uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser],
geboren op [geboortedag] 1995, van Colombiaanse nationaliteit, eiser,
(gemachtigde: mr. H. Loth),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. R. Radema).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de ongegrondverklaring van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
Eiser heeft op 7 augustus 2024 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 24 juni 2025 ongegrond verklaard. Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken uitgevaardigd.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser is met bericht niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Asielrelaas
2. Eiser heeft het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser heeft verklaard dat hij in Colombia actief is geweest als [functie] van de bestuursraad van [partij 1]. In deze hoedanigheid vervulde eiser taken waarvan hij stelt dat deze overeenkomen met die van een sociaal/gemeenschapsleider. Tevens heeft eiser zich in oktober 2023 namens de partij [partij 2] verkiesbaar gesteld voor de gemeenteraadsverkiezingen van de plaats [plaats] in het departement Bolívar. Eén van de broers van eiser die actief is in het Colombiaanse leger heeft in april 2023 meegedaan aan een gevechtsactie waarbij destijds Alias Tubias van de FARC is vermoord. Twintig dagen daarna is de broer van eiser vermoord. Eiser is hierna geïntimideerd door leden van de FARC. Eiser heeft daardoor besloten om Colombia te ontvluchten. Bij terugkeer vreest hij vermoord te worden door de FARC.
Bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- intimidatie door de FARC als gevolg van politieke werkzaamheden.
Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser en de intimidatie door de FARC geloofwaardig geacht. Eiser heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Colombia vermoord zal worden door de FARC. Eiser is namelijk naar Nederland vertrokken zonder de uitkomst van zijn aangifte over de intimidatie van de FARC af te wachten. Verder heeft eiser ook geen gebruik gemaakt van de beschermingsmogelijkheden binnen zijn bereik en hij heeft daarvoor geen toereikende verklaring.
Verzoek om aanhouding
4. Op maandag 11 mei 2026 heeft de rechtbank van de gemachtigde van eiser een verzoek tot aanhouding ontvangen omdat eiser zijn voet heeft gebroken en niet in staat is om aan de zitting deel te nemen. Op dat verzoek is op voorhand geen beslissing genomen onder de mededeling dat ter zitting nader over het verzoek gesproken zal worden. Het verzoek is namelijk pas laat in de middag de dag voor de zitting ingediend, terwijl de gebeurtenis de dag ervoor al had plaatsgevonden. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser toegelicht dat eiser op zondag 10 mei 2026 zijn voet heeft gebroken. Daarnaast heeft de gemachtigde van eiser geen doktersverklaring of andere stukken overgelegd waaruit blijkt dat eiser door het gestelde ongeval niet in staat is om aan de zitting deel te nemen.
De rechtbank heeft ter zitting het verzoek tot aanhouding niet alsnog toegewezen, onder de mededeling dat zij in raadkamer wel zal beoordelen of de afwezigheid ter zitting noopt tot een heropening. De rechtbank is tot de slotsom gekomen dat dat niet het geval is.
Ontvankelijkheid en non-refoulement
5. Verweerder heeft zich in zijn verweerschrift op het standpunt gesteld dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het beroepschrift bevat volgens verweerder namelijk geen gronden, als gevolg waarvan het beroep niet inhoudelijk behandeld kan worden. Verweerder verwijst hierbij naar de uitspraken van de Afdeling van 7 april 2022 en 4 juli 2018.
De gemachtigde van eiser heeft op zitting verklaard dat hij in de gronden van het beroep ten onrechte is ingegaan op de geloofwaardigheidsbeoordeling in plaats van de zwaarwegendheidsbeoordeling. Daarnaast verklaarde de gemachtigde op zitting dat desalniettemin ex nunc beoordeeld dient te worden of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en dat voor een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep geen ruimte is.
Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in het arrest Ararat van 17 oktober 2024 geoordeeld dat artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn de bevoegde nationale autoriteit verplicht om in alle fasen van de terugkeerprocedure het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. De rechtbank vindt voor dit toetsingskader ook aansluiting bij de Afdelingsuitspraak van 2 september 2025.
Er is echter geen aanleiding om aan te nemen dat in het geval van eiser het beginsel van non-refoulement geschonden wordt bij afwijzing van het asielverzoek. Van de zijde van eiser zijn, hoewel hij en zijn gemachtigde daartoe vanaf eisers aanvraag ruimschoots de gelegenheid hebben gehad, in de gehele procedure geen punten aangevoerd die twijfel doen rijzen aan de door verweerder van meet af aan helder verwoorde conclusie dat het relaas van eiser onvoldoende zwaarwegend is voor verlening van asiel. Die conclusie is ook verder niet onbegrijpelijk.
Waar helder is dat er inhoudelijk bezien geen reden is voor asielverlening, kan en zal de rechtbank in het midden laten of het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard zoals door verweerder verzocht. Er is geen praktisch of procesbelang gediend bij die niet-ontvankelijkverklaring.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, rechter, in aanwezigheid van mr.B. Kingma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze
partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend
binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de
behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de
indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.