RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 september 2026 in de zaak tussen
[naam], eiser,
het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB26/12237 en NL26.41337
geboren op [geboortedatum],
van Somalische nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),
en
evenals
(gemachtigde: mr. D. Halbesma).
Procesverloop
1. Het COa heeft op 24 juni 2026 besloten om eiser in de HTL in Hoogeveen te plaatsen (het plaatsingsbesluit). De minister heeft bij besluit van 24 juni 2026 aan eiser de maatregel van vrijheidsbeperking opgelegd (de vrijheidsbeperkende maatregel) als bedoeld in artikel 56 van de Vw.
Eiser heeft tegen het plaatsingsbesluit en de vrijheidsbeperkende maatregel beroep ingesteld. Eiser heeft hierbij verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 11 september 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen. De minister en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Wat ging er aan het plaatsingsbesluit vooraf?
2. Uit de verslaglegging van het COa blijkt – kort samengevat – het volgende. Op
21 juni 2026 heeft zich een incident voorgedaan op de COa-locatie in Amsterdam. Eiser stond bij de receptie en gooide een papieren bekertje, met daarin een servet met bloed en stokjes, naar COa-medewerkers. Het bleek dat eiser gewond was omdat hij een eerdere aanvaring had gehad met zijn kamergenoot. Eiser schreeuwde in het Engels naar een COa-medewerker dat de medewerker verantwoordelijk was voor de verwondingen, dat eiser de medewerker haatte en dat eiser de medewerker wilde vermoorden. Eiser liep hierbij dreigend op de COa-medewerker af. Een beveiliger greep in en hield eiser tegen. Eiser maakte vervolgens naar een vrouwelijke COa-medewerker seksuele gebaren en toonde hierbij zijn geslachtsdeel. Eiser werd vervolgens vastgehouden en naar de grond gewerkt door de beveiliger en begon te spugen richting de COa-medewerkers. Nadat de beveiliger eiser los liet begon eiser de medewerkers te filmen. De COa-medewerkers hebben vervolgens de politie gebeld. Eiser begon hierop te schreeuwen, de medewerkers uit te schelden en dreigde ze te vermoorden. Hierop heeft de beveiliger eiser wederom naar de grond gewerkt. Uiteindelijk was eiser gekalmeerd, is de politie gekomen en is eiser voor zijn verwondingen naar het ziekenhuis gegaan. Het COa heeft het incident gekwalificeerd als een incident met zeer grote impact, omdat het gaat om gedrag met als doel de ander ernstige fysieke schade toe te brengen en een ander ernstig te bedreigen. Eiser heeft zich volgens het COa verbaal en fysiek agressief gedragen tegen twee medewerkers en heeft daarbij ook doodsbedreigingen geuit. Het COa heeft HTL-plaatsing noodzakelijk geacht.
Oordeel rechtbank
3. De rechtbank ziet in wat eiser naar voren brengt onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de verslaglegging van het COa. Eisers stelling dat hij slachtoffer was van mishandeling en heftig reageerde doordat hij was mishandeld, maakt het oordeel niet anders. Het COa wijst er terecht op dat een eerdere mishandeling door een ander geen vrijbrief is voor agressief en seksueel ongewenst gedrag richting de COa-medewerkers. De enkele ontkenning van eiser dat hij zijn geslachtsdeel heeft laten zien, dat hij de medewerkers niet heeft bespuugd en geen dreigende, seksuele opmerkingen naar de medewerker heeft gemaakt, leidt ook niet tot een ander oordeel. Het tonen van het geslachtsdeel, het spugen en de opmerkingen zijn namelijk door meerdere medewerkers waargenomen. De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor het oordeel dat het COa onvoldoende rekening heeft gehouden met de mishandeling en eisers gemoedstoestand. In het plaatsingsbesluit heeft het COa overwogen dat eiser bij een eerder incident betrokken is geweest en dat eiser het incident als onrechtvaardig beschouwde, maar dat dit niet rechtvaardigt dat hij medewerkers bedreigt, intimideert of bespuugt. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat het COa het eerdere incident en eisers gevoel over dat incident voldoende heeft betrokken bij de besluitvorming. De beroepsgrond slaagt niet.
De rechtbank is verder van oordeel dat het COa het incident terecht heeft aangemerkt als een incident met zeer grote impact. Van een incident met zeer grote impact is, zoals volgt uit het Maatregelenbeleid van het COa, sprake wanneer het gaat om agressie en geweld met als doel de ander ernstige fysieke schade toe te brengen of met als doel de ander ernstig te kleineren of te bedreigen. In eisers geval gaat het om doodsbedreigingen richting COa-medewerkers, het intimideren met seksuele motieven en het gebruik van geweld tegen COa-medewerkers. Daarbij overweegt de rechtbank dat het gaat om de intentie en niet om het effect van het gedrag. De rechtbank volgt eiser, gelet op het hiervoor overwogene, niet in de stelling dat sprake is van een incident met geringe impact. Dat eiser niet is meegenomen door de politie maakt de kwalificatie van het incident niet anders. Het wel of niet worden meegenomen of aangehouden door de politie doet niet af aan de ernst van het incident en is geen voorwaarde voor een HTL-plaatsing. Dat er drie dagen tussen de plaatsing en het incident zitten en dat zich in die drie dagen geen incidenten hebben voorgedaan, doet ook geen afbreuk aan de ernst van het incident. Omdat sprake is van een incident met zeer grote impact is één incident voldoende voor plaatsing op de HTL. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het COa het plaatsingsbesluit mocht nemen en ook de minister de vrijheidsbeperkende maatregel mocht opleggen. Eiser krijgt geen schadevergoeding. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier op 17 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking van het proces-verbaal. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.