RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.50567
(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),
en
(gemachtigde: L. Hartog).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:
Vw: Vreemdelingenwet 2000
Vb: Vreemdelingenbesluit 2000
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 31 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
Partijen hebben ingestemd met schriftelijke behandeling. Eiser heeft op 1 september 2026 de gronden van beroep ingediend. De minister heeft op 7 september 2026 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 9 september 2026.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In de maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat dat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser alle gronden die aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag zijn gelegd heeft betwist en dat de minister de grond onder 2s heeft laten vallen.
6. Eiser voert ten aanzien van de grond onder 2b aan dat hij Nederland heeft verlaten en in Duitsland heeft gewoond en gewerkt. Hij heeft eerst in [plaats] gewerkt en vervolgens bij zijn oom. Hij heeft tussen Duitsland en Polen gereisd en is pas drie tot vier weken voor zijn staandehouding Nederland ingereisd. Ten aanzien van de grond onder 2h voert eiser aan dat hij heeft verklaard dat hij met zijn eigen auto Nederland kan verlaten en weer bij zijn oom in Duitsland kan gaan werken. Verder voert eiser ten aanzien van de gronden onder 2p en 2r aan dat hij niet is onderworpen aan de gestelde meldplicht omdat hij Unieburger is en dat het enkele ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats niet maakt dat sprake is van een risico op onttrekking.
7. De rechtbank oordeelt dat de gronden onder 2b, 2h, 2p en 2r feitelijk juist en voor zover nodig voldoende gemotiveerd zijn om de maatregel van vreemdelingenbewaring te kunnen dragen. Eisers verblijfsrecht is bij besluit van 24 maart 2025 ingetrokken en hij heeft niet aan kunnen tonen dat hij zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd danwel elders een bestendig bestaan heeft opgebouwd, waardoor het besluit van 24 maart 2025 nog steeds geldig is en eiser onrechtmatig in Nederland verblijft. Ondanks dat eisers verblijfrecht in 2025 is ingetrokken, is hij in 2026 driemaal aangetroffen in Nederland. Gelet op de intrekking van eisers verblijfsrecht, was hij gehouden melding te maken in Nederland van zijn onrechtmatig verblijf, hetgeen hij nagelaten heeft. Eiser heeft verklaard dat hij bij vrienden of in zijn auto verblijft maar dit is niet aan te merken als vaste woon- of verblijfplaats. Ook is de rechtbank van oordeel dat de minister de gronden onder 2p en 2r voldoende gemotiveerd heeft om op grond daarvan een onderduikrisico aan te nemen. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
8. Eiser stelt dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van vreemdelingenbewaring. Hiertoe voert eiser aan dat hij in maart 2026 in de gelegenheid is gesteld om zelfstandig te vertrekken in plaats van hem in bewaring te stellen. Ook dit keer heeft eiser verklaard dat hij Nederland zelfstandig wil verlaten.
9. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat niet kon worden volstaan met een lichter middel. Allereerst blijkt uit de gronden van de maatregel en de motiveringen al dat een onderduikrisico bestaat. Hierbij wijst de rechtbank er onder meer op dat eiser geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, dat hij eerder al de gelegenheid heeft gekregen Nederland zelfstandig te verlaten maar vervolgens weer is teruggekeerd naar Nederland ondanks dat zijn verblijfsrecht is ingetrokken. Verder is niet gebleken van omstandigheden die ervoor zorgen dat de maatregel van vreemdelingenbewaring voor eiser onevenredig bezwarend is. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
10. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Berghuis, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
16 september 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.