RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.20265
(gemachtigde: mr. N.C. Blomjous),
en
(gemachtigde: mr. J.P. Arts).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het na de afwijzing genomen toewijzende besluit onderdeel uitmaakt van deze procedure en dat eiseres nog belang heeft bij de beoordeling van de datum waarop zij is gaan voldoen aan de voorwaarden voor die vergunning. De rechtbank vindt dat de minister eiseres ten onrechte niet heeft gehoord in bezwaar en voorziet zelf in de zaak door te oordelen dat zij per 9 oktober 2024 is gaan voldoen aan de voorwaarden voor de vergunning EU/EER. Eiseres krijgt dus deels gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument EU/EER op grond van artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 11 september 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 4 april 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Op 25 mei 2025 heeft eiseres een nieuwe aanvraag gedaan voor een verblijfsdocument EU/EER.
Op 23 januari 2026 heeft de minister op basis van de nieuwe aanvraag van 25 mei 2025 en de daarbij behorende bewijsstukken aan eiseres een verblijfsdocument EU/EER verstrekt.
De minister heeft aan eiseres gevraagd of zij daarin aanleiding zag om deze beroepszaak in te trekken.
Eiseres heeft aangegeven het beroep te willen voortzetten omdat zij nog belang heeft bij het bepalen van de ingangsdatum van het verblijfsdocument.
De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
De rechter die de zaak op zitting heeft behandeld is niet in staat om binnen de verlengde termijn uitspraak te doen. Het beroep wordt daarom nu behandeld door mr. G. Schnitzler. De rechtbank heeft partijen gevraagd of zij toestemming geven om uitspraak te doen zonder nadere zitting. Partijen hebben daarop niet gereageerd. De rechtbank sluit daarom nu het onderzoek en doet uitspraak.
Beoordeling door de rechtbank
Wat is de omvang van het geding?
3. Het beroep richt zich in eerste instantie tegen het bestreden besluit van 4 april 2025 waarbij de minister de aanvraag om een verblijfsdocument EU/EER heeft afgewezen. Nadien heeft de minister – op grond van een nieuwe aanvraag – het gevraagde document bij besluit van 23 januari 2026 alsnog toegekend. Eiseres is het niet eens met dat besluit omdat zij de ingangsdatum van het verblijfsrecht betwist. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of het besluit van 23 januari 2026 – gelet op artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht – onderdeel uitmaakt van deze procedure.
4. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Hoewel het besluit van 23 januari 2026 formeel ziet op een nieuwe aanvraag, is de rechtbank van oordeel dat er voldoende samenhang bestaat tussen dat besluit en het afwijzende besluit op de eerste aanvraag van 4 april 2025. De rechtbank vindt voor dit oordeel van belang dat het gaan om exact dezelfde (soort) aanvraag en dat het in beide zaken uiteindelijk nog gaat om het moment waarop vastgesteld kon worden dat eiseres aan de voorwaarden voor het betreffende verblijfsdocument is gaan voldoen. Heeft eiseres nog procesbelang bij deze beroepszaak?
5. De rechtbank ziet zich vervolgens ambtshalve voor de vraag gesteld of er nog procesbelang is bij deze procedure. Eiseres heeft namelijk inmiddels het door haar gevraagde verblijfsdocument EU/EER verkregen.
6. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres nog procesbelang heeft, en de rechtbank onderschrijft dit belang. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt namelijk dat de minister weliswaar niet bevoegd is om de ingangsdatum van een rechtstreeks aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht vast te stellen, maar dat hij wel moet aangeven in het besluit vanaf wanneer aan de voorwaarden voor dat verblijfsrecht is voldaan.
7. Omdat die datum hier in geschil is zal de rechtbank zal het beroep van eiseres inhoudelijk behandelen. Heeft de minister kunnen afzien van het recht van eiseres om gehoord te worden?
8. Volgens de minister is eiseres op 16 december 2025 gaan voldoen aan alle voorwaarden voor het gevraagde verblijfsrecht omdat zij toen de aanvullende stukken heeft ingediend die hebben geleid tot de conclusie dat sprake was van een duurzame relatie. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij al veel eerder aan die voorwaarde is gaan voldoen, namelijk op het moment dat zij bij haar eerste aanvraag op 6 december 2023 aangaf dat zij een duurzame en exclusieve relatie met haar partner had. Eiseres verwijst in dat kader naar de stukken die destijds zijn overgelegd en stelt zich op het standpunt dat zij ten onrechte niet is gehoord.
9. De minister verwijst in het bestreden besluit naar de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022. Daarin staat dat het uitgangspunt van de bezwaarprocedure is dat de vreemdeling wordt gehoord. Dat uitgangspunt geldt met name als sprake is van beslissingsruimte en de beslissing sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, zoals bij het afwijzen van een aanvraag om een vergunning te verlenen. De overweging 5.2 die de minister op de zitting aanhaalt, omschrijft naar het oordeel van de rechtbank juist gevallen waarin het minder vanzelfsprekend is dat van een hoorzitting in bezwaar kan worden afgezien. Daarin wordt ook de situatie genoemd dat de vreemdeling in de bezwaarfase nog niet alle relevante informatie en bewijsstukken heeft overgelegd die van hem of haar verlangd kunnen worden, of de situatie waarin er – om wat voor reden dan ook – nog onduidelijkheden bestaan over het feitencomplex. Een gehoor kan juist dan uitkomst bieden om ontbrekende informatie boven tafel te krijgen, of eventueel te zoeken naar oplossingen voor gerezen problemen.
10. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat de minister eiseres in de bezwaarfase ten onrechte niet heeft gehoord. Er valt immers niet uit te sluiten dat de minister met een hoorzitting uiteindelijk wel tot het oordeel wat gekomen dat er op dat moment feitelijk voldaan werd aan de voorwaarden van het verblijfsrecht. Het bestreden besluit van 4 april 2025 bevat om die reden een zorgvuldigheidsgebrek. Wat moet het gevolg zijn van de schending van de hoorplicht?
11. Omdat het verblijfsdocument inmiddels is verstrekt vindt de rechtbank het niet meer opportuun om de minister op te dragen om eiseres alsnog te horen over haar relatie destijds. Omdat het niet horen een zorgvuldigheidsgebrek oplevert is de rechtbank echter van oordeel dat de gevolgen daarvan voor rekening en risico van de minister moeten komen. Omdat het nu erg lastig is om te beoordelen of eiseres destijds aan de voorwaarden voor het gevraagde verblijfsdocument voldeed, en zij daardoor mogelijk in haar belangen is geschaad, ziet de rechtbank geen aanleiding om het gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Het valt immers niet uit te sluiten dat een hoorzitting destijds zou hebben geleid tot een voor eiseres gunstiger besluit. Het bestreden besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking.
12. De rechtbank ziet in deze situatie aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat ervan uit moet worden gegaan dat eisers met het indienen van de nadere gronden in bezwaar en de daarbij gevoegde stukken op 9 oktober 2024 is gaan voldoen aan de voorwaarden voor het gevraagde verblijfsrecht. Eiseres stelt weliswaar dat die datum nog eerder zou moeten zijn, maar dat is door haar niet nader onderbouwd.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit van 4 april 2025 in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom dat bestreden besluit.
14. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing en bepaalt dat eiseres op 9 oktober 2024 is gaan voldoen aan de voorwaarden van de bij besluit van 23 januari 2026 verleende vergunning.
15. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 4 april 2025;- vernietigt het besluit van 23 januari 2026 voor zover daarin is beslist dat eiseres op 16 december 2025 is gaan voldoen aan de voorwaarden voor de vergunning EU/EER;
- herroept het besluit van 11 september 2024;
- bepaalt dat eiseres op 9 oktober 2024 is gaan voldoen aan de voorwaarden voor de vergunning EU/EER en dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het besluit;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr.B.L. Kosterman - Meijer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 27 augustus 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.