RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.54423
(gemachtigde: mr. J.M. Walther),
en
(gemachtigde: mr. B. Goossens).
1. Deze uitspraak gaat over de weigering van de minister om aan eiser een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te geven om bij zijn partner [referente] (hierna: referente) in Nederland te mogen verblijven. Eiser is het niet eens met die weigering. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht heeft overwogen dat eiser ten tijde van het bestreden besluit niet voldeed aan de voorwaarden voor de mvv. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De minister heeft de mvv-aanvraag van eiser met het besluit van 24 februari 2025 afgewezen. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.
3. Met het bestreden besluit van 15 oktober 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 29 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, referente, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Waarom heeft de minister geweigerd om een mvv te verstrekken?
4. De minister heeft in het bestreden besluit overwogen dat op dat moment niet voldaan wordt aan de voorwaarden voor de gevraagde mvv. Referente voldoet niet aan het middelenvereiste uit artikel 3.22 van de Vb, omdat zij een bijstandsuitkering krijgt en daardoor geen sprake is van zelfstandige middelen van bestaan. Referente komt ook niet in aanmerking voor een vrijstelling van het middelenvereiste, omdat niet is gebleken dat zij blijvend en volledig arbeidsongeschikt is. Ze beschikte ten tijde van het bestreden besluit weliswaar over een “indicatie banenafspraak”, maar die was nog geen twee jaar geldig. Ook blijkt uit andere stukken niet dat referente al minstens twee jaar volledig arbeidsongeschikt is en dat (gedeeltelijk) herstel voor ten minste nog een jaar redelijkerwijs is uitgesloten. De minister erkent dat er gezinsleven bestaat tussen eiser en referent omdat zij gehuwd zijn, maar komt tot de conclusie dat het niet toestaan van verblijf aan eiser niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. De belangen van de staat wegen in dit geval volgens de minister zwaarder dan de belangen van eiser om zich hier te vestigen. Daarbij neemt de minister in overweging dat het gaat om een eerste toelating, het huwelijk is gesloten zonder verblijfstitel en de relatie ook kan worden voorgezet op afstand of in Bangladesh. Is er nog procesbelang bij de behandeling van het beroep?
5. Uit het dossier volgt dat op 19 maart 2026 aan eiser alsnog een mvv is verleend. Volgens de minister is eiser op dat moment gaan voldoen aan de voorwaarden voor de mvv, omdat referente vanaf dat moment twee jaar een zogenoemde “indicatie banenmarkt” had. Omdat het bestreden besluit ex tunc moet worden getoetst maakt dit nieuwe besluit volgens de minister niet dat het bestreden besluit onrechtmatig is.
6. Omdat aan eiser alsnog een mvv is verleend ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of hij nog procesbelang heeft bij de beoordeling van dit beroep. Deze vraag heeft de rechtbank ook aan partijen op de zitting gesteld. Eiser stelt dat hij belang heeft bij een toetsing van de rechtmatigheid van het destijds genomen bestreden besluit, omdat er immateriële schade is geleden vanwege de langere afwezigheid van eiser in Nederland. De minister heeft dit belang beaamd en de rechtbank kan zich hierin vinden. Het beroep zal daarom inhoudelijk worden behandeld. Werd er ten tijde van het bestreden besluit voldaan aan de voorwaarden voor de mvv?
7. De rechtbank stelt voorop dat zij het bestreden besluit ex tunc moet toetsen. Dat wil zeggen dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld naar de feiten en omstandigheden zoals die zich ten tijde van het nemen van het besluit voordeden. De bewijslast voor het voldoen aan de voorwaarden voor vrijstelling van het middelenvereiste ligt bij eiser.
8. Eiser stelt dat uit de overgelegde stukken volgt dat referente al jaren psychische klachten heeft waarvoor zij onder behandeling staat. Ook woont zij al jaren begeleid en kon zij niet goed meedraaien in de samenleving. Daaruit kan volgens eiser worden afgeleid dat referente al blijvend en volledig arbeidsongeschikt was op het moment van het bestreden besluit.
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat uit de door eiser overgelegde stukken niet kon worden afgeleid dat referente ten tijde van het bestreden besluit volledig arbeidsongeschikt was en dat dit – kortgezegd – blijvend was. Dat betekent dus dat gelet op het beleid van de minister als startpunt van de onderbouwing van de arbeidsongeschiktheid moet worden genomen de verlening van de “indicatie banenmarkt”, en dat was toen nog geen twee jaar geleden. Uit de stukken volgt namelijk niet dat er op het moment van het bestreden besluit geen uitzicht was op verbetering van de psychische klachten. Referente stond volgens de informatie van [naam] nog onder behandeling, waarbij met medicatie geprobeerd werd om haar OCD en stemmingsklachten onder controle te krijgen. Op het moment van het bestreden besluit kon daarom naar het oordeel van de rechtbank niet worden uitgegaan van blijvende volledige arbeidsongeschiktheid. Referente kon daarom niet vrijgesteld worden van het middelenvereiste.
10. Eiser heeft nog aangevoerd dat het strikt hanteren van dit criterium in het geval van referente niet evenredig is, omdat zij al heel lang met ernstige beperkingen kampt. De rechtbank is van oordeel dat dit op zichzelf niet maakt dat de manier waarop de minister naar arbeids(on)geschiktheid kijkt onevenredig is. Dat het beleid geen rekening houdt met deze situatie, volgt de rechtbank dan ook niet. Heeft de minister de belangenafweging in het nadeel van eiser kunnen laten uitvallen?
11. Eiser stelt dat de minister in de belangenafweging onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat referente al jaren met psychische klachten kampt en dat zij ook op dat vlak veel baat heeft bij nabijheid van eiser.
12. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser en referente nooit eerder hebben samengewoond en dat die situatie door het bestreden besluit dus niet is verslechterd. Er is daarom voldoende rekening gehouden met de psychische toestand van referente.
13. De rechtbank is van oordeel dat de minister alle feiten en omstandigheden heeft meegewogen in het bestreden besluit en dat hij de belangenafweging in redelijkheid in het nadeel van eiser heeft mogen laten uitvallen. Daarbij heeft de minister kunnen betrekken dat het gezinsleven is aangegaan zonder verblijfsrecht en dat eiser in ieder geval in het begin van zijn verblijf in Nederland een beroep zal moeten doen op de publieke middelen. De minister heeft gelet op deze omstandigheden het economische belang van de Staat zwaarder mogen laten wegen dan het belang van eiser (en referente) bij verblijf bij zijn partner.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit niet onrechtmatig is en dat de mvv dus niet eerder verstrekt had hoeven worden dan 19 maart 2026. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. B.L. Kosterman-Meijer, griffier.Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.