ECLI:NL:RBDHA:2026:27098

ECLI:NL:RBDHA:2026:27098

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 16-09-2026
Datum publicatie 17-09-2026
Zaaknummer NL25.15954
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Betrokken bij jongerenafdeling van de HDP – mishandeling en discriminatie vanwege Koerdische etniciteit – militaire dienst – beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.15954

V-nummer: [V-nummer] ,

(gemachtigde: mr. Ö. Saraç),

en

(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).

Procesverloop

1. Bij besluit van 12 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.

2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

3. De minister heeft een verweerschrift ingediend.

4. De rechtbank heeft het beroep op 30 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser, zijn gemachtigde en de tolk [persoon] hebben hieraan met behulp van een beeldverbinding deelgenomen. De gemachtigde van de minister heeft in de zittingszaal deelgenomen.

5. Op 27 augustus 2026 heeft de rechtbank de uitspraaktermijn verlengd.

Overwegingen

6. Eiser is geboren op [geboortedag] 1999. Hij heeft de Turkse nationaliteit en behoort tot de Koerdische bevolkingsgroep. Hij heeft op 6 februari 2023 in Nederland een asielaanvraag ingediend. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij betrokken is geweest bij de jongerenafdeling van de HDP, dat hij is mishandeld en gediscrimineerd vanwege zijn Koerdische etniciteit en dat hij bij terugkeer naar Turkije gedwongen wordt om in militaire dienst te gaan, waarbij hij het risico loopt dat hij tegen zijn eigen volk zal worden ingezet.

Het bestreden besluit

7. Met het bestreden besluit heeft de minister de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw. De minister acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig (het eerste relevante element). Hij volgt ook de gestelde betrokkenheid van eiser bij de jeugdafdeling van de HDP, maar gelooft niet dat eiser als gevolg daarvan problemen heeft ondervonden (het tweede relevante element). De minister acht het ten slotte geloofwaardig dat eiser is opgeroepen voor militaire dienst (het derde relevante element). Uit de geloofwaardig geachte relevante elementen volgt niet dat eiser een gegronde vrees heeft voor vervolging, of bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade.

Gronden van beroep

8. Eiser voert tegen het bestreden besluit aan dat het onzorgvuldig tot stand is gekomen en ondeugdelijk is gemotiveerd, omdat de minister wel gelooft dat eiser tot de Koerdische bevolkingsgroep behoort en actief is geweest bij de jeugdbeweging van de HDP, maar dat eiser desondanks geen gevaar zou lopen bij terugkeer naar Turkije. Op basis van algemene bronnen, waaronder het Algemeen Ambtsbericht 2025, is bekend dat Koerden in Turkije onderdrukt en gediscrimineerd worden. Dit gegeven, in samenhang met de consistente verklaringen van eiser over door hem zelf ondervonden onderdrukking, discriminatie en intimidatie, had tot een ander oordeel moeten leiden.

Eiser voert daarnaast aan dat hij principiële bezwaren heeft tegen het vervullen van militaire dienst in Turkije. Als dienstweigeraar stelt hij het risico te lopen dat hij in zijn bewegingsvrijheid zal worden belemmerd. Als hij wel aan de oproep gehoor zou geven bestaat het risico dat hij tegen zijn eigen volk zal worden ingezet. Het afkopen van de dienstplicht is ook geen oplossing, omdat hij in dat geval nog altijd een maand basistraining moet volgen en omdat met dit geld mogelijk weer wapens gekocht worden die tegen de Koerden worden ingezet. Zolang er geen vrede is in Turkije wil eiser uit principiële overwegingen op geen enkele manier met wapens of geweld te maken hebben.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Koerdische etniciteit en politiek activisme

9. In het landgebonden beleid ten aanzien van Turkije zijn DEM-leden en -activisten (voormalig HDP) aangemerkt als risicoprofiel. In artikel C3/2.4 van de Vc is bepaald dat als een vreemdeling behoort tot een groep die is aangemerkt als risicoprofiel, de IND de individuele omstandigheden van het geval beoordeelt, afgezet tegen de positie van de groep en algemene (veiligheids-) situatie in het land van herkomst. Aan de hand van de individuele omstandigheden zoals de persoonlijke omstandigheden, de verrichte activiteiten en eventuele eerdere gebeurtenissen, beoordeelt de IND of de vreemdeling een reëel risico op vervolging of ernstige schade loopt of heeft gelopen.

De rechtbank is van oordeel dat in het bestreden besluit voldoende is onderbouwd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn betrokkenheid bij de HDP gegronde vrees heeft voor vervolging of dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. De minister heeft de verklaringen van eiser over de problemen die hij zou hebben ondervonden terecht onvoldoende samenhangend en aannemelijk geacht en in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie. Zo heeft eiser geen documenten overgelegd die kunnen onderbouwen dat hij een boete heeft moeten betalen voor deelname aan een criminele organisatie en dat hij een jaar lang in de gaten is gehouden. De minister heeft daarbij ook terecht overwogen dat eiser geen bevredigende verklaring heeft gegeven voor het ontbreken van dergelijke documenten. De verklaring die eiser ter zitting heeft gegeven, dat hij geen toegang heeft tot zijn E-Devlet, maar zijn advocaat in Turkije wel, maar daar geen relevante stukken heeft aangetroffen, bevestigt naar het oordeel van de rechtbank het bestreden besluit op dit punt. De minister heeft terecht overwogen dat van eiser meer inspanning verwacht had mogen worden om zijn politieke activiteiten te onderbouwen. De verwijzing naar algemene bronnen waaruit blijkt dat Koerden in Turkije gediscrimineerd worden is daarnaast onvoldoende om voor eiser een reëel risico op ernstige schade aan te nemen bij terugkeer. Ten slotte heeft de minister terecht overwogen dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd, omdat hij zonder goede reden pas drie jaar na het einde van zijn eerdere asielprocedure opnieuw om asiel heeft gevraagd. De enkele, niet-onderbouwde stelling van eiser dat hij depressief was is hiervoor geen voldoende verklaring.

Militaire dienstplicht

10. Op grond van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder e van de Kwalificatierichtlijn kan vervolging of bestraffing wegens de weigering militaire dienst te vervullen tijdens een conflict, in bepaalde omstandigheden gelden als daad van vervolging en dus een grond vormen voor verlening van internationale bescherming. De uitwerking van deze bepaling in het door de minister vastgelegde beleid bepaalt in artikel C3/3.2.7, derde lid, van de Vc: een asielvergunning kan worden verleend aan de vreemdeling die ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren heeft vanwege zijn godsdienstige of andere diepgewortelde overtuiging, die geleid hebben tot zijn dienstweigering of desertie, terwijl er voor de vreemdeling geen mogelijkheid bestond om ter vervanging van zijn militaire dienst een niet-militaire dienstplicht te vervullen. Daarnaast bestaat er een reële kans dat het niet vervullen van de militaire dienstplicht leidt tot oplegging van een onevenredige zware (straf)maatregel of tot oplegging van een samenstel van verschillende maatregelen, die in samenhang kunnen worden aangemerkt als een onevenredige bestraffing. Dit geldt ook als de vreemdeling gegronde vrees heeft in een conflict te worden ingezet tegen zijn eigen volk of familie.

De rechtbank is van oordeel dat in het bestreden besluit terecht is overwogen dat niet is gebleken dat eiser ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren heeft. De minister heeft hierbij terecht overwogen dat eiser tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat hij het niet erg zou vinden om een jaar lang de militaire dienstplicht te vervullen als er geen oorlog zou zijn en hij een functie zoals een kantoorbaan zou krijgen. Uit deze verklaringen heeft de minister mogen afleiden dat eisers bezwaren niet zonder meer zijn gericht tegen het vervullen van militaire dienst als zodanig, maar met name verband houden met de omstandigheden waaronder hij die dienst zou moeten vervullen. Daarbij wijst de minister er terecht op dat de mogelijkheid bestaat om de dienstplicht af te kopen. In eisers enkele opmerking ter zitting dat hij wél principiële gewetensbezwaren heeft en hij, zolang er geen vrede is in Turkije, op geen enkele manier met wapens of geweld te maken wil hebben, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Tussen partijen is niet in geschil dat dienstplichtontduikers en deserteurs in Turkije niet onevenredig of discriminatoir worden bestraft, zoals ook is beschreven in het Algemeen Ambtsbericht 2025. Eiser heeft bovendien ter zitting bevestigd dat hij een eventuele straf voor lief zou nemen, als dat zou betekenen dat hij dan niet zou hoeven dienen. Gelet op het in punt 10 geciteerde beoordelingskader heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank daarom aan eiser terecht geen internationale bescherming verleend op de grond dat hij de dienstplicht heeft geweigerd. Het bestreden besluit is op dit punt voldoende en deugdelijk gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

11. De minister heeft de asielaanvraag van eiser terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 16 september 2026 door mr. S.S. van der Velde, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand