ECLI:NL:RBDHA:2026:27072

ECLI:NL:RBDHA:2026:27072

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 17-09-2026
Datum publicatie 17-09-2026
Zaaknummer NL25.46037
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Asielaanvraag; Ethiopië; Amhara-regio; asielmotief moord op vader ongeloofwaardig; discriminatie niet zwaarwegend genoeg; risico op gedwongen rekrutering ondeugdelijk gemotiveerd; in het verlengde daarvan ook risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld ondeugdelijk gemotiveerd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.46037

(gemachtigde: mr. D.S. Harhangi-Asarfi),

en

(gemachtigde: mr. N.F. van der Gouw).

Procesverloop

Eiser heeft op 5 mei 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) ingediend.

Bij besluit 15 september 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Dit besluit omvat tevens een terugkeerbesluit.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [persoon A] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Het asielrelaas

Eiser is geboren op [geboortedatum] 2007 en heeft de Ethiopische nationaliteit. Op 5 mei 2025 heeft hij in Nederland asiel aangevraagd.

Eiser heeft aan zijn asielaanvraag – samengevat weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd. Eiser woonde in Ethiopië in het stadje Metemma, in de regio Amhara, vlakbij de grens met Sudan. Hij is half Amhaars (via zijn vader) en half Tigrees (via zijn moeder). Mede vanwege deze gemengde etniciteit is hij Ethiopië ontvlucht. Eind mei 2021 is eisers vader vermoord vanwege de etniciteit van, en zijn huwelijk met eisers moeder. Eisers moeder heeft eiser toen gebeld en gezegd dat hij direct moest vluchten. Eiser is hierop naar een kerk in Gendawa gevlucht. Na (ongeveer) een half jaar hoorde hij van de priesters dat zij bedreigd werden vanwege het bieden van onderdak aan eiser en dat hij de kerk moest verlaten. Dat heeft eiser gedaan en vervolgens is hij meteen uit Ethiopië vertrokken. Bij terugkeer naar Ethiopië vreest eiser te worden vermoord door de mensen die ook zijn vader hebben vermoord.

Het bestreden besluit

Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:

Identiteit, nationaliteit en herkomst;

De moord op de vader van eiser;

De door eiser ervaren discriminatie.

Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. Ook heeft verweerder geloofwaardig geacht dat eiser in Ethiopië discriminatie heeft ervaren. De moord op eisers vader heeft verweerder echter ongeloofwaardig geacht, omdat in dit verband niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

De geloofwaardig geachte asielmotieven leveren volgens verweerder geen asielgrond op als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw, omdat op grond daarvan niet aannemelijk is dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft als bedoeld in het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) of bij terugkeer naar Ethiopië een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Gelet hierop heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw.

Verder heeft verweerder bepaald dat eiser geen verblijfsvergunning op basis van het amv-buitenschuldbeleid krijgt en dat eiser Nederland en de Europese Unie binnen vier weken dient te verlaten.

De beroepsgronden

3. Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen en voert daartegen – samengevat weergegeven – het volgende aan. Verweerder heeft de moord op eisers vader ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Volgens eiser heeft verweerder in dit verband ten onrechte gesteld dat niet is voldaan aan artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw, en is de beoordeling daarnaast in strijd met artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn. Eiser stelt verder dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat hij geen risico loopt op gedwongen rekrutering. Ook heeft verweerder volgens eiser de door hem ondervonden discriminatie gebagatelliseerd. Eiser voert verder aan, onder verwijzing naar landeninformatie, dat hij bij terugkeer naar Ethiopië een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Voorts betoogt eiser dat verweerder hem ten onrechte geen amv-buitenschuldvergunning heeft gegeven en hem ten onrechte een terugkeerbesluit heeft opgelegd.

Het oordeel van de rechtbank

4. De rechtbank toetst het bestreden besluit aan de hand van de beroepsgronden die eiser daartegen heeft aangevoerd.

De moord op de vader van eiser

Verweerder heeft de gestelde moord op eisers vader ongeloofwaardig geacht, omdat eisers verklaringen hierover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, zodat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw. Verweerder heeft eiser in dit verband diverse tegenwerpingen gedaan. Op de belangrijkste daarvan gaat de rechtbank hierna in.

Eiser heeft verklaard dat hij telefonisch van zijn moeder heeft vernomen dat zijn vader was vermoord en dat hij meteen moest vluchten. Dit heeft hij ook gedaan, waarna hij (ongeveer) zes maanden in een kerk ondergedoken heeft gezeten (p. 9 NG). Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser slechts weinig concrete informatie over deze gebeurtenissen heeft verstrekt. Zo weet eiser niet wat er met zijn vader is gebeurd en waarom en door wie hij is vermoord (p. 10 NG) en weet hij eigenlijk ook niet precies waarom en voor wie hij zelf is gevlucht. Eiser heeft weliswaar het vermoeden uitgesproken dat de moord op zijn vader te maken heeft met de etniciteit van zijn ouders en dat iemand van de overheid daarachter zit, maar verweerder stelt terecht dat dit vermoeden tamelijk algemeen is en niet is gebaseerd op voldoende concrete aanknopingspunten. Verweerder stelt naar het oordeel van de rechtbank terecht dat eiser over deze gebeurtenissen meer en concreter moet kunnen vertellen dan hij heeft gedaan. De moord op zijn vader en zijn daaropvolgende vlucht zijn immers zeer ingrijpende gebeurtenissen en vormen de kern van zijn asielrelaas. Weliswaar was eiser zelf niet aanwezig toen de gestelde moord op zijn vader plaatsvond, maar verweerder stelt terecht dat mocht worden verwacht dat eiser hierover navraag zou doen bij iemand die er (waarschijnlijk) wel meer van weet, zoals zijn moeder of een ander familielid, vooral ook om te achterhalen wat de gevolgen voor hemzelf waren en of en waarom het nodig was om te vluchten, onder te duiken en zelfs het land te verlaten. Dergelijke navraag heeft eiser niet gedaan. Eiser heeft in dit verband nog gesteld dat dit onmogelijk was, omdat zijn moeder de telefoon direct heeft opgehangen en het daarna feitelijk niet mogelijk was om nog met haar of iemand anders in contact te komen, maar dit laatste volgt de rechtbank, gelet op wat er is overwogen onder 5.3 en 5.4, in ieder geval niet. Het vorenstaande, waaruit blijkt dat eiser over de kerngebeurtenis van zijn asielrelaas summier heeft verklaard terwijl er meer van hem mocht worden verwacht, doet, zoals verweerder terecht stelt, afbreuk aan de samenhangendheid en aannemelijkheid van zijn verklaringen over zijn asielrelaas.

Verweerder stelt verder terecht dat eiser vaag heeft verklaard en wisselende standpunten heeft ingenomen over zijn telefoon. Nu die telefoon bij uitstek het middel was waarmee eiser contact kon opnemen met zijn moeder of een ander familielid, hetgeen gelet op wat er hiervoor is overwogen een belangrijk punt is in deze zaak, heeft verweerder dit terecht betrokken in de beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers relaas. Met betrekking tot de verklaringen van eiser over de telefoon overweegt de rechtbank meer specifiek als volgt. Eiser heeft verklaard dat zijn telefoon het na zijn vlucht naar de kerk nog één dag deed, dat toen de batterij leeg was, dat er in de kerk geen elektriciteit was, dat hij er niet aan heeft gedacht om de priesters om hulp te vragen om zijn telefoon weer op gang te krijgen en dat hij bij zijn vertrek uit de kerk de telefoon heeft achtergelaten omdat die het niet meer deed (p. 16-17 NG). Zoals onder 5.2. is geoordeeld, bestond er voor eiser alle reden om contact op te nemen met zijn moeder of een ander familielid om na te vragen wat er nu precies was gebeurd met zijn vader en waarom hij zelf moest vluchten. Gelet hierop heeft verweerder terecht gesteld dat niet valt in te zien dat eiser, gedurende de zes maanden die hij in de kerk verbleef, nooit aan de priesters heeft gevraagd om hem te helpen met het opladen van zijn telefoon, zodat hij daarmee weer kon bellen. Om dezelfde reden heeft verweerder ook terecht gesteld dat niet valt in te zien dat eiser zijn telefoon niet heeft meegenomen toen hij de kerk verliet. De namens eiser aangevoerde stelling dat de telefoon kapot was en dat hij die daarom niet heeft meegenomen toen hij de kerk verliet, heeft verweerder niet hoeven volgen, nu deze stelling niet overeenkomt met wat eiser zelf tijdens het nader gehoor hierover heeft verklaard. Eiser heeft immers verklaard dat de batterij leeg ging en dat de telefoon het daarna niet meer deed (p. 16 NG). Hieruit volgt niet dat de telefoon kapot was, maar slechts dat die leeg was. Voor zover de stelling wordt gehandhaafd dat eiser de telefoon niet heeft meegenomen naar de kerk maar thuis heeft achtergelaten, overweegt de rechtbank dat verweerder die evenmin heeft hoeven volgen, nu uit eisers verklaringen volgt dat hij niet meer thuis is geweest nadat hij door zijn moeder was gebeld over de gestelde moord op zijn vader en hij verder heeft verklaard dat er in de kerk geen elektriciteit was waardoor hij de telefoon daar niet kon opladen.

Verweerder heeft verder terecht gesteld dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over het gebruik van zijn facebook-account, hetgeen ook een middel is om contact mee te leggen met zijn moeder of een ander familielid. Zo heeft eiser bij de AVIM verklaard dat hij op dat moment een account gebruikte met de naam [accountnaam] , terwijl hij tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat hij dit account, dat hij in Ethiopië had aangemaakt en waarop contactgegevens staan van mensen in Ethiopië, sinds zijn aankomst in Libië niet meer gebruikt, omdat hij het account niet meer kon openen (p. 5 NG).

Eiser heeft voorts, zoals verweerder terecht heeft gesteld, tegenstrijdig verklaard over zijn verblijfplaatsen vóór zijn vertrek uit Ethiopië. Tijdens het aanmeldgehoor heeft eiser immers verklaard dat hij na zijn verblijf van vijf/zes maanden in Gendawa, terug is gekeerd naar zijn woonplaats Metemma en daar nog een paar maanden heeft verbleven, alvorens hij Ethiopië heeft verlaten (p. 3-4 AG). Tijdens het nader gehoor heeft eiser echter verklaard dat hij na zijn verblijf in Gendawa, direct Ethiopië heeft verlaten en niet nog in Metemma is geweest (p. 17-18 NG). Eisers stelling in dit verband dat hij tijdens het aanmeldgehoor niet heeft verklaard dat hij terug is gegaan naar Metemma en dat er sprake moet zijn geweest van miscommunicatie, heeft verweerder niet hoeven volgen. Eiser heeft tijdens het aanmeldgehoor té concreet verklaard over zijn terugkeer naar Metemma om zijn verklaringen hierover af te doen als miscommunicatie en bovendien heeft hij deze verklaringen niet gecorrigeerd bij de correcties en aanvullingen; pas toen hij met zijn tegenstrijdige verklaringen hierover werd geconfronteerd, heeft hij gesteld dat er sprake was van miscommunicatie.

Gelet op het vorenstaande, in samenhang bezien, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen over de moord op zijn vader geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, zodat niet wordt voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw. Nu niet aan deze voorwaarde is voldaan, hoefde verweerder eiser niet het ‘voordeel van de twijfel’ te gunnen zoals genoemd in artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn (zie punt 27 van de considerans van de Kwalificatieverordening), en heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de gestelde moord op eisers vader ongeloofwaardig is. De hieraan door eiser ontleende vrees om zelf ook vermoord te worden om dezelfde redenen en door dezelfde personen als zijn vader heeft verweerder, in het verlengde van het vorenstaande, terecht niet gevolgd. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt niet.

Vrees voor rekrutering

Eiser heeft in zijn correcties en aanvullingen op het nader gehoor naar voren gebracht dat hij vreest voor de dienstplicht en om gedwongen te moeten meevechten in de oorlog, al dan niet gedwongen door gewapende groeperingen.

Verweerder heeft in het voornemen met betrekking tot deze vrees van eiser voor gedwongen rekrutering bij terugkeer het volgende standpunt ingenomen. Er is in Ethiopië geen militaire dienstplicht en uit landeninformatie blijkt dat rekrutering door de overheid niet voorkomt. Verweerder heeft daarbij gewezen op het Algemeen ambtsbericht Ethiopië van januari 2024 (het ambtsbericht van 2024) en op eerdere algemeen ambtsberichten over Ethiopië, waarin staat dat er geen berichten zijn van gedwongen rekrutering voor militaire dienstplicht. Uit deze ambtsberichten blijkt verder ook niet dat er sprake is van gedwongen rekrutering door gewapende groeperingen. Verweerder heeft er daarbij op gewezen dat uit het ambtsbericht van 2024 blijkt dat uit betrouwbare bronnen volgt dat personen – met name jonge mannen – zich over het algemeen door een verscheidenheid aan push- en pullfactoren aansluiten bij gewapende groepen, zoals OLA en Fano. Dit betrof bijvoorbeeld sociaaleconomische, ideologische en beschermingsoverwegingen.

Eiser heeft in zijn zienswijze aangevoerd dat er in Ethiopië wel degelijk sprake is van gedwongen rekruteringen. Ter onderbouwing hiervan heeft hij een brief van VluchtelingenWerk Nederland (VWN) van 25 augustus 2025 overgelegd. De rechtbank stelt vast dat uit de in die brief vermelde bronnen, die veelal dateren van na het ambtsbericht van 2024, concrete aanwijzingen naar voren komen dat er in Ethiopië, en meer specifiek in de Amhara-regio, waar eiser vandaan komt, gedwongen rekruteringen plaatsvinden door zowel de Ethiopische regeringstroepen als de Amhaarse Fano-milities.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft aangegeven op welke gedeelten uit de brief van VWN hij een beroep doet en dat een algemene verwijzing naar die brief onvoldoende is om aan te nemen dat hij in een situatie terecht zal komen waarin sprake is van gedwongen rekrutering. Deze motivering van verweerder is naar het oordeel van de rechtbank echter te kort door de bocht. Verweerder heeft in het voornemen aan eiser tegengeworpen dat hij niet heeft onderbouwd dat er in Ethiopië, anders dan uit het ambtsbericht van 2024 blijkt (zie 6.2), wel gedwongen rekruteringen plaatsvinden. In die zienswijze is eiser alsnog met die onderbouwing gekomen, in de vorm van de brief van VWN. Het lag dan vervolgens op de weg van verweerder om in het bestreden besluit inhoudelijk op die brief van VWN in te gaan en een nader standpunt in te nemen over de vraag of er in Ethiopië nu wel of geen gedwongen rekruteringen plaatsvinden en, bij een bevestigend antwoord op die vraag, vervolgens een standpunt in te nemen over de vraag of eiser dan een risico loopt om gedwongen gerekruteerd te worden. Dit heeft verweerder niet gedaan. Dit maakt dat verweerder zich in het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen reëel risico loopt op gedwongen rekrutering. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt in zoverre.

Ter zitting heeft verweerder erkend dat er, anders dan uit de besluitvorming blijkt, in Ethiopië wel gedwongen rekruteringen kunnen plaatsvinden, maar zich vervolgens op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat specifiek hij een risico loopt om hier slachtoffer van te worden. Met deze toelichting heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank het gebrek in het bestreden besluit niet hersteld. Verweerder is hierbij namelijk niet (voldoende) ingegaan op eisers, in dit verband relevante, individuele omstandigheden, waaronder de omstandigheden dat eiser gezien zijn leeftijd en overige kenmerken onder de doelgroep valt om te worden gerekruteerd en dat hij in een gebied woont (de Amhara-regio) waarin er volgens de informatie in de brief van VWN nog een conflict gaande is waarbinnen er gedwongen rekruteringen plaatsvinden door alle strijdende partijen.

Discriminatie

Verweerder heeft in het bestreden besluit geloofwaardig geacht dat eiser in Ethiopië vanwege zijn gemengde etniciteit discriminatie heeft ondervonden, maar heeft zich op het standpunt gesteld dat deze (geloofwaardige) discriminatie niet zwaarwegend genoeg is voor asielverlening. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Verweerder merkt volgens zijn beleid (tot 12 juni 2026: paragraaf C2/3.2.6. van de Vreemdelingencirculaire 2000; Vc) discriminatie van de vreemdeling door de autoriteiten en door medeburgers aan als daad van vervolging, als de vreemdeling vanwege de discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren.

De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de discriminatie die eiser in Ethiopië vanwege zijn gemengde etniciteit heeft ervaren niet voormelde ‘drempel van vervolging’ haalt. Verweerder heeft zich namelijk terecht op het standpunt gesteld dat uit de verklaringen van eiser niet blijkt dat hij in Ethiopië zo ernstig in zijn bestaansmogelijkheden werd beperkt dat het voor hem onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. Weliswaar heeft eiser verklaard dat hij werd buitengesloten, gepest en uitgescholden, maar eiser heeft ook verklaard dat hij wel toegang had tot school en daarnaast bijvoorbeeld zijn vrije tijd zonder noemenswaardige problemen kon doorbrengen met zijn vrienden in het poolcentrum. Hoewel eiser dus enige slechte ervaringen op dit vlak heeft gehad, blijkt uit hetgeen hij overigens heeft verklaard dat hij in Ethiopië wel, zij het met enige beperkingen, heeft kunnen functioneren op maatschappelijk en sociaal gebied. Verder geldt dat verweerder dus terecht ongeloofwaardig heeft geacht dat eisers vader is vermoord, zodat ook hierin geen aanknopingspunten zijn gelegen om te oordelen dat eiser bij terugkeer naar Ethiopië vanwege zijn etniciteit discriminatie zal ervaren die de ‘drempel van vervolging’ haalt. Voorts heeft verweerder terecht gesteld dat dergelijke aanknopingspunten ook niet volgen uit het ambtsbericht van 2024. Daarin staat namelijk dat over het algemeen kan worden gesteld dat de positie en de behandeling van verschillende bevolkingsgroepen het best gewaarborgd worden in de gebieden waar zij de meerderheid vormen of waarover zij de controle uitoefenen (p. 47). Ook staat daarin dat veel inwoners van de hoofdstad van gemengde afkomst waren en dat er over het algemeen geen systematische etnische discriminatie bestond (p. 56 en 62). Het ambtsbericht maakt verder geen melding van situaties waarin burgers (in bijvoorbeeld Amhara-regio) met een gemengde etniciteit te vrezen hebben gehad voor een vorm van discriminatie.

Gelet op het voorgaande heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij in Ethiopië door discriminatie zo ernstig is en zal worden beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kon en zal kunnen functioneren. Verweerder heeft de (ondervonden en te ondervinden) discriminatie dan ook terecht onvoldoende zwaarwegend geacht voor asielverlening. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt niet.

Risico op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld

Eiser is afkomstig uit de regio Amhara. Voor die regio neemt verweerder aan dat er sprake is van een ‘relatief lager niveau van willekeurig geweld’. Dit volgt uit paragraaf C9/14.4.2. van de Vc (vóór 12 juni 2026 was dit paragaaf C7/14.4.2 van de Vc). Als er sprake is van een relatief lager niveau (of een relatief hoger niveau) van willekeurig geweld, dan is de enkele aanwezigheid van de vreemdeling in het desbetreffende gebied niet voldoende om een reëel risico voor ernstige schade aan te nemen, en moet de vreemdeling aannemelijk maken dat zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.

Nog los van de vraag of verweerder voor de regio Amhara de juiste ‘15c-gradatie’ heeft vastgesteld, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen reëel risico loopt op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld. Hiertoe geldt het volgende. Naar het oordeel van de rechtbank kan het antwoord op de vraag of eiser, vanwege zijn profiel, een risico loopt om gedwongen te worden gerekruteerd ook relevant zijn voor de beoordeling of er sprake is van individuele omstandigheden die het risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld verhogen. Bij wijze van voorbeeld wijst de rechtbank erop dat er willekeurig geweld kan plaatsvinden bij gelegenheid van een rekruteringsactie op een plek waar veel mensen met het profiel van eiser samenkomen (zoals een school, een café, enzovoort). Nu hiervoor, onder 6.4. en 6.5, is overwogen dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser geen risico loopt om gedwongen te worden gerekruteerd, heeft verweerder, in het verlengde daarvan, ook ondeugdelijk gemotiveerd dat er bij eiser geen sprake is van individuele, risicoverhogende omstandigheden om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt in zoverre.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is, gelet op wat er onder 6.4. en 8.2. is overwogen, gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Gelet hierop en op wat er hierna is overwogen over de wijze van geschilbeslechting, laat de rechtbank de beroepsgronden van eiser die zien op de beslissing van verweerder om eiser geen verblijfsvergunning te verlenen op grond van het amv-buitenschuldbeleid en op het opgelegde terugkeerbesluit in deze uitspraak inhoudelijk onbesproken.

10. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat verweerder de hiervoor geconstateerde gebreken niet in de beroepsfase heeft hersteld (zie overweging 6.5). De rechtbank zal ook niet zelf in de zaak voorzien, omdat het (vooralsnog) aan verweerder is en blijft om te beoordelen of eiser een risico loopt op gedwongen rekrutering en/of om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus, aangezien dit, gelet op de aard van de gebreken en de wijze waarop die moeten worden hersteld, naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zal inhouden. De rechtbank zal verweerder daarom opdragen om, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van tien weken. In dat nieuw te nemen besluit dient verweerder, behoudens in geval de asielaanvraag wordt ingewilligd, de actuele situatie in de Amhara-regio, in het bijzonder op de punten van rekruteringsrisico en willekeurig geweld, te betrekken en ook in te gaan op de gronden die eiser heeft aangevoerd over het niet verlenen van een ‘amv-buitenschuldvergunning’ en het terugkeerbesluit.

11. Omdat het beroep gegrond is, bestaat er aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Roozeboom, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. F.A. Groeneveld

Griffier

  • mr. W. Roozeboom

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand