ECLI:NL:RBDHA:2026:27069

ECLI:NL:RBDHA:2026:27069

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 18-09-2026
Datum publicatie 17-09-2026
Zaaknummer NL:TZ:2616520:R-RK
Rechtsgebied Civiel recht; Insolventierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Verzoek om een moratorium afgewezen. Het is in de procedure aannemelijk geworden dat de huurder zijn hoofdverblijf niet in de gehuurde woning heeft en dat er sprake is van onrechtmatig gebruik oftewel woonfraude. Nu de woning feitelijk niet door de huurder zelf als hoofdverblijf wordt gebruikt, komt deze niet in aanmerking voor de bescherming die een moratorium beoogt te bieden. Het verzoek wordt derhalve afgewezen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team Toezicht

rekestnummers: NL:TZ:2616520:R-RK & NL:TZ:2616521:R-RK

vonnis op grond van artikel 287b lid 1 van de Faillissementswet van 18 september 2026

[verzoeker] ,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

hierna: de heer [verzoeker] ,

gemachtigde: mr. D.A. IJpelaar,

tegen

de stichting Woningstichting Haag Wonen,

gevestigd en kantoorhoudende te Den Haag,

hierna: verweerster,

gemachtigde: mr. M.A. van der Valk van VBTM Advocaten.

Waar deze zaak over gaat

Op 12 augustus 2026 wilde verweerster de woning van de heer [verzoeker] ontruimen. De heer [verzoeker] heeft de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening uit te spreken, waarbij de ontruiming voor zes maanden wordt verboden. De rechtbank wijst het verzoek af en legt hierna uit waarom zij zo beslist. Eerst volgt informatie over het verloop van de procedure tot nu toe.

1. De procedure

Op 11 augustus 2026 heeft de heer [verzoeker] gevraagd om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 287b lid 1 van de Faillissementswet (Fw). Daarbij heeft de heer [verzoeker] ook een WSNP-verzoek ingediend.

Het verzoek houdt in dat verweerster wordt verboden om de woning aan het adres [adres] te ontruimen. De heer [verzoeker] huurt deze woning van verweerster. De ontruiming stond gepland op 12 augustus 2026 om 08:00 uur.

De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 11 augustus 2026 verweerster verboden

de woning te ontruimen totdat op het verzoek van de heer [verzoeker] een eindbeslissing

is genomen.

Het verzoek tot het afgeven van de voorlopige voorziening is behandeld op de zitting van 16 september 2026. Op deze zitting verschenen:

- de heer [verzoeker] , bijgestaan door:

- mr. D.A. IJpelaar van JAW Advocaten,

- mevrouw [naam 1] van de gemeente Den Haag,

en:

- de heer [naam 2] , incassoconsulent bij Haag Wonen,

- de heer [naam 3] , fraudeconsulent bij Haag Wonen,

- mr. M.A. van der Valk van VBTM Advocaten.

2. De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie, zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Uit de overgelegde stukken volgt dat partijen op 19 februari 2025 een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten waarin is opgenomen dat de huurovereenkomst zal worden ontbonden als de huur niet tijdig wordt voldaan. Bij exploot van 27 juli 2026, heeft verweerster op 12 augustus 2026 aangekondigd dat zij zal overgaan tot ontruiming van de woning. Hieruit volgt dat sprake is van een bedreigende situatie.

De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden dat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen. Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van de schuldenaar, de heer [verzoeker] , enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.

Het belang van de heer [verzoeker] bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject, dat inmiddels is gestart, doorlopen kan worden. Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het proces-verbaal van 19 februari 2026 ten uitvoer kan leggen.

De rechtbank wijst de voorlopige voorziening af, omdat in dit geval het belang van verweerster zwaarder weegt dan het belang van de heer [verzoeker] . Dit oordeel wordt hierna uitgelegd.

Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken blijkt het volgende. Op 19 februari 2025 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten. Daarin is afgesproken dat de heer [verzoeker] de huur maandelijks tijdig zou betalen. Als hij dit niet zou doen, zou de huurovereenkomst worden ontboden en zou verweerster overgaan tot ontruiming van de woning. De heer [verzoeker] is deze afspraak niet zijn nagekomen. De huurachterstand is sinds februari 2025 verder opgelopen.

Verweerster heeft op 8 juli 2026 de woning van de heer [verzoeker] bezocht. De deur werd geopend door de heer [naam 4] , een onbekende voor verweerster. De heer [naam 4] verklaarde dat hij al een maand met zijn zus en zwager in het appartement verbleef, en dat zij een deel van de spullen van [verzoeker] in de berging hadden gezet. Verweerster heeft met toestemming van de heer [naam 4] de woning betreden. In de woning bleek nog een persoon aanwezig te zijn, mevrouw [naam 5] . Dit bezoek was voor verweerster reden om op 15 juli 2026 de woning nogmaals te bezoeken. Tijdens dat huisbezoek kwam een vriend van de heer [verzoeker] aangelopen, de heer [naam 6] . Hij verklaarde dat de heer [verzoeker] aan hem had verteld dat hij de woning heeft gekocht en dat hij daarom de woning mocht onderverhuren. De heer [naam 6] verklaarde dat de heer [verzoeker] al 2 of 3 jaar bij zijn vriendin in [plaats] woonde. Op 8 juli 2026 werd de heer [verzoeker] wederom niet aangetroffen in de woning en werd de deur opnieuw geopend door de heer [naam 4] . De heer [verzoeker] heeft tijdens de zitting aangegeven dat hij de woning aan de [adres] nog steeds bewoont en veel afwezig is geweest in verband met ziekte en ziekenhuis opnames.

In het licht van de door verweerster overgelegde verklaringen en foto’s bestaat er naar het oordeel van de rechtbank ernstige twijfel over de vraag of de woning door de heer [verzoeker] als zijn hoofdverblijf wordt gebruikt.

Het belang bij behoud van de woning van de heer [verzoeker] weegt daarom minder zwaar dan het belang van verweerster om haar sociale huurwoning te laten bewonen door mensen die daar dringend naar op zoek zijn. Daarom wijst de rechtbank het op artikel 287b Fw gebaseerde verzoek tot het geven van een voorlopige voorziening af.

Het WSNP-verzoek

Ten aanzien van het verzoek tot het toepassen van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt de heer [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard, nu de daarvoor benodigde stukken als bedoeld in artikel 285 Fw ontbreken. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit verzoek aan te houden om de stukken te completeren, omdat nog geen begin is gemaakt met het minnelijk schuldsaneringstraject.

3. De beslissing

De rechtbank:

- wijst de verzochte voorlopige voorziening af;

- verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.

Dit is een beslissing van mr. A.C.M. Höppener, rechter, in samenwerking met R. Radjkoemar, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand