ECLI:NL:RBDHA:2026:27078

ECLI:NL:RBDHA:2026:27078

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 16-09-2026
Datum publicatie 17-09-2026
Zaaknummer NL26.26116
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Mondelinge uitspraak, voorlopige voorziening, arbeidsmarktaantekening, RTB, belangenafweging, toegewezen.

Uitspraak

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. M.K. Ruijzendaal).

Inleiding

1. Verzoeker heeft op 27 maart 2026 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier met als verblijfsdoel “arbeid als zelfstandige”. Op 10 april 2026 heeft eiser een verblijfssticker gekregen waarop de arbeidsmarktaantekening staat “arbeid wel toegestaan, tewerkstellingsvergunning wel vereist”.

Tegen deze feitelijke handeling heeft verzoeker bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.

De minister heeft op dit verzoek gereageerd met een verweerschrift.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 10 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de minister.

Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter op 10 september 2026 onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de gevraagde voorlopige voorziening toe;

- bepaalt dat de minister aan verzoeker een verblijfssticker met arbeidsmarktaantekening “arbeid vrij toegestaan” moet verlenen;

- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden; en,

- veroordeelt de minister in de proceskosten tot een bedrag van €1.868,-.

Overwegingen

Achtergrond

2. Op 27 maart 2026 heeft verzoeker een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het verblijfsdoel “arbeid als zelfstandige”. Verzoeker valt onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming Oekraïne (RTB) en heeft hierdoor rechtmatig verblijf in Nederland.

3. Op 10 april 2026 had verzoeker een afspraak bij het IND-loket voor een verblijfssticker waaruit de lopende aanvraag voor een verblijfsvergunning met als doel “arbeid als zelfstandige” blijkt. Die dag heeft de minister aan verzoeker een verblijfssticker met de arbeidsmarktaantekening “arbeid wel toegestaan, tewerkstellingsvergunning wel vereist” afgegeven. Hier is verzoeker het niet mee eens. Hij heeft hiertegen bezwaar ingediend en verzocht om een voorlopige voorziening hangende dit bezwaar. Dit verzoek houdt in dat alsnog aan hem een verblijfssticker met arbeidsmarktaantekening “Arbeid vrij toegestaan” moet worden verleend.

Standpunt verzoeker

4. Verzoeker stelt dat hij spoedeisend belang heeft bij het afgeven van de gevraagde arbeidsmarktaantekening omdat hij materiële (verlies van inkomen) en immateriële schade (reputatieschade) oploopt. Verder stelt verzoeker dat zijn bezwaar redelijke kans van slagen heeft. Ook heeft verzoeker zwaarwegende belangen om zijn werkzaamheden als zelfstandige te kunnen verrichten. Hier spelen dezelfde belangen als bij het spoedeisend belang, namelijk verlies van inkomen, reputatieschade, maar ook dat hij zijn aanvraag voor arbeid als zelfstandige lastiger kan onderbouwen als blijkt dat de aangekondigde opdrachten niet zijn gerealiseerd. Tot slot doet verzoeker een beroep op het gelijkheidsbeginsel.

Standpunt van de minister

5. De minister stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een spoedeisend belang, onder andere omdat verzoeker ook anders in zijn financiën kan voorzien. Bijvoorbeeld door in loondienst te werken. Verder heeft de minister erop gewezen dat een beslissing op bezwaar op korte termijn te verwachten valt en dat van verzoeker voor die tijd verwacht kan worden dat hij een TWV aanvraagt. Vervolgens heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft en dat wel de juiste verblijfssticker met de juiste arbeidsmarktaantekening is verleend. Verder stelt de minister zich op het standpunt dat de belangen van de Staat dienen te prevaleren boven de belangen van verzoeker die niet zijn onderbouwd met concrete stukken.

Oordeel van de voorzieningenrechter

6. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan hangende een bezwaarprocedure de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningenrechter vindt de discussie over de vraag of de verblijfssticker wel of niet moest worden afgegeven, en dus de vraag of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft, te complex om als voorzieningenrechter een oordeel over te geven. De voorzieningenrechter zal zich daarom beperken tot het bespreken van het spoedeisend belang en de belangenafweging.

7. De voorzieningenrechter zal eerst ingaan op het spoedeisend belang. De minister heeft gesteld dat er geen sprake is van een spoedeisend belang. Wat de voorzieningenrechter heeft begrepen is dat verzoeker een goedlopend bedrijf heeft. Kijkend naar het overgelegde ondernemingsplan waren er opdrachten en zijn er inkomsten gegenereerd. Ook op de zitting is aan bod gekomen dat vanaf het moment dat er een TWV vereist is, verzoeker zijn werkzaamheden niet meer kan vormgeven. Verzoeker heeft ook besloten daar zo goed mogelijk aan te voldoen door zijn website te sluiten waardoor geen nieuwe opdrachten binnen zouden moeten kunnen komen. Verzoeker heeft gezegd dat opdrachtgevers hem toch weten te vinden, maar dat hij tegen die opdracht ‘nee’ moet zeggen. Dit vindt de voorzieningenrechter belangrijk om te constateren. Verzoeker zegt vandaag geen inkomsten te hebben. Daarin ziet de voorzieningenrechter het spoedeisend belang. Verzoeker had een bedrijf dat goed liep, dat nu stilstaat, terwijl het in zijn belang is om dat draaiende te houden.

8. Hier ligt ook het belang van verzoeker om toewijzing van de voorlopige voorziening. Aan de kant van verzoeker heeft hij materiële schade en geen inkomsten. Verder heeft hij immateriële schade, omdat hij ‘nee’ moet zeggen tegen mensen. Dit probeert hij in te dammen, maar opdrachtgevers weten hem toch te vinden. Dit kan ertoe leiden dat mogelijke opdrachtgevers denken dat zij niet hun opdracht bij verzoeker moeten beleggen, omdat hij dit toch zal afwijzen. Deze immateriële schade leidt dus mogelijk in de toekomst tot materiële schade. Verder is het ook in verzoekers belang om een zo kansrijke aanvraag mogelijk ter toetsing bij de RVO in te brengen.

9. Het belang van de minister is het handhaven van de wet. Op de zitting is duidelijk geworden dat hier drie deelbelangen onder zitten. Ten eerste het belang om mensen uit Oekraïne die zelfstandig willen werken te beschermen. Zij kunnen kwetsbaar zijn voor uitbuiting. Er is dus bewust gekozen om mensen uit Oekraïne die vallen onder de RTB niet toe te staan te werken als zelfstandige zonder TWV. Ten tweede is toezicht en handhaving complexer bij arbeid als zelfstandige. Dit is van belang omdat er ook malafide praktijken zijn. Ten derde is dat als verzoeker wordt toegestaan om zonder TWV te werken, hij in de tussentijd andere concurrenten uit de markt kan verdringen.

10. Op de zitting is duidelijk geworden, en dat heeft de minister ook gezegd, dat de eerste twee deelbelangen niet concreet spelen in de zaak van verzoeker. Dan is het belang aan de zijde van de minister dat hangende de aanvraag voor arbeid als zelfstandige de opdrachten die verzoeker zal uitvoeren niet door anderen gedaan kunnen worden. Dit belang acht de voorzieningenrechter te mager om te kunnen zeggen dat de belangen van verzoeker niet gehonoreerd kunnen worden. Dit betekent dat de voorzieningenrechter de belangen aan de zijde van verzoeker zwaarder vindt wegen dat de belangen van de minister.

Conclusie en gevolgen

11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom toe en treft de voorlopige voorziening dat aan verzoeker een verblijfssticker met arbeidsmarktaantekening “arbeid vrij toegestaan” moet worden verleend.

12. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet de minister het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Ook krijgt verzoeker ook een vergoeding van zijn proceskosten.

13. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Roefs, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. I.S. Roefs

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand