RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.45976
(gemachtigde: mr. J.E. Jalandoni),
en
(gemachtigde: mr. L.A.R. Schluter).
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning regulier en tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift.
De rechtbank komt het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag in stand kan blijven. Verder heeft eiser geen procesbelang bij een inhoudelijk oordeel over het niet tijdig beslissen van de minister, en krijgt hij geen vergoeding van zijn proceskosten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 30 augustus 2023 een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 14 december 2023 afgewezen. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt.
Eiser heeft op 22 september 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn bezwaarschrift.
Met het bestreden besluit van 13 november 2025 heeft de minister alsnog beslist op het bezwaar van eiser en is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Het beroep richt zich van rechtswege ook tegen het alsnog genomen besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 22 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1970 en heeft de Sierra Leoonse nationaliteit.
Beroep tegen het niet tijdig beslissen
4. De minister heeft met het bestreden besluit alsnog op de aanvraag van eiser beslist. Eiser heeft daarom geen procesbelang meer bij een beslissing op het beroep vanwege het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag. Het beroep, voor zover het is gericht tegen het niet tijdig beslissen, is daarom niet-ontvankelijk.
5. In het kader van eisers verzoek om vergoeding van zijn proceskosten, beoordeelt de rechtbank of het beroep tegen het niet tijdig beslissen terecht is ingesteld. De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is, omdat eiser geen geldige ingebrekestelling heeft ingediend. De rechtbank licht dit als volgt toe.
De minister mag nadere eisen stellen aan het gebruik van de elektronische weg op grond van artikel 2:15, eerste lid, tweede zin, van de Algemene wet bestuursrecht. Dat heeft de minister gedaan. Op de website van de IND is een pagina ingericht over het niet tijdig beslissen en het indienen van de ingebrekestelling. Vanaf die pagina kan de indiener de module ‘veilig mailen’ starten. Als die module wordt gevolgd, wordt de ingebrekestelling verzonden naar het e-mailadres [e-mailadres 1] . Daarmee heeft de minister deze weg als enig juiste weg ingericht. Eiser heeft de ingebrekestelling verstuurd naar [e-mailadres 2] . De ingebrekestelling is dus niet geldig. Dat de ingebrekestelling wel via ‘veilig mailen’ is gestuurd en eiser een ontvangstbevestiging heeft gekregen, leidt niet tot een ander oordeel. In de ontvangstbevestiging is bovendien verwezen naar de voornoemde pagina op de website van de IND, en is opgemerkt dat een ingebrekestelling die is ingediend via een andere weg niet geldig is.
Beroep tegen het bestreden besluit
Bestreden besluit
6. Volgens de minister komt eiser niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier. Eiser heeft namelijk geen machtiging voor voorlopig verblijf (mvv). Eiser krijgt ook geen vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 8 van het EVRM (het recht op familie- en privéleven), medische gronden of onredelijke hardheid. Verder valt de belangenafweging in het kader van artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn in eisers nadeel uit.
In het kader van artikel 8 van het EVRM stelt de minister vast dat eiser familieleven heeft met zijn Nederlandse partner, [naam] . De belangenafweging valt echter in zijn nadeel uit. De minister weegt daarbij onder andere mee dat de relatie in 2016 is aangegaan, terwijl het voor eiser (in ieder geval) met het terugkeerbesluit van 29 juli 2014 duidelijk was dat hij illegaal in Nederland verbleef. Verder is niet gebleken van objectieve belemmeringen om het familieleven in Sierra Leone of elders uit te oefenen. Ook wordt niet voldaan aan de overige voorwaarden voor de verblijfsvergunning, omdat eisers partner niet voldoet aan het middelenvereiste van artikel 3.22, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000. Tussen eiser en de meerderjarige kinderen van zijn partner is volgens de minister geen sprake van familieleven. De minister stelt verder vast dat eiser privéleven heeft in Nederland. De belangenafweging valt echter in zijn nadeel uit. De banden zijn opgebouwd tijdens illegaal verblijf, en er is niet gebleken van uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan verblijf toch moet worden toegestaan. Eiser krijgt daarom geen vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 8 van het EVRM.
Eiser krijgt ook geen vrijstelling van het mvv-vereiste op medische gronden, omdat hij tijdens de hoorzitting heeft verklaard dat hij niet onder behandeling staat voor zijn psychische klachten. De minister kan dan geen advies vragen aan het Bureau Medische Advisering over de vraag of eiser kan reizen en of er bij terugkeer naar Sierra Leone een medische noodsituatie ontstaat.
Verder is het niet onevenredig hard als eiser terug moet naar Sierra Leone om daar een mvv aan te vragen. Eiser woont samen met zijn partner, die zorg en ondersteuning nodig heeft. Het betreft echter een tijdelijke situatie. Bovendien had eisers partner voordat zij eiser leerde kennen al ondersteuning nodig. Toen kon zij zich ook zelfstandig, met hulp van (zorg)instanties, staande houden.
De minister stelt vast dat eiser kerngezinslid is van zijn partner zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, sub a, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. De belangenafweging in het kader van artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn valt echter in eisers nadeel uit. De minister betrekt daarbij onder andere dat eiser niet voldoet aan het mvv-vereiste, eerder geen gehoor heeft gegeven aan zijn vertrekplicht, het familieleven is aangegaan terwijl hij geen verblijfsvergunning had en dat behalve de partner niet is gebleken van sterke banden met Nederland. De relatie met de partner van Nederlandse nationaliteit vindt de minister niet doorslaggevend.
Onredelijke hardheid
7. Eiser voert aan dat sprake is van bijzondere, persoonlijke feiten en omstandigheden waardoor hij vrijgesteld moet worden van het mvv-vereiste. Volgens de verklaring van de huisarts heeft eiser PTSS door oorlogstrauma’s en heeft hij suïcidale ideaties. Terugkeer naar Sierra Leone om een mvv op te halen zou een zeer negatief effect kunnen hebben op zijn mentale gesteldheid. Verder is eisers partner, vanwege haar verstandelijke beperking, afhankelijk van de ondersteuning van eiser. Met de stelling dat zij zich vóórdat zij eiser kende ook kon staande houden, heeft de minister onvoldoende rekening gehouden met de afgelopen jaren. Door een medewerker van stichting STIL is immers bevestigd dat zij niet zonder eisers steun kan.
8. De rechtbank oordeelt als volgt. De minister kan het mvv-vereiste buiten toepassing laten, voor zover de toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Naar het oordeel van de rechtbank mocht de minister besluiten om dat in dit geval niet te doen.
Uit de verklaring van de huisarts van 20 november 2012 blijkt dat bij eiser PTSS is vastgesteld en dat er destijds sprake was van suïcidale ideaties. Eiser staat op dit moment echter niet meer onder actieve medische behandeling. Eiser heeft geen informatie overgelegd waaruit zijn huidige psychische/mentale toestand blijkt. Eiser heeft daarom onvoldoende onderbouwd dat er bij terugkeer naar Sierra Leone trauma’s zullen opspelen waardoor zijn toestand (ernstig) zou verslechteren, en dat daarom sprake is van onredelijke hardheid.
Wat betreft de zorg van eiser voor zijn partner, heeft hij op de zitting toegelicht dat hij geen officiële zorgtaken heeft. Wel biedt hij mentale en praktische steun, wat vooral te maken heeft met het lage IQ van zijn partner. Eiser heeft toegelicht dat zijn partner veel stress heeft over haar kinderen en dat zij veel dingen die haar (zijn) overkomen niet kan begrijpen en verwerken, en dat hij daarmee helpt. Uit de stukken die zijn overgelegd volgt naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat eisers partner niet tijdelijk zonder hem zou kunnen. De medewerker van stichting STIL heeft in de mail van 20 februari 2024 en tijdens de hoorzitting op 28 oktober 2025 toegelicht dat eiser een belangrijke steun is in haar leven. Dat is echter iets anders dan dat zij zich niet zonder hem kan handhaven. De minister heeft daarover terecht opgemerkt dat dit in het verleden ook zonder eiser mogelijk was, met hulp van (zorg)instanties. De minister hoefde in de aangevoerde omstandigheden dus geen aanleiding te zien om eiser vrij te stellen van het mvv-vereiste. De beroepsgrond slaagt niet.
Middelenvereiste
9. Eiser voert aan dat zijn partner wel degelijk in aanmerking komt voor vrijstelling van het middelenvereiste. Dit had in zijn voordeel moeten worden meegewogen in de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM en artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Volgens eiser is de vrijstellingsgrond ‘de referent is blijvend en volledig arbeidsongeschikt of de referent is blijvend niet in staat aan de plicht tot arbeidsinschakeling te voldoen' van toepassing. Op 1 maart 2010 en 17 januari 2013 is voor eisers partner een WSW-indicatie afgegeven. In 2013-2019 heeft zijn partner ontheffing van haar arbeidsverplichting gehad. Na 2019 zijn er meerdere pogingen gedaan om passend werk te vinden, maar dat is niet gelukt. Eiser verwijst daartoe naar informatie van het UWV en van een werkconsulent van gemeente [plaats] . Uit de informatie van de werkconsulent blijkt dat eisers partner op dit moment niet actief wordt opgeroepen. Dit moet volgens eiser gezien worden als vrijstelling van de arbeidsverplichting. Gelet op het lage IQ van eisers partner is ook niet te verwachten dat zij weer aan het werk kan. Voor zover niet is voldaan aan de vereisten, stelt eiser dat de minister toepassing had moeten geven aan artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht en van het beleid had moeten afwijken. Er is namelijk een duidelijke aanwijzing dat de arbeidsongeschiktheid al enige tijd bestaat en ook langere tijd zal blijven bestaan.
10. De rechtbank oordeelt als volgt. Het middelenvereiste volgt uit artikel 3.22, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000. Daar kan op grond van het tweede lid een uitzondering op worden gemaakt als de hoofdpersoon naar het oordeel van de minister ‘blijvend en volledig arbeidsongeschikt is’. Dat is verder uitgewerkt in paragraaf B7/2.2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000. In het geval van eisers partner wordt niet aan de voorwaarden voldaan. Zij is op dit moment niet aangemerkt als volledig arbeidsongeschikt. In dat geval moet zij blijvend niet in staat moet zijn om aan de arbeidsverplichting te voldoen. Dat neemt de minister aan als zij (1) vijf jaar volledig is ontheven van haar arbeidsverplichting en (2) gedeeltelijke of volledige arbeidsinschakeling niet binnen één jaar is te voorzien. Het is niet gebleken dat aan die vereisten is voldaan. De partner van eiser is vanaf 2019 niet meer ontheven van haar arbeidsverplichting. Dat het volgens de informatie van de werkconsulent niet gelukt is om haar te plaatsen en dat zij op dit moment niet actief wordt opgeroepen, doet er niet aan af dat zij formeel niet is ontheven van haar arbeidsverplichting.
De minister hoefde ook geen toepassing te geven aan artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht en hoefde dus niet van de Vreemdelingencirculaire af te wijken. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling op de zitting, dat er een soort vacuüm is ontstaan waarbij zijn partner niet formeel is vrijgesteld van haar arbeidsverplichting maar in feite niet meer opgeroepen zal worden. De werkconsulent schrijft namelijk in haar e-mail van 24 april 2024 dat, afhankelijk van hoe het met eisers partner gaat, zij met de ambulante begeleiding afstemt over het plannen van een afspraak om nog eens naar de situatie en de eventuele mogelijkheden te kijken. In de e-mail van 27 november 2025 schrijft de werkconsulent dat eisers partner nu in een dienstverlening valt waarbij ze haar (tenzij bij een herbeoordeling, dit is een standaardproces één keer in de drie jaar) niet actief oproepen. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de kansen op de arbeidsmarkt niet groot zullen zijn, wordt hiermee niet uitgesloten dat eisers partner – in het geval van een herbeoordeling – weer ingeschakeld zou kunnen worden. Het is daarom niet gebleken dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die toepassing van het beleid onevenredig maken. Dan is er geen reden voor de minister om af te wijken van zijn beleid. De minister mocht bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM en artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn dus meewegen dat eisers partner niet voldoet aan het middelenvereiste. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn
11. Eiser voert aan dat uit het bestreden besluit onvoldoende blijkt dat het gunstigere uitgangspunt van de Gezinsherenigingsrichtlijn is gehanteerd. Verder is ten onrechte in zijn nadeel gewogen dat er geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden en dat niet is voldaan aan het middelenvereiste. Ook had de minister in het voordeel van eiser moeten wegen dat hij geen banden meer heeft met Sierra Leone. Eiser is immers sinds 2001 niet meer terug geweest, en weet door de oorlog niet meer of zijn familie daar nog verblijft. Verder heeft de minister onvoldoende waarde gehecht aan de sterkte van de gezinsband en de banden met Nederland. Eiser heeft vrienden gemaakt in Nederland en heeft behalve de relatie met zijn partner ook een hechte band met haar kinderen. Eiser verwijst daartoe naar de e-mail van 20 februari 2024 van de zoon van zijn partner.
12. De rechtbank oordeelt als volgt. Uit het bestreden besluit, p. 4, blijkt dat de minister het juiste toetsingskader heeft gehanteerd. Eiser wordt aangemerkt als kerngezinslid, hij kan daarom rechtstreeks rechten ontlenen aan artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn . Dit maakt dat de belangenafweging gunstiger kan uitvallen dan de belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM. Dit betekent echter niet dat de belangenafweging alleen in het voordeel van eiser kan uitvallen. Ook is de opsomming van omstandigheden in artikel 17 niet limitatief.
In het geval van eiser heeft de minister in zijn voordeel betrokken dat hij sinds 8 jaar een relatie heeft met zijn partner van Nederlandse nationaliteit. De minister mocht echter tegenwerpen dat de relatie is aangegaan toen eiser al wist dat hij hier illegaal verbleef. Wat betreft de gevolgen van het besluit voor het gezinsleven, mocht de minister overwegen dat het familieleven ook in Sierra Leone voortgezet kan worden, en dat ook op afstand contact mogelijk is. Wat betreft de duur van het verblijf van eiser in Nederland, mocht de minister betrekken dat eiser in de periode van 2001 t/m 2004 legaal in Nederland heeft verbleven, maar dat hij sindsdien geen verblijfsrecht meer heeft, en ook geen gehoor heeft gegeven aan zijn vertrekplicht.
De minister mocht ook de banden die eiser in Nederland heeft opgebouwd onvoldoende zwaarwegend vinden. Die banden bestaan vooral uit de partner in Nederland en haar gezin. Eiser ziet zichzelf als de stiefvader van de kinderen, en uit de e-mail van 20 februari 2024 blijkt dat hij ook een rol speelt in hun leven. De minister heeft in het bestreden besluit echter (in het kader van artikel 8 van het EVRM) terecht opgemerkt dat de kinderen meerderjarig zijn en een eigen gezin hebben. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn standpunt dat de minister in zijn voordeel had moeten wegen dat hij geen banden heeft met Sierra Leone. De minister heeft op de zitting terecht opgemerkt dat eiser tot zijn 31e in Sierra Leone heeft gewoond, en bekend is met de taal en gewoontes daar.
Eiser heeft er op de zitting ook nog op gewezen dat hij onder andere als dakdekker en loodgieter heeft gewerkt, waar veel vraag naar is in Nederland. Zijn eerdere werkgever, waarmee hij ook bevriend is, heeft hem ook werk aangeboden als hij een verblijfsvergunning zou krijgen. De rechtbank volgt de toelichting van de minister op de zitting, dat het werk en de opleiding van eiser inherent zijn aan zijn lange verblijf hier, en geen bijzondere omstandigheden opleveren. De minister heeft dus deugdelijk gemotiveerd waarom de belangenafweging in het kader van artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn niet in eisers voordeel uitvalt. De beroepsgrond slaagt niet.
Recht op privéleven
13. Eiser voert aan dat er in de belangenafweging onvoldoende waarde is gehecht aan zijn lange verblijf in Nederland. Hoe langer het verblijf in Nederland, hoe zwaarder dit dient te wegen, volgens de Werkinstructie 2020/16. Er is ook onvoldoende gewicht toegekend aan zijn banden met Nederland en het ontbreken van banden met Sierra Leone.
14. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Eiser heeft lange tijd in Nederland verbleven, maar had vanaf 2004 geen verblijfsvergunning meer. Wanneer het privéleven wordt opgebouwd tijdens illegaal verblijf of een periode waarin de verblijfsrechtelijke status onzeker is, kan dat privéleven alleen in uitzonderlijke gevallen leiden tot een verplichting tot het laten voortzetten van dat privéleven. De minister heeft verwezen naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens waaruit dat volgt. De minister heeft voldoende gewicht toegekend aan de banden van eiser met Nederland. Ook volgt de rechtbank niet dat de minister meer gewicht moet kennen aan het ontbreken van banden met Sierra Leone. De rechtbank verwijst daartoe naar wat zij onder 12.2. heeft overwogen. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 14 september 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.