verzoekers bezwaar tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Daarnaast heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb uitspraak buiten zitting.
Overwegingen
1. Iemand die verzoekt om een voorlopige voorziening, moet op grond van artikel 8:82 en artikel 8:41 van de Awb griffierecht betalen. De griffier stelt op grond van artikel 8:41, vierde en vijfde lid, van de Awb een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dit betekent dat het hele bedrag binnen die termijn moet zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn moet zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig betalen van het griffierecht verschoonbaar is.
2. Verzoeker heeft bij de indiening van zijn verzoekschrift verzocht om vrijstelling van het griffierecht. Bij bericht van 4 juni 2026 heeft de griffier verzoeker verzocht om gegevens over te leggen waaruit de betalingsonmacht blijkt. Verzoeker heeft op dit verzoek niet gereageerd. Bij bericht van 7 juli 2026 heeft de rechtbank daarom het beroep op betalingsonmacht afgewezen.
3. De griffier heeft op 10 juli 2026 een aangetekende nota verstuurd aan het adres van de gemachtigde van verzoeker, waarmee verzoeker in de gelegenheid is gesteld het griffierecht binnen vier weken na dagtekening van die brief te betalen. Daarbij is in de nota vermeld dat indien het verschuldigde bedrag niet of niet tijdig wordt overgemaakt, eiser het risico loopt dat zijn verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wordt verklaard.
4. Het griffierecht is niet binnen de gestelde termijn betaald. Verder is niet gebleken dat het verzuim verschoonbaar is.
5. Het verzoek om een voorlopige voorziening is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 14 september 2026 door mr. K.M. de Jager, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B. Biyikli, griffier en openbaar gemaakt door middel van publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.